PlusExclusief

Dreiging in Oekraïne doet vraag rijzen: kun je informatie van inlichtingendiensten wel vertrouwen?

Inlichtingendiensten zijn belangrijke bronnen voor journalisten. De vraag is in hoeverre die informatie, die vrijwel niet te controleren is, te vertrouwen is. ‘Je verwacht van ons dat we het zomaar geloven?’

Ghassan Dahhan
Ned Price, woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, beschuldigde Rusland maar kon geen bewijs overleggen. Beeld Andrew Harnik/AFP
Ned Price, woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken, beschuldigde Rusland maar kon geen bewijs overleggen.Beeld Andrew Harnik/AFP

De Amerikaanse regering kwam vorige week met een opmerkelijke beschuldiging. “Rusland is van plan om een aanval door de Oekraïense strijdkrachten of inlichtingendiensten in scène te zetten als voorwendsel voor een invasie van Oekraïne,” aldus de woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken Ned Price. In de door de Russen gefabriceerde video zouden explosies en dode lichamen te zien zijn, evenals rouwende mensen. Daarmee zou Rusland zijn casus belli hebben gevonden. Eén element ontbrak echter aan het verhaal: bewijs.

De ervaren AP-journalist Matt Lee, die al jarenlang het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bestookt met lastige vragen, vroeg Price naar bewijzen voor de zojuist geuite beschuldiging. Volgens Price was de informatie waarop de Amerikanen zich baseerden geheim en lag het bewijs besloten in het uiten van de beschuldiging zelf. Lee nam daar geen genoegen mee: “Je treedt hiermee naar buiten, en je verwacht van ons dat we het zomaar geloven zonder dat je enig bewijs toont dat het ook klopt?”

Informatie waar journalisten niet bij kunnen komen

De discussie tussen Lee en Price ging over meer dan alleen het al dan niet bestaan van de al dan niet gefabriceerde video, maar legt een groter probleem bloot: in hoeverre kan informatie, afkomstig van belanghebbende inlichtingendiensten, vertrouwd worden?

Feit is dat inlichtingendiensten over informatie beschikken waar veel journalisten niet bij kunnen komen. Feit is ook dat journalisten niet om inlichtingendiensten heen kunnen voor hun informatievoorziening. En feit is helaas ook dat inlichtingendiensten nog weleens van deze positie misbruik maken om geruchten aan journalisten door te spelen die vrijwel onmogelijk te controleren zijn.

Wilde beschuldigingen

Het gebeurt regelmatig dat landen elkaar beschuldigen van malicieuze acties. Het probleem daarbij is niet zozeer de inhoud – die kan kloppen – maar het gebrek aan bewijs. Eind januari beschuldigde het Verenigd Koninkrijk Rusland ervan – eveneens op basis van inlichtingenbronnen en zonder bewijs – dat Rusland van plan was om met behulp van pro-Russische Oekraïense politici een staatsgreep te plegen.

Rusland strooit op zijn beurt regelmatig met wilde beschuldigingen over het Westen zonder enig bewijs aan te voeren. In 2018 beschuldigde Moskou het Westen er bijvoorbeeld van dat het – eveneens op basis van ‘inlichtingenbronnen’ – had vernomen dat de Verenigde Staten Syrische opstandelingen aan het trainen waren in het gebruik van chemische wapens om vervolgens een chemische aanval in de schoenen te schuiven van president Assad. Volgens de Russische generaal Valery Gerasimov zou deze ‘aanval’ als voorwendsel dienen voor een aanval op Syrië.

‘Belabberde journalistiek’

Het beruchtste voorbeeld van de afgelopen decennia is misschien wel de aanloop naar de Amerikaans-Britse invasie van Irak in 2003. Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten staken complottheorieën over de Iraakse leider Saddam Hoessein in bij journalisten, zoals over zijn vermeende massavernietigingswapens en zijn banden met terreurnetwerk Al Qaida. Daarmee probeerden de VS en het Verenigd Koninkrijk buitenlandse en binnenlandse steun te verkrijgen voor de oorlog tegen Irak, deels met succes.

Door dit debacle kreeg The New York Times van haar ombudsman in 2004 een veeg uit de pan. Terugkijkend naar de verslaggeving over Irak oordeelde hij dat zijn krant ‘belabberde journalistiek’ afgeleverd had, omdat die zich voor het karretje had laten spannen door ‘vermomde overheidsbronnen’ en daarmee zelf verwikkeld was geraakt in een ‘manipulatiecampagne’.

De harde ondervraging van Ned Price door Matt Lee en de bijval die de laatste kreeg van collega's, geeft aan dat de journalistiek niet zomaar meer als instrument inzetbaar is, en dat voor de geloofwaardigheid van beschuldigingen de bewijzen zwaarder wegen dan van wie ze afkomstig zijn.

‘Bewijs’ zegt ook niet alles

Het buisje van Colin Powell Ook in de aanloop naar de Irakoorlog klonk een roep om bewijs voor de beweringen van de Amerikaanse inlichtingendiensten. Dat zou uiteindelijk geleverd worden door de Amerikaanse buitenlandminister Colin Powell (1937-2021) tijdens een bijeenkomst van de VN-Veiligheidsraad in februari 2003. Daar hield hij een powerpoint-presentatie en toonde in zijn hand een met talkpoeder gevuld buisje, dat volgens hem het gevaarlijke antrax moest voorstellen: hét bewijs dat Saddam Hoessein wel over massavernietigingswapens moest beschikken. “Collega’s, dit zijn geen beweringen. Wat wij u geven zijn feiten en conclusies, gebaseerd op solide inlichtingenwerk,” aldus Powell. De claims over massavernietigingswapens bleken onwaar, en Powell betuigde later spijt over zijn optreden.

De vijg van Cato de Oudere De Romeinse politicus Cato de Oudere (243-149 v.Chr) was een groot voorstander van een oorlog tegen Carthago, en probeerde daarbij de senaat te overtuigen van de dreiging die deze rivaal vormde voor Rome. Net als Powell kwam hij met ‘bewijs’ op de proppen. Tijdens een senaatszitting toonde hij een verse vijg, en zei: “Welnu, u moet weten dat hij eergisteren in Carthago is geplukt. Zo dicht bij onze muren hebben wij onze vijanden.” Volgens Plinius de Jongere maakte deze toespraak een verpletterende indruk en begon daarna de oorlog tegen Carthago. Hij verbaasde zich over het feit dat ‘die zo machtige stad, 120 jaar lang onze rivaal om de wereldheerschappij, door de bewijskracht van een enkel vruchtje is vernietigd’.

Meer over