PlusInterviews

Zorgpersoneel 6 maanden later: ‘Collega’s waren geschrokken hoe ik erbij zat’

Martine Minnema, IC verpleegkundige bij het OLVG. Beeld Marc Driessen
Martine Minnema, IC verpleegkundige bij het OLVG.Beeld Marc Driessen

In het begin van de coronacrisis volgde Het Parool in de serie Coronadagboek drie Amsterdamse zorgverleners. Hoe gaat het een halfjaar later met de huisarts, de specialist ouderengeneeskunde en de ic-verpleegkundige?

Martine Minnema (48) is ic-verpleegkundige van het OLVG.

“Nu heb ik het zelf. Twee weken geleden liep ik nog 50 kilometer in twee dagen en nu ben ik al doodmoe als ik een halfuur op de loopband wandel. Waar mijn energielevel vóór covid een 8 was, is het nu een 2 tot 3. Ik ben herstellende. Het was vorige week nog een stuk zwaarder. Dan telde ik een ademhalingsfrequentie van dertig tot veertig keer in één minuut. Normaal is het tussen de twaalf tot vijftien keer. Dat is best snel, denkt de ic-verpleegkundige in mij dan.

In het ziekenhuis vraag ik patiënten een cijfer te geven voor hun hoofdpijn, op een schaal van 1 tot 10. Mijn hoofdpijn was een 4. Te veel. Aan de andere kant: ik weet door mijn werk hoe ziek mensen van covid kunnen worden. Hoewel ik heel moe ben, prijs ik me dus toch gelukkig.

Het is overigens niet zo dat ik vanwege mijn medische achtergrond precies weet hoe het met me gaat. Vorige week had ik een Zoommeeting met collega’s. Ik dacht: ik lig toch de hele dag op de bank, dan kan ik net zo goed even meevergaderen. Achteraf hoorde ik van collega’s dat ze waren geschrokken van hoe ik erbij zat. Kennelijk voelde ik zelf helemaal niet hoe erg het was. Daar schrik ik toch wel van.

Wat ook opmerkelijk is: aan diezelfde Zoommeeting deden toevallig drie collega’s mee die met covid thuis­zaten. Zo groot is de betrokkenheid en het verantwoordelijkheidsgevoel dus. Zij willen toch weten hoe het op de afdeling gaat. Wow, daar ben ik trots op. Mijn teamleiders geven me overigens alle ruimte om te herstellen.

De laatste weken heb ik op de spoedeisende hulp gewerkt. Ik wissel dat af. Dat deed ik voor Covid-19 ook al. Het was daar ook heel erg druk. De ene na de andere covidpatiënt kwam binnen. Dan belde ik met mijn collega van de ic en moest ik zeggen: ik durf het bijna niet te zeggen, maar er moet nóg een patiënt naar jullie.

Als ik hersteld ben, ga ik weer op de ic aan het werk. We zijn de afgelopen maanden heel druk geweest met het opleiden van ic-ondersteuners, die ons kunnen helpen met verpleegkundige handelingen. Het probleem is alleen dat de tweede golf te vroeg kwam. De nood was eerder aan de man dan dat we onze mensen hadden kunnen opleiden.

Op de achtergrond spelen natuurlijk nog andere zaken mee: de zorgbonus die nog niet is betaald, de discussie over hoeveel een verpleegkundige moet verdienen en de illegale feestjes die tegen alle regels in worden gehouden. Dat soort zaken drukken op ons. Toen ik vijf jaar was, wilde ik al verpleegkundige worden, maar het wordt me nu toch wel soms moeilijk gemaakt om het vol te houden. We kunnen niet non-stop op 120 procent werken.”

Marike de Meij, huisarts en palliatieve zorg bij het OLVG. Beeld Marc Driessen
Marike de Meij, huisarts en palliatieve zorg bij het OLVG.Beeld Marc Driessen

Marike de Meij (45) is huisarts in Oost en werkt in het palliatief team van het OLVG. In de eerste golf zette het team een afdeling op voor stervende coronapatiënten.

“Het is heel moeilijk het perspectief van coronapatiënten in te schatten. Er zijn zieke mensen bij wie ik een aantal keer dacht: die gaan dood. Die staan dan twee dagen later weer op de stoep, nadat ze zijn ontslagen uit het ziekenhuis en medicatie hebben meegekregen. Andersom had ik iemand van wie ik dacht: die gaat de goede kant op. Die is toch overleden.

Toen ik mijn dochter vanmorgen bij school afleverde, wilde een vriendin met me afspreken. Toen ik uitlegde dat ik geen tijd heb, zei ze: oh ja, vergeten, je bent natuurlijk druk. Dat zette me even met beide benen op de grond. Ik vind het niet erg dat er niet meer wordt geklapt voor de zorgverleners. In de samenleving hebben zo veel mensen het zwaar, die willen verder met hun leven. Maar in het OLVG zie ik de allerziekste coronapatiënten. Die zijn er zo slecht aan toe. Dan begrijp ik de discussie niet over het openhouden van musea in vergelijking met de winkels. We zouden namelijk eigenlijk alles moeten sluiten, we moeten van dat virus af.

