PlusExclusief

Het laatste nog staande gebouw van kamp-Sobibor trekt steeds meer bekijks – tot ergernis van de bewoners

Het Commandantshuis in 2018, de woning van de Zielinski’s. Beeld Rosanne Kropman
Het Commandantshuis in 2018, de woning van de Zielinski’s.Beeld Rosanne Kropman

Het ‘Commandantshuis’ is het enige gebouw van vernietigingskamp Sobibor dat nog overeind staat. Sinds 1955 woont er een familie. Tot hun ongenoegen groeit de interesse van de buitenwereld in de zwarte geschiedenis.

Rosanne Kropman

Het voormalige vernietigingskamp Sobibor is nauwelijks aangegeven vanaf de provinciale weg van het Oost-Poolse Wlodawa naar Chelm. Uit het niets doemt de afslag op, waarna je nog een paar kilometer over een klein landweggetje moet rijden. Al even eigenaardig is dat je niet precies weet wanneer je je op het terrein van het voormalige vernietigingskamp bevindt. Als je na een kilometer of drie rechts een kapelletje passeert, zou je je binnen de dubbele hekken bevinden als Sobibor er nog gestaan had.

Nog tijdens de oorlog werd het kamp in opdracht van de nazi’s tot op de laatste steen en plank afgebroken, in een poging de sporen van een van de grootste plaatsen delict uit de geschiedenis uit te wissen.

Op één gebouw na.

Dat hier nog een overblijfsel staat van de vernietigingsfabriek, moet je maar net weten. In het naburige museum waarschuwt het personeel bezoekers die ernaar vragen om niet te lang op het verhoogde spoortalud te staan om foto’s te maken van het gebouw. Wie te dichtbij gaat kijken, krijgt het gegarandeerd aan de stok met de familie Zielinski. Zij zijn de bewoners van het Commandantshuis, zoals het grootste groene huis in een rijtje van drie huizen genoemd wordt, al woonden de twee commandanten van Sobibor vrijwel zeker in een ander gebouw. De Zielinski’s weten dat ze in een huis wonen dat om zijn grimmige verleden de moeite van het fotograferen waard is. Ze worden er steeds vaker aan herinnerd nu er een nieuw museumpje staat en er volop gewerkt wordt om de plek in het bos steeds zichtbaarder te maken. “Ze staan hier wel te fotograferen vanaf de sporen, soms lopen er zelfs mensen door de achtertuin, waar geen hek staat,” zegt Jerzy Zielinski (60) aan zijn tuinhek.

Houthakker

Zijn vrouw werd in het huis geboren, zegt hij. Haar ouders kregen het toegewezen in 1955 toen Polen nog zuchtte onder het Sovjetcommunisme. Zielinski kwam er in 1988 wonen, toen ze trouwden. Allebei werkten ze in de bosbouw, hij als houthakker, zij als secretaresse in het kantoor dat aan de overkant van het spoor ligt en het productiebos overziet. Ook al werkt hij niet meer, hij ziet er nog steeds uit als houthakker: potig, groen petje, groene werkbroek en een geblokt houthakkersoverhemd onder zijn fleecejas.

Tot een jaar of vijftien geleden was er nog niemand die bij ze binnen wilde kijken of ongevraagd hun tuin binnenstapte. Het was een vergeten plek op het desolate drielandenpunt Polen, Belarus en Oekraïne. Er stond wel een monument in het bos, een roestbruin beeld van een moeder en een kind, en iets verderop lag een gigantische grijsbruine hobbel in het gras op de plek van de massagraven. De betonnen kolos uit de jaren zestig moest een asheuvel voorstellen. Wie goed naar de slecht onderhouden grasmat keek, kon de grijswit geblakerde botsplinters uit het zand zien steken.

Op de plek waar nu het museum staat, lag tot in de jaren negentig een crèche. De kinderen uit Zwobek en Sobibor Station, de twee gehuchten rond het vernietigingskamp, voetbalden op het veldje ervoor. Er kwam verder geen hond.

De Zielinski’s voedden er in die tijd hun twee zoons op, en ook de schoonouders van Zielinski woonden toen nog in het huis. Zij werkten ook in de houthakkerij, net als zo ongeveer iedereen in de omgeving van Sobibor.

