PlusExclusief

Schaatscoach Jac Orie gaat op voor zijn zesde Winterspelen: ‘Winnen is zo moeilijk, omdat verliezen zo makkelijk is’

Sommige mensen vinden hem obsessief. ‘Ik denk ook wel dat het zo is,’ zegt Jac Orie. Maar hij is ook de succesvolste schaatscoach ter wereld. Het worden zijn zesde Winterspelen. ‘Mijn vrouw zegt altijd: je doet jezelf tekort, waarom geniet je er niet van?’

Lisette van der Geest
Jac Orie tijdens de Olympische in Pyeongchang in 2018. Beeld Getty Images
Jac Orie tijdens de Olympische in Pyeongchang in 2018.Beeld Getty Images

Jac Orie (54) kan niet zo goed nagenieten. Aan zijn succes ligt het niet, maar bij hem is de blijdschap van een overwinning in een uur weg. Hij vindt het mooi als het andere coaches wel lukt. “Dat is toch fijn? Waarom zou je niet even een maandje genieten? Mijn vrouw zegt altijd: ‘Je doet jezelf tekort, waarom geniet je er niet van?’ Ja, eh, weet ik het. Ik heb dat niet. Ik vind het leuk om dan weer over het volgende probleem na te denken. De route ernaartoe vind ik echt ge-wel-dig.”

Hij is de succesvolste schaatscoach ter wereld. Hij staat al jaren aan de leiding van de grootste ploeg van Nederland. Sinds hij in 2000 begon met het schrijven van trainingsschema’s, begeleidde hij elke Olympische Spelen iemand naar goud, soms ook meerdere sporters op één Spelen. Van Gerard van Velde naar Marianne Timmer, naar Mark Tuitert en Sven Kramer. En dat terwijl hij ooit bijna per ongeluk het trainerschap in rolde.

Hij dacht vroeger aan een loopbaan in de wetenschap, zijn schaatscarrière was nagenoeg ten einde toen hij in de kleedkamer van de Haagse Uithof advies gaf aan Martin Hersman. Een paar maanden later werd hij, afgestudeerd in bewegingstechnologie en in de afrondende fase van zijn studie bewegingswetenschappen, door Hersmans schaatsploeg TVM gevraagd trainingsschema’s te schrijven. Weer een jaar later zag Orie Van Velde olympisch goud winnen, daarna bood SpaarSelect hem een baan aan als hoofdtrainer.

Inmiddels gaat Orie op voor zijn zesde Winterspelen, en weet hij: van de olympische cyclus van vier jaar is het laatste jaar altijd anders dan de andere drie.

Is dit een leuk jaar?

“Ik vind de jaren van de Olympische Spelen geweldige jaren. Verschrikkelijk leuk.”

Zijn de Spelen waarvoor u het doet?

“Nee, hier doe ik het niet voor. Maar het is wel ontzettend spannend en het kan me niet spannend genoeg zijn. Ik zie het als een ontzettende uitdaging. Elke keer heb je dat beeld in je hoofd, van waar je naartoe moet. Alles is in een olympisch jaar gewoon een stap extremer.”

Dat beeld, is dat een juichende schaatser?

“Nee, nee. Ik heb met mijn ploeg doelstellingen die ik wil halen, om uiteindelijk alles uit zo’n sporter te krijgen. Bij de een kan dat de ontwikkeling in kracht zijn, bij de ander het uithoudingsvermogen. Die dingen flitsen maar door je hoofd. En dan gaan we weer testen, en testen.”

Inmiddels zijn er 22 jaar verstreken sinds het gesprek met Hersman in die Haagse kleedkamer. Het trainerschap zoals hij het beleeft, is ook wetenschap. Orie is altijd op zoek naar informatie, naar verbetering, naar mogelijkheden. Of hij zichzelf dit over vijftien jaar nog steeds ziet doen? “Ik zou het níét weten.”

Op zijn elfde trok hij thuis met zeep een streep over de spiegel, om zichzelf vervolgens te dwingen schaatsbewegingen te maken en tegelijkertijd onder die streep te blijven. Hij was toen al fanatiek en op z’n minst doelgericht te noemen, zichzelf uitdagend tot een diepe schaatszit. De passie voor de schaatssport is nooit verdwenen, of noem het gewoon een passie voor beweging. “Ik kan hele dagen naar de Zomerspelen kijken; naar het bewegen, de motoriek. Dan kan ik gaan verzinnen wat daarbij komt kijken. Dat vind ik interessant.”

Is het een vermoeiend jaar?

“Ik vind het niet zo vermoeiend, ik vind het gewoon leuk. Ik heb nu vijf olympische jaren gedaan. Ik ben nooit vermoeider uit zo’n seizoen gekomen dan uit een ander seizoen. Het geeft ook weer veel energie. Ik ervaar het wel als een jaar dat heel snel gaat. Waarin je ontzettend goed op je tellen moet passen. Maar niet dat ik dan een jaar moet bijkomen, of zo. Tenminste, effe afkloppen... Ik heb het nog nooit zo ervaren.”

