PlusAchtergrond

Ooit was het Palais Royal, nu het W Hotel, hét trefpunt voor het Amsterdamse journaille

Op 4 augustus 1877 opende restaurateur Eduard Meijer hotel-café Palais Royal op de hoek van de Paleisstraat en de Nieuwezijds Voorburgwal. Het werd een vaste stek voor redacteuren van de dagbladpers in de buurt.

Maarten Hell en Marius van Melle
Paleisstraat met Royal Palais. Misset, H.M.J. (Herman, 1875-1958). Beeld Stadsarchief Amsterdam
Paleisstraat met Royal Palais. Misset, H.M.J. (Herman, 1875-1958).Beeld Stadsarchief Amsterdam

Het hôtel et café met de deftige naam Palais Royal was een initiatief van Eduard Meijer, de voormalige chef-kok van het Poolsche Koffiehuis (het latere Hotel Polen), tussen Kalverstraat en Rokin. Ooit was hij daar als twaalfjarig ventje begonnen in de bediening en nu stond hij op het punt een eigen horecazaak te openen op een al even prominente locatie. Op 4 augustus 1877 meldde een apetrotse Meijer in chocoladeletters aan het krantenpubliek dat zijn zaak van start ging in een verbouwd pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal, op de hoek van de nieuwe Paleisstraat ter plaatse van de verdwenen Stilsteeg. De hotelnaam ontleende hij aan het tegenovergelegen Koninklijk Paleis, waarop zijn gasten uitkeken.

Als zoon van de in de buurt populaire straatzanger Kees Meijer, alias Meijer de Rijmer, wist hij hoe hij klanten moest lokken: met stunts en vermaak. Zo liet hij in 1879 de ‘grootste spiegel van Nederland’ (7 bij 3,5 meter) in zijn hotel plaatsen en opende hij een biljartzaal met drie biljarttafels. In de loop der jaren kocht Eduard Meijer steeds meer buurpanden aan om zijn uitdijende klantenkring in alle comfort te kunnen ontvangen. Na de eerste verbouwing in 1880 door de bekende architect Isaac Gosschalk, telde het hotel veertig logeerkamers en salons, bad- en toiletkamers en zalen voor diners, biljarten en conversatie. Precies op tijd voor de Wereldtentoonstelling van 1883 wist Meijer het aantal kamers tijdelijk op te schroeven tot een 65-tal, met vijf bedden per kamer.

Goedkope daghap

In de restauratiezaal was plaats voor ruim honderd personen, die à-la-cartegerechten, een dagschotel konden bestellen of aanschuiven aan de nog goedkopere table d’hôte. De goedkope daghap en het café waren koren op het molentje van de journalisten en redacteuren van de dagbladpers die in de buurt werkten, vooral na demping in 1883 van de Nieuwezijds Voorburgwal. Mede vanwege de nabijheid van het telegraaf- en postkantoor schreven correspondenten uit andere steden hun stukjes in Palais Royal. Tussen vier en zes uur ‘s middags, als de provincie- en stadseditie waren gedrukt, was het een drukte van belang aan het ‘journalistentafeltje’. Ter ontspanning speelden dagbladschrijvers van allerlei gezindten een spelletje kruisdomino met minieme financiële inzetten.

Vanwege de vaste journalistieke klandizie en het toenemende vreemdelingenverkeer naar Amsterdam moest Meijer in 1896 andermaal uitbreiden. Ditmaal ging het ten koste van de naastgelegen boekdrukkerij van Matthijs J. Portielje. Hij liet architect Gerrit van Arkel een nieuw hotelpand ontwerpen, met dakterrassen en in het midden zelfs een forse koepel. Om de financiering rond te krijgen en vanwege een probleem met de drankvergunning, richtte Meijer in 1901 een naamloze vennootschap op. Drie jaar later struikelde hij van het balkon van de eetzaal op de eerste verdieping: hij maakte een onfortuinlijke landing op het plaveisel van de Nieuwezijds Voorburgwal en overleed in het ziekenhuis aan zijn verwondingen.

Sportieve zoons

Zijn opvolgers als exploitanten waren zijn sportieve zoons: Eduard junior – tevens Nederlands kampioen langeafstandszwemmen en een legendarische reddingzwemmer in de Amsterdamse grachten – en de eveneens behoorlijk zwemmende August Meijer. De broers, die mede dankzij de externe financiers ook zwommen in het geld, lieten Van Arkels hotelpand alweer vervangen door nieuwbouw van kolossale afmetingen geïnspireerd door Amerikaanse architectuur.

Met het razendsnel neergezette nieuwe gebouw van 1905 kromp het aantal logeerkamers weliswaar tot veertig, maar het Palais Royal beschikte nu over meer zaalruimte. Indrukwekkend waren verder de moderne telefoon-, wek- en brandalarmsystemen, alsmede een reusachtig kookfornuis en de elektrische bordenwasser. In de keuken voerde de Zwitserse chef Rudolf Schardt de scepter, die het vak had geleerd in Parijs en om duistere redenen was ontslagen bij Hotel Krasnapolsky. Alle vernieuwing ten spijt gingen de zaken bergafwaarts voor het Palais Royal. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam het toerisme naar de hoofdstad grotendeels tot stilstand. In 1921 verkochten zij het pand aan de Nederlandse staat, die er een Postgirokantoor wilde laten bouwen. De journalisten vonden onderdak in het nabijgelegen Café Scheltema.

Sigarenwinkeltje

In 1924 begon de sloop van het huizenblok tussen Nieuwezijds en Spuistraat en tussen Paleis- en Raadhuisstraat. Op 19 december 1927 opende het door Joop Crouwel ontworpen Postgirokantoor, ook bekend als het ‘Geldkantoor’. In 1934 betrok de Rijks-telefooncentrale de bovenverdieping, terwijl beneden op de hoek een sigarenwinkeltje de naam van ‘Palais Royal’ in ere hield. In 2000 kwam op de begane grond een supermarkt van Albert Heijn, met de stenen trappen als zitplaatsen voor studenten, zwervers en toeristen. Vijftien jaar later opende – na verbouwing naar ontwerp van Office Winhov – het W Hotel, met circa 230 kamers en een verwarmd zwembad op het dak. Hiermee kreeg deze locatie zijn historische horecabestemming terug, al zijn scribenten ver te zoeken in het nieuwe ‘Luxury Boutique Hotel’.

Dit is een aflevering uit de artikelenreeks Hier gebeurde het... uit Ons Amsterdam.

Vergiftigde kok?

In de snikhete zomer van 1912 ontsloeg chef-kok Rudolf Schardt zijn patissier voor ongewenste gedrag ‘tot in de keuken toe’ naar een vrouwelijk personeelslid. Een week later voelde de chef zich beroerd na het eten van een bordje tuinbonen met spekjes, en overleed hij plotseling. Volgens een arts waren er in het braaksel en ontlasting van de chef sporen van arsenicum gevonden. De politie verhoorde de ontslagen banketbakker en het vrouwelijk personeelslid. De kranten smulden van het verhaal. Maar de laboratoriumonderzoekers bleken echter een vergissing te hebben begaan. Met een ingezonden brief ontkrachtte een betrokken arts het arsenicumverhaal: het ziektebeeld leek meer op een voedselvergiftiging. Al met al geen beste reclame voor het hotel-restaurant.