In de huisartsenpraktijk gaat de reguliere zorg zoveel mogelijk door. Er zijn oplossingen om de ziekenhuizen te ontzien, zoals een beveiligde app waarmee huisartsen snel in contact komen met medisch specialisten.

Deze keer hebben we in het OLVG geen aparte palliatieve afdeling voor corona. Dat patiënten met en zonder covid door elkaar liggen, maakt een bezoekregeling lastig. We zouden wel weer een palliatieve corona-unit ­willen, maar het is niet te organiseren door personeels­gebrek. Medewerkers zitten thuis in afwachting van een test of in quarantaine. Bij de eerste golf lag de reguliere zorg stil en waren zorgverleners beschikbaar als invaller. Nu is er schaarste aan alle kanten.

Je ziet aan de patiëntenpopulatie dat corona heel sterk een sociaal-economisch probleem is. In de opleiding leren we al dat laagopgeleide mensen sneller ziek worden. Het ligt gevoelig, voor je het weet gaat Wilders ermee aan de haal, zoals hij deed met de goedbedoelde obser­vatie van collega-arts Armand Girbes uit het Amsterdam UMC.

Maar je moet het wel benoemen, anders gaan we er nooit wat aan doen. Veel families met Turkse en Marokkaanse achtergrond testen positief op het virus. Maar ook Surinamers en Antillianen.

Ik vind het prettiger het te koppelen aan de sociaal-economische positie van veel mensen. Ziek worden, covid oplopen, er is een duidelijk verband met armoede, opleiding, woonruimte, voeding, cultuur en religie. Al die factoren spelen een rol. Daar zouden we veel aandacht voor moeten hebben, wij allemaal.”

Heleen Verwijs, verpleegarts bij zorginstelling Amsta.  Beeld Marc Driessen
Heleen Verwijs, verpleegarts bij zorginstelling Amsta.Beeld Marc Driessen

Heleen Verwijs (43) is specialist ouderengeneeskunde bij Amsta.

“In onze verpleeghuizen lopen wij qua corona­besmettingen steeds achter de landelijke ontwikkelingen aan. Dat zag je tijdens de eerste golf, toen het even duurde voordat we met veel besmette patiënten te maken kregen. Maar ook toen het land voor de zomer het gevoel kreeg dat het met corona de goede kant opging, zaten wíj er nog middenin.

Dat was lastig toen, want terwijl de roep om het openen van de verpleeghuizen steeds luider werd, waren er bij ons afdelingen waar het nog niet verantwoord was om de deuren weer wijd open te zetten. Toen dat eenmaal weer kon, was dat enorm fijn. Nu kijk ik opnieuw met veel zorg naar de cijfers, die de afgelopen maanden zijn opgelopen.

Tegelijk weet ik dat we beter voorbereid zijn. We hebben het al eens meegemaakt. Het is niet zo dat er sprake is van routine, maar we weten nu wel beter wat er op ons afkomt. Gelukkig maar. We weten dat er een kans is dat we een keer aan de beurt zijn met een besmetting. Als team zijn we eraan gewend geraakt, hoewel er ook nu nog mensen zijn die enorm schrikken.

Ik denk dat we ook beter toegerust zijn op besmettingen. We hebben voldoende persoonlijke beschermings­middelen. Tijdens de eerste golf was dat enkele keren spannend. Er wordt genoeg getest, dat was in het voor-jaar best een punt. Ik kijk uit naar de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, zoals het gebruik van sneltesten.

Deze zomer was fijn. Ik ben met vakantie geweest. Even helemaal niks met corona. Verder hebben we op alle locaties tijd besteed aan het inhalen van dingen die zijn blijven liggen en voorbereidingen getroffen voor de tweede golf. We hebben de familiegesprekken weer opgepakt, waarin we met familie periodiek gaan zitten om alles van de patiënt door te nemen. Het was goed om elkaar weer in levenden lijve te ontmoeten, dat is toch anders dan via beeldbellen of de telefoon.

Tijdens de eerste golf heb ik, net als mijn collega’s, heel hard gewerkt, maar ik heb ook geregeld rust kunnen nemen. Even de stekker eruit, even helemaal niets. Dat heeft goed gewerkt. Dat hebben we ook afgesproken met de andere specialisten ouderengeneeskunde: neem af en toe even afstand. Als er bijvoorbeeld tijdens een weekenddienst een besmetting is, pakken de dienstdoende artsen dat op, daar hoeft de vaste arts van die locatie niet bij geroepen te worden. Daarmee voorkom je dat je met zijn allen de hele dag aan staat.”

Meer over