Wat zijn voor u de hoogtepunten, na vijf Olympische Spelen?

“Ik kijk nooit zo op mijn hoogtepunten terug.”

Wel op uw dieptepunten?

“Ook niet. Ik word er wel aan herinnerd, maar ik ben nooit zo erg bezig met het verleden. Het is niet zo dat ik nou eens even lekker een middagje ga genieten van de Olympische Spelen van 2014. Dat heb ik gewoon niet. Als ik de Spelen heb gehad, kijk ik alle wedstrijden nog één keer na als ik thuis ben en dat was het dan.”

En wat denkt u dan?

“Meestal zie je dan altijd dingen die beter kunnen. Dus het is niet zo dat je dan achter de tv zit en denkt... (op tevreden toon): zó. Dan denk ik: ach, als we nou dát hadden gedaan... Het is nooit goed.”

Dat klinkt wel vermoeiend.

“Nou, ik vind van niet. Ik weet niet beter. Maar voor andere mensen zou het best kunnen.”

Hoort u dat weleens om u heen?

“Já.”

Wat hoort u dan?

“Nou ja, ik hoor natuurlijk weleens dat mensen, zeg maar, het obsessief vinden. En dat mag.”

Mensen uit uw directe omgeving?

Hij lacht. Dan, met een stem vol zelfspot en gespeelde wanhoop: “Mijn eigen vrouw. Zij zegt altijd: ‘Jij bent obsessief’. Ja, het zou kunnen. Ik denk ook wel dat het zo is.”

Maar ze laat u wel?

“Nou, zij zegt weleens ’s avonds laat, als het dan kwart voor twaalf is of zo: ‘Kap er nou mee, hoor.’ Ja, denk ik dan: laten we dat maar doen. Dan gooi ik mijn computer dicht. Ik denk wel dat zij de rem is. Anders heb ik gewoon een heel slechte rem...”

Als het over wetenschappelijke onderwerpen gaat, schuift hij naar het puntje van zijn stoel. Dan vertelt hij vol vuur, soms met een uitroep als ‘pff!’ of, bij het aangeven van een ritme: ‘tik, tik, tik!’ Hij moet ook vaak lachen, bij de gedachte aan experimenten die hij ooit uitvoerde – “Dat vind ik grappig. Het is toch ontzettend leuk? Proberen te gaan waar niemand ooit geweest is, of waarvan je dénkt dat niemand er ooit geweest is – je weet het natuurlijk nooit.”

Kansberekening

Veel lange interviews geeft hij niet. Orie kan ook terughoudend zijn. Praat veel liever over zijn werk en onderzoeken dan over de mens Orie. Soms vindt hij het prettig zijn verhaal te doen, zegt hij. “Ik denk ook dat het belangrijk is. De schaatssport heeft me veel gegeven, dan wil je wat teruggeven als dat kan.”

Hij praat over modellen die hij ontwikkelde. Hij stelt zich regelmatig voor dat het een paar jaar later is, om zichzelf af te vragen: welke tijden zullen ze dan rijden? En daarna: wat is daarvoor nodig? “Dan heb je soms ideeën, maar de vraag die je niet makkelijk kunt beantwoorden is: Wordt dit idee nooit iets, is het onzin, of zijn we er nu nog niet aan toe?”

Orie maakte een index, een kansberekening, die hij toepast bij zijn keuze een schaatser te contracteren of niet. “Wat ie heel leuk voorspelt, is of je kans hebt om podium te rijden. Of een kans hebt om te winnen.” Waarschuwende toon: “Maar ik zeg niet dat je wint, hè. Die index berekent of ik überhaupt mee kan doen voor het podium. Door de jaren heen heeft de index me nog nooit in de steek gelaten. Met Carlijn is dit echt zo leuk geweest.”

Carlijn Achtereekte schaatste nog geen jaar in zijn team toen ze goud won op de Winterspelen. Zij was de verrassing van de drie kilometer, vier jaar geleden. “Ik miste bij haar in de index 2 procent voor het podium. En toen zei ik: ja, als ik dan zo bijdehand ben, moet ik dit met haar gewoon doen. Die 2 procent pik ik er wel bij, dacht ik. Nu snap ik wel dat het niet betekent dat het overal maar voor geldt en werkt, helemaal niet, maar ik weet wel dat dit model vaak best goed zit.”

Orie heeft loyaliteit hoog in het vaandel. Hij verzamelde een breed team om zich heen, ­mensen met wie hij vaak al jaren samenwerkt. Een sportpsycholoog zit er niet bij. Orie heeft de reputatie niet veel met sportpsychologie te hebben, maar hij adviseerde Patrick Roest na diens teleurstellende WK van vorig jaar wel te gaan praten.

