PlusInterview

Directeur Rode Kruis: ‘We moeten Syrië niet vergeten’

De oorlog in Syrië is zo goed als voorbij, maar dat betekent niet dat het gewone leven weer begint. Marieke van Schaik, directeur van het Nederlandse Rode Kruis: ‘De verwoesting is ongelooflijk.’

Mark van Assen
Tijdens de reis die Rode Kruis-directeur Marieke van Schaik buiten de hoofdstad maakte, in de grote regio rond Damascus, werd duidelijk dat het eigenlijk alleen maar moeilijker is geworden. Beeld Rode Kruis
Tijdens de reis die Rode Kruis-directeur Marieke van Schaik buiten de hoofdstad maakte, in de grote regio rond Damascus, werd duidelijk dat het eigenlijk alleen maar moeilijker is geworden.Beeld Rode Kruis

Van Schaik had de hoop dat het misschien wat beter was geworden. Dat het alledaagse bestaan na zoveel jaar oorlog – die begon in 2011 – zijn weg weer had gevonden, en dat de vluchtelingen die zijn teruggekeerd hun leven hadden kunnen oppakken. Wat ze in eerste instantie zag in de hoofdstad Damascus was niet goed, maar ook niet heel erg slecht. “Er is in elk geval elektriciteit”, zegt Marieke van Schaik, directeur van de Nederlandse afdeling van het Rode Kruis. “Niet de hele dag, maar toch. En je kunt er veilig over straat. Maar ik kwam er al snel achter dat Damascus een bubbel is, die compleet los staat van de rest van het land.”

In de schaduw van de oorlog in Oekraïne was Van Schaik vorige week in Syrië en Libanon, een regio waar het Rode Kruis al langer actief is. Ze wist dat het voorbije decennium voor de Syrische bevolking enorm zwaar is geweest, en ook dat de oorlog grotendeels is uitgedoofd.

President Bashar al-Assad zit weer vast in het zadel en controleert het grootste deel van het land. Terreurorganisatie Islamitische Staat is verslagen, er wordt niet meer gebombardeerd door regeringstroepen en Russische straaljagers, en evenmin door de Amerikanen, Britten en Fransen. Het gaf een klein beetje aanleiding tot optimisme, niet alleen bij haar, maar ook bij de bevolking. “Dat was het gevoel: het is lang oorlog geweest, nu wordt het vast beter.”

Enorme verwoesting

Maar tijdens de reis die ze buiten de hoofdstad maakte, in de grote regio rond Damascus, werd duidelijk dat het eigenlijk alleen maar moeilijker is geworden. “Alles is nog steeds kapot. Woningen, wegen, winkels, alles. Wat je ziet is een enorme verwoesting. Er is niks, geen stroom, geen water, geen werk. Mensen wonen in ruïnes. En overal ligt puin. Hoe gaan ze dat in hemelsnaam opruimen? Ik heb geen tekenen van wederopbouw gezien.”

Zo bezocht ze een familie van bijna alleen maar vrouwen (veel van de mannen zijn dood of zitten in het leger), en zag een oma met zes dochters en een paar kleinkinderen die leven in een soort schuur: “Ik kan het niet anders noemen.” Er is één zoon, die elke dag op zoek moet naar werk op het land. Verder heeft de familie een klein stukje grond waarop ze wat knoflook verbouwt. “Ze schrapen bij elkaar wat ze kunnen.”

Voor zulke gezinnen heeft de Rode Halve Maan (het Syrische Rode Kruis) een project opgezet waarin zwangere schapen worden uitgedeeld. Elke familie die meedoet, krijgt er twee. Zo is er melk en kan er kaas en yoghurt worden gemaakt, zodat ze in elk geval een beetje voedsel hebben. En omdat er snel lammetjes komen, kunnen de mensen een begin maken met een veestapel. Tot nu toe zijn er ongeveer 1250 huishoudens op deze manier geholpen. “Maar sommigen hebben zelfs moeite om voer voor de schapen te vinden. Ik sprak ook een familie die schapenmest ruilde voor eten.”

De nasleep van de oorlog is niet het enige dat Syrië op dit moment parten speelt. Het is er al jaren veel te droog, de economie komt maar niet op gang, er was de corona-pandemie en dan nu weer de oorlog in Oekraïne. “Ramp op ramp op ramp”, zoals Van Schaik het zegt. “Zo zijn de prijzen van levensmiddelen met 60 procent gestegen. Daardoor hebben 12,4 miljoen Syriërs niet genoeg te eten. Vaak is er maar één maaltijd per dag. De mensen proberen echt wel om er iets van te maken. Er is wel degelijk bedrijvigheid, al is het minimaal. Als je één uur per dag stroom hebt, schiet het natuurlijk niet op. Bovendien wordt het leven erg gecontroleerd door de overheid. Je hebt overal een vergunning voor nodig.”

Kampen

Ook in buurland Libanon is de situatie meer dan zorgelijk. Het land heeft niet alleen eigen problemen (economische crisis, voedselcrisis, politieke crisis), maar biedt ook nog eens onderdak aan ruim anderhalf miljoen vluchtelingen uit Syrië. Van Schaik bezocht ook enkele van de ruim honderdvijftig kampen in de Bekavallei. Mensen wonen er in tenten, sommigen zelfs al tien jaar, zonder permanente voorzieningen of uitzicht op terugkeer.

“Ze maken er het beste van, met bloemetjes voor de tent en zo, maar het blijven kampen.” Het aantal vluchtelingen bedraagt inmiddels 20 procent van de totale bevolking. “Dat zorgt natuurlijk ook voor spanningen. De voedselhulp voor vluchtelingen gaat inmiddels voor de helft naar de eigen bevolking, omdat die het ook hard nodig heeft.”

Het draait uiteindelijk allemaal om geld, zegt Van Schaik. Of liever: het gebrek daaraan. “Er moet geld blijven komen, ondanks wat er aan de hand is in Oekraïne. We moeten langdurige crises als deze niet vergeten.”

Rode Kruisdirecteur Marieke van Schaik. Beeld Ferry Knijn
Rode Kruisdirecteur Marieke van Schaik.Beeld Ferry Knijn
Meer over