Nu zijn ze nog met zijn tweeën. Echt lekker wonen is het niet, vindt hij. Het houtwerk uit 1923 heeft veel onderhoud nodig, het huis is niet geïsoleerd en wordt verwarmd met een houtkachel. Maar dat hij midden in schuldig landschap woont, deert hem niet. Voor hem is het net als ieder ander huis dat je overneemt van een vorige bewoner. Bovendien lag dit huis helemaal niet binnen het kamp, maar er vlakbij, vindt hij. “Waarom denk je anders dat de Duitsers het hebben laten staan?”

Omheining

Het Commandantshuis staat op de plek waar tijdens de Holocaust het Vorlager lag, het deel waar de SS en de Oekraïense bewakers woonden, het lag binnen de streng bewaakte omheining. Het spoor waarover de treinen het kamp binnen gerangeerd werden, liep op een paar meter van de voordeur van de Zielinski’s. Dat dit gebouw is blijven staan, heeft vermoedelijk eerder te maken met het feit dat het er voor de oorlog al stond. De omliggende gebouwen uit dat Vorlager, zoals een wapenopslag en de barak van de Oekraïense bewakers, zijn wel gesloopt.

De archeologen die bodemonderzoek deden voorafgaand aan de bouw van het herinneringscentrum haalden op de plekken waar de nieuwbouw moest komen tienduizenden voorwerpen uit het zand, van naamplaatjes van Nederlandse kinderen, tot tubes tandpasta, brillen, kunstgebitten, gouden tanden, munten. Ook het fundament van de gaskamers legden ze bloot. Nog steeds liggen de rijtjes rode baksteen, de rechthoekige contouren van de vernietigingsmachine weer toegedekt door een beschermende laag, op een paar honderd meter van het Commandantshuis.

Het Sobibortreinstation in 2009. Het spoor waarover de treinen het kamp binnen gerangeerd werden, liep op een paar meter van de voordeur van de Zielinski’s. Beeld Reuters
Het Sobibortreinstation in 2009. Het spoor waarover de treinen het kamp binnen gerangeerd werden, liep op een paar meter van de voordeur van de Zielinski’s.Beeld Reuters

Wat gebeurt er als hij in de tuin werkt? “Ik ben niet zo’n tuinman,” ontwijkt Zielinski de vraag, al laat het net omgespitte stuk voortuin het tegendeel zien. Zijn schoonmoeder vond eens een gebroken trouwring, hijzelf vond munten uit Nederland. Wat vindt hij ervan, dat die voorwerpen in zijn tuin liggen? “Waar komt het vandaan? Is het uit de lucht gevallen? Vraag het maar aan Mazurek. Hij is degene die deze geschiedenis wil reconstrueren.”

Zielinski doelt op Wojtek Mazurek, de Poolse archeoloog onder wiens leiding de opgraving plaatsvond en die nu nog steeds toeziet op de bouw van het herinneringscentrum. En dan: “Vraag aan hem hoeveel goud hij hier uit de bodem gehaald heeft en hoeveel hij gehouden heeft.”

Goud. Onbedoeld raakt Zielinski hier een pijnlijk onderwerp, waar een wereld achter schuilgaat.

Nog tijdens de oorlog en erna is er door de lokale bevolking rondom de drie vernietigingskampen Treblinka, Belzec en Sobibor op haast industriële schaal naar goud gezocht, vooral op de plek van de massagraven en de gaskamers. Met scheppen, zeven, stokken en harken woelden honderden Polen uit de wijde omtrek door de as en de beenderen van hun vermoorde landgenoten op zoek naar gouden tanden, sieraden en andere kostbaarheden die de nazi’s over het hoofd hadden gezien. Decennialang.

Grafschennis

Na de oorlog gebeurt er weinig aan de grafschennis, getuige een foto uit Treblinka waarop zowel de politie als de lokale bevolking gemoedelijk poseert midden in het asveld met een rij schedels en beenderen op de voorgrond. Pas laat in de jaren vijftig vindt de eerste arrestatie van een van de grafrovers plaats in Belzec. Vermoedelijk zijn de eerste arrestaties in Sobibor in de jaren zestig geweest.

De aanhoudingen weerhouden de lokale bevolking er niet van om te graven op de plekken waar honderdduizenden zijn omgebracht, ontdekte de Poolse journalist Pawel Reszka. In 1978 vindt de politie achter de kapel die de vroegere grens van Sobibor markeert een geïmproviseerde mijn. Het twee meter diepe gat is gestut met balken, ernaast vinden de agenten een ladder, een zaklamp en een emmer met een touw eraan.