“Ik denk dat het kan helpen. Maar er zijn ook schaatsers, waarbij ik denk: zorg jij eerst eens even dat je leert hoeken met het ijs te maken. Of dat en dat voor elkaar te krijgen. Als je geeneens de fysiologische voorwaarden hebt om überhaupt hard te schaatsen, kún je helemaal niet winnen.”

“Ik heb nog nooit iemand zien winnen met een slechte test. Ik heb alleen maar mensen zien verliezen met een goede test. Dat kan veel makkelijker. Winnen is zo moeilijk omdat verliezen zo makkelijk is.”

Hoe bent u op mentaal vlak voor uw rijders, denkt u?

“Ik weet het echt niet. Ik vraag daar niet naar. Maar ik hou ze állemaal in de gaten. Als je denkt dat het een probleem gaat worden, moet je er wat aan doen. Maar ook niet eerder dan dat. Ik zie sporters soms in de hal revalidatietraining doen. Dan denk ik: hoezo? Ben je aan het revalideren dan? ‘Ja, om problemen te voorkomen.’ Nog effe, dan kun je wel van alles gaan doen. Dan kan ik nog wel 84 oefeningen verzinnen tegen potentiële trainingsproblemen die je kunt oplopen. Dat stopt nooit. Dat vind ik heel onzinnig. Je kunt ook ergens gaan zitten roeren waar je niet wil roeren. Soms bouw je op wat er nog niet is.”

“Uiteindelijk moet je voorwaarden hebben, en je moet je kansen pakken. Soms wordt een prestatie verheven tot – en dat mag hoor, vind ik soms ook leuk om te lezen – allemaal romantische, sportachtige taferelen. Waar je dan bij denkt dat zich iets heeft voltrokken wat ongelofelijk is. Zoals de geboorte van een kind, of iets anders leuks. Het kan energie geven. Maar er is helemaal niks ongelofelijk: de voorwaarden lagen daar. Zonder voorwaarden lukt het je nooit.”

“Maar sporters mogen het wel lekker zo vertellen. Ik vind het ook allemaal prima. En misschien ben ik niet romantisch daarin.”

Gevaarlijkste man op de 5 kilometer is een Zweed: Nils van der Poel

Met Patrick Roest, Jorrit Bergsma en Sven Kramer rijden dé drie Nederlandse langeafstandsspecialisten zondag de 5000 meter. Maar de favoriet is een Zweed: Nils van der Poel. ‘Ik weet dat hij lastig te verslaan is.’

Patrick Roest aarzelt even. Laat een stilte vallen. Peinst. De vraag luidt: hoeveel vertrouwen heeft hij in goud? “Oeh, dat vind ik een heel lastige vraag. Ik heb dit jaar één 5000 meter gewonnen, maar daar was hij niet bij.”

Hij, dat is Nils van der Poel. De 25-jarige Zweed die in Pyeongchang nog een bijrol vertolkte en daarna een pauze nam, schudt sinds zijn comeback de schaatswereld op met zijn karakter en prestaties. Vandaar dat Roest na enige tijd zegt: “Ik heb de hoop dat goud mogelijk is, maar ik ga er niet zo 1, 2, 3 van uit. Hij is lastig te verslaan.”

Vorige winter was Roest nog degene die zo goed als ongeslagen was op zijn favoriete afstand. Tot de WK afstanden, sowieso al niet het toernooi van Roest, waar Van der Poel hem overvleugelde. Het leverde hem een sportief trauma op én de kennis dat het anders moest. Niet altijd en overal goed willen zijn. Pieken op het grootste toernooi nog belangrijker maken. Toch zegt Roest nu dat hij liever al wat meer had gewonnen in aanloop naar de Winterspelen.

Van der Poel reed datzelfde WK ook nog een wereldrecord op de 10.000 meter, in Thialf nota bene, een laaglandbaan.

Dit seizoen trekt Van der Poel die lijn vooralsnog indrukwekkend door. Hij is niet te kloppen op de lange afstanden. En verbeterde begin december in Salt Lake City ook het wereldrecord van Ted-Jan Bloemen op de 5000 meter: 6.01,56, bijna twee seconden sneller dan het wereldrecord waarmee Kramer tot en met 2017 tien jaar de lijst aanvoerde.

Waar Roest de belangrijkste uitdager van Van der Poel lijkt, zou Kramer al blij zijn met een podiumplaats bij zijn laatste 5000 meter.

En wat kan Jorrit Bergsma? De 10 is zijn beste afstand, met het goud in Sotsji en het zilver in Pyeongchang, maar acht jaar geleden won hij ook brons op de 5000.

Eerder dit jaar in het Noorse Stavanger was hij zojuist op een halve ronde gereden door Van der Poel, toen de Zweed naast hem kwam zitten en hem naar zijn trainingsaanpak vroeg. “Ik ken hem nog niet zo goed, maar het is best een aardige jongen. En dat hij ook goed is, mag duidelijk zijn.”

Pim Bijl

Meer over