PlusAchtergrond

Hoe die Amsterdamse rotzakken beslisten over oorlog en vrede in het Rampjaar 1672

Zo lang mogelijk oorlog, of zo snel mogelijk vrede: wat moeten we aan met de oprukkende Fransen? Dat was de centrale vraag in het Rampjaar 1672. Als rijkste stad van de Republiek had Amsterdam een belangrijke stem in dit dilemma.

Tessa de Boer
Een jonge orangist toont een regent (met slaapmuts) een allegorische tekening van een Franse haan, die victorie kraait over de Hollandse leeuw. Schilderij van Johannes van Wijckersloot uit 1673. Beeld Rijksmuseum
Een jonge orangist toont een regent (met slaapmuts) een allegorische tekening van een Franse haan, die victorie kraait over de Hollandse leeuw. Schilderij van Johannes van Wijckersloot uit 1673.Beeld Rijksmuseum

Amsterdam was in de jaren voor het Rampjaar 1672 op het hoogtepunt van haar macht. De stad was het centrum van de wereldhandel, het nieuwe stadhuis was een wereldwonder en burgemeester Gillis Valckenier zou meer macht in zijn stad hebben dan de Ottomaanse sultan in zijn rijk. Ook het politieke klimaat was gunstig: de periode tussen 1650 en 1672 was het Eerste Stadhouderloze Tijdperk.

Zonder een stadhouder om rekening mee te houden, konden de Amsterdamse regenten hun goddelijke gang gaan. De stad beschikte over een uitgebreid internationaal netwerk; buitenlandse gezanten richtten zich soms eerder tot de Amsterdamse burgemeesters dan tot de Staten-Generaal. Zolang er maar handel gedreven kon worden, ging het met de stad en haar pragmatisch ingestelde burgemeesters uitstekend.

Kelderende koersen

Maar de buitenlandse agressie in het Rampjaar – Engeland, Frankrijk en Münster vielen tegelijk de jonge Republiek aan – was een regelrechte catastrofe. De handel kwam in gevaar. Amsterdam had het conflict met de Fransen zien aankomen en zich zorgvuldig voorbereid: de defensie van de stad was versterkt, de schutterijen extra gedrild en de onderlinge geschillen onder de regenten waren in de ijskast gezet.

Een belegering bleef de stad uiteindelijk bespaard, maar door de Franse inval in juni maakte de beurs een historische uitglijder. De koersen van de VOC en de WIC kelderden dramatisch. Handel met Frankrijk, normaal gesproken een van de belangrijkste partners, was onmogelijk geworden. Tegelijkertijd stegen de kosten van de verdediging tot astronomische hoogten. Iedereen was het erover eens: het conflict moest ten einde komen, maar hoe?

Oorlog of vrede

De wetten van de Republiek waren vrij duidelijk: de centrale regering in Den Haag, met aan het hoofd raadspensionaris Johan de Witt, besloot over oorlog en vrede. De praktijk was echter een stuk ingewikkelder: als economisch en financieel centrum van de Republiek had Amsterdam automatisch een vrijwel doorslaggevende stem.

Aanvankelijk wilde Amsterdam de strijd voortzetten. Weliswaar hadden de Fransen een vredesvoorstel gedaan, maar hun voorwaarden waren volgens de Amsterdamse burgemeesters te nadelig voor de economie. Het overgrote deel van de Republiek daarentegen was zo uitgeput dat het niets liever wilde dan de strijd ten einde brengen. Men wilde het voorstel accepteren.

De Fransen roken hun kans. Ze stelden als extra eis dat de vrede alleen zou worden gesloten, als zij kon rekenen op instemming van alle steden. Ze dreigden met belegering van Amsterdam. Daarbij zouden ze ‘geen enkele steen op de ander laten staan’. Binnen Amsterdam liep de spanning op: burgers raakten onrustig, schutters toonden zich opstandig.

Moord

Het tij keerde toen Johan de Witt werd vermoord. Willem III werd stadhouder. Amsterdam was nooit een bijzonder Oranjegezinde stad geweest, en was nu ook wantrouwig. Maar weer betoonden de burgemeesters zich pragmatisch: ter bevordering van de stabiliteit van de Republiek besloten ze zich niet al te veel te verzetten tegen de nieuwe machthebber. Ook zagen ze hoe de Amsterdamse bevolking wél riep om ‘Oranje’: op 23 augustus hadden enkele burgers zelfs een brief op de deur van de Beurs genageld, waarin ze eisten dat het stadsbestuur gezuiverd werd.

Ook in Amsterdam nam de Oranjeliefde bij de regenten toe. Erg groot was die overigens niet, sterker nog: ze verbleekte heel snel. Ook na de zuiveringen bestond de regering van Amsterdam niet uit louter loyale discipelen van de stadhouder. Dit zorgde na het Rampjaar meteen voor nieuwe wrijvingen tussen stad en staat.

De Franse kwestie bleef hét onderwerp op de agenda: hoewel de strijd zelf zich inmiddels had verplaatst naar de Zuidelijke Nederlanden en het acute gevaar voor Holland was geweken, bleef de vraag of het beter was om de Fransen tot het einde te bevechten of om vrede te sluiten. Amsterdam veranderde van mening: vrede was tóch beter voor de handel dan een lange, dure oorlog.

Langste eind

Willem III was het er pertinent niet mee eens, maar Amsterdam trok aan het langste eind. De vriendschap met de Fransen werd in 1698 met de Vrede van Nijmegen hersteld. Tussen Amsterdam en stadhouder Willem III zou het nooit echt boteren. Hij vond het onbegrijpelijk dat die ‘rotzakken van Amsterdam’ er keer op keer in slaagden de koers van oorlog en vrede voor de hele Republiek te bepalen, terwijl het toch maar één stad was, en steden zich niet met de internationale diplomatie hadden te bemoeien! De verklaring is niet zo ver te zoeken: het geld regeert.

Dit is een bewerking van een artikel van Tessa de Boer voor het meinummer van Ons Amsterdam. Zij doet promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden en schreef haar masterscriptie over de Amsterdamse diplomatie: Amsterdiplomacy. Amsterdam as a Diplomatic City, 1648-1795.

Buitenhuizen

In het rampjaar 1672 dreigde de Vechtstreek in de frontlinie te komen. Hier hadden veel Amsterdamse regenten hun buitenhuizen. Burgemeester Joan Huydecoper van Maarsseveen wist de Franse opperbevelhebber te overreden om zijn buitenhuis Goudestein in Maarssen te sparen. Hij hield zijn fraaie staaltje diplomatie, inclusief omkoping met zowel geld als een partij fraaie stoffen, wel geheim: heulen met de vijand was geen populaire activiteit.

Willem III van Oranje (1650-1702), stadhouder in de Republiek en koning van Engeland. Portret gemaakt rond 1683 door Caspar Netscher, uit de collectie van het Rijksmuseum. Beeld Heritage Images/Getty Images
Willem III van Oranje (1650-1702), stadhouder in de Republiek en koning van Engeland. Portret gemaakt rond 1683 door Caspar Netscher, uit de collectie van het Rijksmuseum.Beeld Heritage Images/Getty Images
Meer over