Tot midden jaren tachtig arresteert de politie er gravers en gooien de terreinbeheerders kuilen dicht die de grafrovers ’s nachts maken.

In het boek Płuczki dat Reszka maakte over de goudzoekerij in Sobibor en Belzec beschrijft hij de houding van de lokale bevolking ten aanzien van de archeologen. Het is een wijdverbreid idee rond Sobibor dat de archeologen op maar één ding uit zijn: het goud in de grond.

Sinds 2017 zijn de massagraven bedekt door een laag witte stenen die in een latere fase van de bouw ook nog ommuurd zal worden, bij wijze van grafmonument, maar ook om te voorkomen dat iets of iemand (ook dieren groeven botten op) nog bij de as- en botresten kan komen.

Of Zielinski oren zou hebben naar het verkopen van dit huis? “Alles is te koop,” zegt hij, maar niemand heeft het hun gevraagd. Ja, één keer. “Dat was een man uit Wlodawa die ons vroeg of wij ons huis niet aan het museum wilden doneren.” Hij nam de vraag niet serieus.

Crowdfunding

In vernietigingskamp Belzec is het enige nog overeind staande gebouw wel aangekocht door het Poolse ministerie van Cultuur, na een crowdfunding van 35.000 euro in 2015. Het hoort nu bij het herinneringscentrum en wordt gebruikt als educatieruimte. Zo ver is het in Sobibor nog lang niet. Staatsmuseum Majdanek, waar naast concentratie- en vernietigingskamp Majdanek ook Sobibor onder valt, maakt nog geen aanstalten om de buren uit te kopen.

Museum Majdanek is al ruim dertien jaar bezig om het plan zoals het er nu ligt van de grond te krijgen in Sobibor. Het huis erbij betrekken zou voor nog meer vertraging zorgen. Het Holocausterfgoed op Poolse bodem ligt gevoelig, en de opgravingen voorafgaand aan de bouw maakten het er niet makkelijker op. Doordat door het archeologische onderzoek ook de plattegrond van Sobibor steeds duidelijker werd, veranderde ook de invulling van het museum telkens. En dan was er ook nog een diplomatiek overleg dat vertraging opleverde. Niet alleen Polen besliste wat er moest gebeuren, ook Nederland, Israël en in mindere mate Slowakije bemoeiden zich met het ontwerp en de inhoud van het museum, gezien het grote aantal slachtoffers uit deze landen.

Zouden de Zielinski’s het Commandantshuis gewoon op de markt kunnen brengen? Jerzy Zielinski denkt van wel. “De plek zou zelfs een grotere aantrekkingskracht hebben.” Het verhuren van kamers is ook weleens besproken. “We hebben weleens nagedacht over agritoerisme. Sinds mijn jongste zoon het huis uitging, staat het half leeg. Maar mijn vrouw wil geen vreemde mensen in huis.”

Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Doodsfabriek

Sobibor was geen concentratiekamp, maar een vernietigingskamp. Samen met Treblinka en Belzec vormden deze drie plekken de doodsfabrieken die de nazi’s ‘Aktion Reinhard’ noemden. Joden die hier naartoe gestuurd werden, hadden een overlevingskans van nagenoeg nul: de meesten werden dezelfde dag nog vergast in de gaskamers.

Hoeveel mensen vermoord zijn in Sobibor is nog altijd onduidelijk. Het aantal slachtoffers wordt geschat tussen de 170.000 en 300.000 mensen, onder wie ten minste 34.295 Joden die vanuit Westerbork op transport werden gesteld.

Dat is een enorm aantal, zeker gezien het feit dat Sobibor maar anderhalf jaar in bedrijf is geweest, van april 1942 tot 14 oktober 1943. Die dag ontsnapten enkele honderden gevangenen in een goed geplande uitbraak. Direct na de ontsnapping sloot de SS het kamp.

Toekomst van het Commandantshuis

Stichting Sobibor, dat in Nederland actief de herinnering aan Sobibor bewaart, zou graag zien dat het huis bewaard blijft. Voorzitter Christine Gispen: ‘Het huis is een van de laatste en weinige stille getuigen van de plek waar de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog zich voor de Joden hebben afgespeeld. Als zodanig hechten wij eraan dat te respecteren en bewaren. Hoe, is een grotere vraag die we graag met meerdere partijen zouden oppakken.’ Staatsmuseum Majdanek reageert niet op vragen per mail over de toekomst van het Commandantshuis.

Meer over