PlusInterview

Dafne Schippers gesneuveld in Tokio: ‘Dit is de échte waarheid’

Tweevoudig wereldkampioen, winnaar van olympisch zilver in Rio. Maar in Tokio sneuvelde Dafne Schippers op haar 200 meter al in de halve finale. “Ik móét een antwoord krijgen op de vraag: hoe nu verder? Want er zijn soms momenten dat ik denk: waar doe ik het in godsnaam nog voor?”

null Beeld ANP
Beeld ANP

Teleurstelling. Twijfels. En tranen, ze kan ze niet stoppen. “Ik ga proberen een interview te geven waarbij ik niet huil,” begint Dafne Schippers, als ze na haar mislukte halve finale bij de Nederlandse pers arriveert. Een geforceerde glimlach op haar gezicht, maar daar zijn de waterlanders al. “Sorry... Het is hard. Ik probeer het, maar nee...”

Als een gebroken vrouw staat ze in de kelder van het Olympisch Stadion van Tokio tegen een hekwerkje aan te leunen. De symboliek is treffend pijnlijk, hier in Azië. Tien jaar terug debuteerde ze aan deze kant van de wereld (WK in het Zuid-Koreaanse Daegu) als fladderende tiener op mondiaal niveau, met meteen een Nederlands record op haar 200 meter.

Vier jaar later werd het meisje met de wapperende paardenstaart uit de Utrechtse wijk Oog in Al in Peking wereldkampioene én wereldnieuws, waarna ze ook olympisch zilver pakte in Rio de Janeiro en nog een wereldtitel in Londen. Maar terug in het verre oosten voor haar derde Aziatische afspraak met de geschiedenis staat er een gehavende kampioene van nog altijd maar 29 jaar. Een topatlete die na veel fysieke ellende geen schim meer is van zichzelf, structureel tobt met haar rug en twijfelt over haar plaats in dit topveld. “Ergens zit die Dafne van toen nog wel in me,” mijmert ze hardop. “Maar waar?”

Ze heeft de lat op jonge leeftijd ‘ontiegelijk hoog’ gelegd. Voor anderen, maar zeker voor zichzelf. En dat frustreert. Een 200 meter in 23,03, het is Schippers-onwaardig, weet ze. Tien jaar terug liep ze in Zuid-Korea al 22,69. En bij haar wereldtitel in Peking zelfs 21,63. Nu flirt ze niet eens met de eindstrijd.

null Beeld REUTERS
Beeld REUTERS

De grande dame van de Nederlandse atletiek figureert in Tokio in het voorprogramma van Femke Bol en Sifan Hassan, de nieuwe Nederlandse sterren. Dus stort ze na haar race op de baan, gooit ze haar spikes uit en slaat de twijfel weer toe. Waarom doet ze dit nog? “Ik heb altijd gezegd: ik wil wel mee kunnen strijden met de wereldtop en niet maar een beetje meelopen. Dat motiveert me niet genoeg. Dan krijg ik er niet genoeg voor terug,” verzucht ze, met een holle blik op oneindig. “Ik ben een héél harde werker, echt. Maar ja, je moet soms wel iets terugkrijgen.”

Een finaleplaats, daar was ze hier tevreden mee geweest. Geen medaille, totaal niet realistisch, na twee jaar tobben met de rug (dubbele hernia). Dat wist ze voor haar derde Zomerspelen al wel. ,,Maar voor jezelf probeer je altijd de schijn op te houden. Je hebt altijd hoop dat toch alles nog bij elkaar komt.’’

Die dagen heeft ze gehad, vaak genoeg. Dat het eigenlijk niet kon en dat het tóch lukte. Maar niet hier in Tokio. Niet in deze vorm. En dat besef komt hier in Japan definitief binnen. “Het is zo makkelijk om alles altijd maar vooruit te duwen. Te denken: het komt wel goed,” weet ze. “Maar dit is de échte waarheid, ik word hier echt op m’n plek gezet. Als na de bocht de versnelling komt, kan ik niet meer aanhaken. Zij lopen weg en ik sta stil.”

Break

Dus stromen de tranen in Tokio, een lang opgespaarde mix van teleurstelling en twijfels. Deze dag gaat bepalend zijn voor de staart van haar loopbaan, straalt ze uit. Ze zal zich heus nog wel opladen om te ‘knallen en plezier te maken’ met de estafettedames, maar daarna volgt een break. Voor onbepaalde tijd. Een reset voor het lichaam, maar vooral een denkpauze voor het hoofd.

Ze moet op zoek naar antwoorden. Uitvogelen of ze na dertien jaar trainingsarbeid nog wel beter kan worden. Met nieuwe prikkels, nieuwe gezichten naast coach Bart Bennema, de routine doorprikken. “Ik zal alles, maar dan ook alles uitzoeken voor een antwoord op de vraag hoe ik nog verder kan komen. En al duurt dat drie maanden, dan is dat maar zo. Ik moet nu niet aan blijven modderen, het moet ook wel leuk blijven.”

En leuk, dat is het topsportleven voor Schippers al even niet meer. Met Tokio als stip aan de horizon vocht ze lang door, maar aan alles zit een grens. “De vechter in mij wil niet zomaar opgeven. Maar die momenten zijn er wel, dat je daaraan denkt,” bekent ze. “Zeker als je op de bank ligt en niet overeind kan komen. Dan denk je: waar doe ik dit in godsnaam nog voor?”

Meer over