PlusAchtergrond

De Tour van 1919: de zwaarste ooit, door een verwoest Frankrijk

null Beeld

De Tour de France van 1919 ging een dag na de ondertekening van het Verdrag van Versailles van start. De renners reden door een deels door de oorlog verwoest Frankrijk. De Amerikaanse schrijver Adin Dobkin verhaalt erover in zijn non-fictieboek Sprintend door niemandsland.

Maarten Moll

Wie won de Tour de France van 1919?

Goede pubquizvraag. Tenminste, als je een kroeg vol wielerfreaks hebt.

En wie die van bijvoorbeeld 1928?

Voor de leek zijn die vragen niet te beantwoorden. Ik ga dat hier ook niet doen, omdat, in het geval van dat eerste jaartal, het de spanning weg zou nemen van het lezen van Sprintend door niemandsland, het non-fictieboek van de Amerikaanse journalist Adin Dobkin. Ondertitel: Uithoudingsvermogen, tragedie en de wedergeboorte van de Tour de France in 1919.

Het waren andere tijden. Renners kregen monsterlijk lange etappes voor hun kiezen (er werd midden in de nacht gestart), reden over onverharde wegen, soms met hun jas nog aan, en ze moesten reparaties aan hun fiets zelf uitvoeren, op straffe van uitsluiting. (Ze mochten elkaar ook niet helpen. Een renner kreeg dertig minuten straftijd omdat hij een andere renner zijn bidon met water had gegeven.)

De zwaarste ooit

De Ronde van 1919 – 5560 kilometer – was ook echt een ronde, langs de randen van Frankrijk. Tussen 29 juni en 27 juli werden, tegen de klok in, vijftien etappes verreden, waarvan de dertiende (Straatsburg - Metz) met 315 kilometer de kortste was, en de vijfde (Les Sables-d’Olonne - Bayonne) met 482 kilometer de langste. Deze Tour wordt wel als de zwaarste ooit bestempeld.

Er deden slechts 69 deelnemers mee, wat te maken had met de Eerste Wereldoorlog. Eerdere Tourwinnaars sneuvelden, en veel renners die in de oorlog hadden gediend, waren in slechte conditie.

Desondanks ging de Tour toch van start, omdat de directeur van de wedstrijd en tevens de hoofdredacteur van de organiserende sportkrant L’Auto, Henri Desgrange, ervan overtuigd was dat de koers de burgers van het door de oorlog getroffen Frankrijk weer zou samenbrengen en moed zou geven voor de toekomst. De Tour als een boodschap van hoop.

Alle hoop op Eugéne Christophe

Dus is Sprintend door niemandsland niet alleen een boek over een wielerwedstrijd. Dobkin schetst tijdens het beschrijven van de etappes de staat van het land en wat de Eerste Wereldoorlog heeft aangericht. In zijn verslag van de etappe naar Nice schrijft hij over het tijdens de oorlog gebruikte gifgas en heeft hij het ook nog even over de luchtmacht van het Franse leger.

Als een rode draad door het boek volgt Dobkin Eugène Christophe, een al wat oudere Franse renner die in de Tour van 1912 als tweede was geëindigd en die in 1910 de vierde editie van de klassieker Milaan-San Remo won. De Fransen vestigen hun hoop op hem. Vooral als hij bij het begin van de elfde etappe, van Grenoble naar Genève, in een gele trui rijdt.

Bundel gele wollen stof

Die gele trui was een noviteit. Tourdirecteur Desgrange wilde dat de klassementsleider zou opvallen te midden van alle andere renners. Bijna onnadrukkelijk vermeldt Dobkin deze toch voor de Tour de France bepalende gebeurtenis. ‘De volgende dag liep Desgrange naar Eugène toe. Hij had een bundel wollen stof in zijn handen. De stof was geel, dezelfde kleur als de pagina’s van L’Auto.’

Zal Eugène Christophe de gele trui tot op de wielerbaan van het Parc des Princes in Parijs om de schouders houden? Ik moest me inhouden om niet op internet te gaan zoeken wie de Tour de France van 1919 won. (Doe het niet!)

Dobkin schreef een fraai, zeer lezenswaardig boek, waarin vijf intermezzo’s die een nog breder kader van de tijdgeest willen schetsen eigenlijk alleen maar storen. Je wilt door met de renners. Door met Eugène Christophe. Indrukwekkend zijn vooral de beschreven slotetappes, als de Tour zich door het volledig kapotgeschoten noorden van Frankrijk slingert. En Eugène over de kasseien die zijn fiets geselen.

De onzichtbare mijl

Ik moest tijdens het lezen van Sprintend door niemandsland vaak denken aan een ander boek over de Tour de France, het in 2016 verschenen De onzichtbare mijl van de Nieuw-Zeelandse schrijver David Coventry. Een fenomenale roman over een niet bij naam genoemde Nieuw-Zeelandse renner in de Tour van 1926. Ook deze Tour wordt gezien als de zwaarste ooit, Frankrijk ligt nog deels in puin, en ook in De onzichtbare mijl speelt de Eerste Wereldoorlog een grote rol.

Het is het anti-boek van Sprintend door niemandsland, omdat de stijl poëtisch is, en het niet om winnen gaat, en ook niet om het weergeven van een tijdsbeeld. Beide boeken vinden elkaar wel in een centraal thema: lijden, waardoor de twee boeken ook completerend zijn.

O ja. De Luxemburger Nicola Frantz won de Tour van 1928, maar dat is in De onzichtbare mijl van ondergeschikt belang.

Adin Dobkin: Sprintend door niemandsland

Vertaald door Paul Janse. Uitgeverij Spectrum, €24,99. 336 blz.

Tip Het Parool via WhatsApp

Heeft u een tip of opmerking voor de redactie? Stuur een bericht naar onze tiplijn.

Luister onze wekelijkse podcast Amsterdam wereldstad:

Meer over