PlusExclusief

In een vervallen Sovjetkuuroord in Tbilisi hopen deze vluchtelingen al decennia op een toekomst. ‘Waarom moeten wij zo leven?’

Vluchtelingen wonen in een voormalig kuuroord in Tbilisi. Hun leven in het vervallen pand is zwaar. Beeld Egor Slizyak
Vluchtelingen wonen in een voormalig kuuroord in Tbilisi. Hun leven in het vervallen pand is zwaar.Beeld Egor Slizyak

Al ruim dertig jaar wonen ontheemden uit Abchazië in een vervallen Sovjetsanatorium in de Georgische hoofdstad Tbilisi. De omstandigheden zijn er schrijnend en er is weinig hoop op een betere toekomst.

Jarron Kamphorst

Op een afstandje klinkt is het zachte gezoem van de elektriciteitskabels die over de gevel van het voormalige Kartlisanatorium omhooglopen al hoorbaar. Als metalen klimplanten kruipen de kabels via de scheuren en gaten in het pleisterwerk richting het dak.

Onderweg passeren ze gammele metalen stellages waarin gasflessen onder de ramen hangen. Hier en daar steken plastic pijpen als waterspuwers uit de façade. De gevelstenen rondom de provisorische schoorstenen zijn zwartgeblakerd en voor verschillende ruiten hangt was te drogen.

Voor de deur van het vervallen gebouw in een buitenwijk van de Georgische hoofdstad Tbilisi staat Vladimer Chanthridze. Hij draagt een vale Puma-muts op zijn hoofd en heeft een frivole blik in zijn ogen. Staand onder een balkon dat steunt op twee verroeste palen, vertelt de zeventiger dat hij hier al ruim dertig jaar woont.

Voormalig kuuroord

Begin jaren negentig vluchtte hij uit zijn geboorteregio Abchazië in het noordwesten van het land, nadat daar een bloedige strijd was losgebarsten tussen lokale separatisten gesteund door het Russische leger, en het Georgische leger. Bij het conflict dat in 1993 eindigde na een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van de afvallige regio kwamen zo’n 10.000 mensen om het leven en nog eens 250.000 inwoners van het gebied sloegen op de vlucht.

Onder hen was ook Chanthridze die, net als de andere tweehonderd families die in het Kartlisanatorium onderdak kregen, in de veronderstelling was dat het om een tijdelijke opvanglocatie ging. Maar jaren gleden voorbij en de inwoners van Kartli kregen nooit vervangende woonruimte. “Het leven hier is niet makkelijk,” vertelt Chanthridze. “We leven weliswaar als een hechte gemeenschap, maar het gebouw is levensgevaarlijk en ongezond.”

Het pand, dat ten tijde van de Sovjet-Unie het licht zag als kuuroord voor patiënten met hartkwalen, doet van binnen inderdaad aan als een door de mens gecreëerde stadsgrot waar zwerfhonden en -katten door de jaren heen een thuis vonden. De eindeloze en steenkoude gangen zijn onverlicht, overal hangen open elektriciteitskabels uit de afbrokkelende plafonds en op sommige plekken zitten gaten in de vloer die zicht geven op de lagergelegen verdiepingen.

Zoons overleden bij vlucht

Op de eerste verdieping baat zestiger Lamara, die niet met haar achternaam in de krant wil, een winkeltje uit in een van de piepkleine ruimtes waar ooit hartpatiënten werden behandeld. Op de toonbank van haar winkel staat enkel het broodnodige. Flessen zonnebloemolie, pakken koekjes, blikvoer, frisdrank, dat werk. Verder heeft ze in de diepvries nog kippenbouten en ijs. “Veel verdien ik er niet mee, zo’n drie à vijf euro per dag, maar ik moet iets.”

Ook Lamara woont al sinds de jaren negentig in Kartli. Daarvoor had ze een goed bestaan in de Abchazische hoofdstad Soechoemi. “Mijn man en ik hadden een groot huis. Ik had een baan als leraar. We waren gelukkig.” Maar de oorlog veranderde alles, vertelt ze, wijzend naar een foto aan de muur van haar twee zoons. “Ze kwamen allebei om het leven en mijn man en ik moesten vluchten.”

En dus belandde het stel in het Kartlisanatorium. “Nu heb ik al jaren niets meer. We wonen hier een paar deuren verder in een eenkamerappartement van achttien vierkante meter met slaapkamer en keuken in dezelfde ruimte en we hebben nauwelijks geld. Wat hebben wij misdaan om zo te moeten leven?”

Het is een vraag die alle families in het gebouw zichzelf al decennia stellen. Zo ook de 52-jarige Irma Nachkebia, die in haar woning in een grote fauteuil zit. In de ruimte hangt een vlassig gordijn als afscheiding tussen het kookgedeelte en het woon- en slaapvertrek. Ze vertelt over het gevecht tegen de bierkaai dat de bewoners van Kartli al jaren voeren. “We hebben al zo vaak gedemonstreerd en telkens belooft de regering de wereld, maar er gebeurt niets. Er sterven hier al decennia mensen dromend van een echt huis in plaats van deze verpauperde hokken.”

Lamara runt een winkeltje in een van de kleine ruimtes in Kartli.  Beeld Egor Slizyak
Lamara runt een winkeltje in een van de kleine ruimtes in Kartli.Beeld Egor Slizyak

‘Rot systeem’

Het absolute dieptepunt wat dat betreft voltrok zich in januari dit jaar, toen de 52-jarige bewoner Zurab Chichoshvili uit pure wanhoop vanuit zijn woning de dood tegemoet sprong. “Het was een protestactie tegen de leefomstandigheden hier,” vertelt Nachkebia. “Pas daarna begon de regering in rap tempo stappen te nemen om ons te verplaatsen. Er moest dus eerst iemand zelfmoord plegen voordat ze tot actie overgingen.”

Van de oorspronkelijke 200 families hebben er inmiddels zo’n 80 vervangende woonruimte gekregen. De rest is nog in afwachting. De bewoners mogen kiezen: of ze krijgen zo’n 100 dollar per maand huursubsidie of de regering betaalt eenmalig 550 dollar per vierkante meter voor een koopwoning. “Maar daar huur of koop je niets van in Tbilisi,” foetert Nachkebia. “De vierkantemeterprijs ligt tussen de 700 en 800 dollar en de huur voor een studio buiten het centrum ligt al dik boven de 200 dollar.”

Daarom peinst Nachkebia niet over een vertrek. “Ik ga hier niet zomaar weg. Ze moeten met een reëel aanbod komen. Bovendien is dit ook mijn thuis. De graven van mijn familieleden liggen hier, de scholen van de kinderen zijn in de buurt en er is hier genoeg braakliggend terrein. Waarom kunnen ze hier niets bouwen? Ik weiger me naar dit rotte systeem te schikken.”

Vertrouwen heeft ze dan ook niet. “Er wonen hier vooral eenzame, oude mensen. De regering laat ons gewoon wegrotten tot we hier sterven. Een bejaarde minder, een probleem minder, dat denken ze. Het heeft niets met medemenselijkheid te maken,” zegt ze met de handen voor het gezicht. “Dit is een gebouw vol trauma en iedereen sterft hier terwijl ze tevergeefs hopen op betere tijden.”

Meer over