PlusInterview

Zij rekent in een boek af met haar traumatische jeugd: ‘Ik was altijd bang, voor allebei mijn ouders’

Lucia van den Brink (30) schreef een deels autobiografische roman over Lentl, een meisje met een traumatische, gewelddadige jeugd. Zelf begon ze op haar 27ste met het afrekenen met haar verleden. ‘In mijn hoofd herhaalde ik de woorden waarmee mijn ouders me uitscholden als kind.’

Els Quaegebeur
Lucia van den Brink: ‘Lang wist ik niet beter of iedereen leefde zo, veel besef van veilig of onveilig opgroeien had ik niet. Ik hoopte wel op een redding, elke dag.’
 Beeld Lin Woldendorp
Lucia van den Brink: ‘Lang wist ik niet beter of iedereen leefde zo, veel besef van veilig of onveilig opgroeien had ik niet. Ik hoopte wel op een redding, elke dag.’Beeld Lin Woldendorp

In een hotelbar aan de Prinsengracht vertelt Lucia van den Brink dat ze Amsterdam heeft verruild voor een dorp, Petten, waar ze een huis met een tuintje heeft. Het was een experiment maar tot nu toe bevalt het goed; de ruimte, de rust en de begane grond onder haar voeten. Ze woont er samen met haar Braziliaanse man, die opgroeide in São Paulo.

De warme familiecultuur waar ze door hem in terechtgekomen is, staat in schril contrast tot wat ze kent uit haar jeugd, zegt ze – als overgang naar haar eind juni verschenen deels autobiografische roman De geur van een moeder. “Lekker eten, familieleden die lief en knuffelig zijn, een gezellig gedekte tafel waaraan niet wordt gescholden maar wordt gepraat over wat iedereen bezighoudt – het was allemaal nieuw voor mij. Dat valt wel te lezen in het boek.”

Fysieke en geestelijke mishandeling

En hoe. Het verhaal begint in de slaapkamer van de achtjarige Lentl die op haar bed omringd door knuffeldieren angstig naar de deur zit te staren, luisterend naar het geschreeuw van haar ouders elders in het huis. Hun stemmen komen dichterbij. Lentl kruipt dieper weg onder de deken en fantaseert een slot op de deur. Weg kunnen vliegen zou ook fijn zijn, naar een bos met een meer. Dan ging ze zwemmen en hield ze haar hoofd zo lang mogelijk onder water zodat ze niets hoefde te horen, want, zo schrijft Van den Brink, als kind had ze al oren als vergrootglazen.

Lentls moeder pleegt niet lang daarna zelfmoord. Het meisje blijft achter bij een alcoholverslaafde en agressieve vader die haar de schuld geeft van haar moeders dood. ‘Ik kan niet wachten tot je het huis uit bent,’ zegt hij dreigend als Lentl tien is. Die avond kerft ze voor het eerst met een stanleymes een letter in haar arm: de H van help.

Voor Lucia van den Brink begon de werkelijke afrekening met haar traumatische jeugd zo’n drie jaar geleden, op haar 27ste. “Ik woonde in Amsterdam, kreeg een liefdevolle relatie, had een vriendenkring opgebouwd en ik werkte ergens waar de sfeer ontzettend goed was. Dat zette me aan het denken over waar ik vandaan kom. Fysieke en geestelijke mishandeling waren weliswaar uit mijn dagelijks leven verdwenen, maar de blauwdruk van de eerste twintig, vijfentwintig jaar liet zich niet weggummen. Dat heb ik wel geprobeerd: niet omkijken, het is voorbij, je leeft nu, je bent niet je verleden, maar ja, zo werkt het niet. Dat wist ik natuurlijk allang, want in mijn hoofd herhaalde ik de woorden waarmee mijn ouders me uitscholden als kind.”

‘Kleine teringlijer’, om met je boek te spreken.

“Een van de vele scheldwoorden die Lentl dagelijks over zich heen kreeg als kind. Net als ik. Voor mijn ouders was ik een zwart schaap en een last, al heb ik het vermoeden dat ze me niet anders behandelden dan ze zichzelf behandelden. Ze lagen overhoop met zichzelf en elkaar en daar werd ik in meegesleept. Ik denk niet dat ze me op de wereld hebben gezet met het idee: zo, we gaan dit kind een miserabele start geven. Ze hebben me ook echt goede dingen meegegeven. Boeken lezen is er een van. Mijn moeder las veel. En er was soms ook liefde. Tot het ineens weer helemaal misging. Ik wist nooit wat me te wachten stond. Dat maakte ook de betere periodes onheilspellend.”

Was je altijd bang als je thuis was?

“Altijd. Voor allebei. Dat laatste kon ik in dit boek nog niet aan. Daarom heb ik me op één ouder gestort, dat was al genoeg. De angst die ik als kind meedroeg richtte zich overigens niet alleen op wat zij mij aandeden, ik was ook altijd bang dat zij dood zouden gaan aan hun alcoholverslaving of door een zelfmoordpoging. Zo is het gelukkig niet gegaan, ze leven nog, maar ik heb de dood wel gebruikt in het boek om die angst te tonen.”

Vertelde je niemand wat er thuis gebeurde?

“Een keer vertelde ik iets aan een schoolpsycholoog bij wie ik in tranen uitbarstte. Dat was het wel. Als kind ben je alleen je omstandigheden, zoals ik schrijf in het boek. Lang wist ik niet beter of iedereen leefde zo, veel besef van veilig of onveilig opgroeien had ik niet. Ik hoopte wel op een redding, elke dag. Ik begon met mijn huid om hulp te vragen. In de hoop een redding op gang te kunnen brengen kleurde ik mijn blauwe plekken in met van die lelijke blauwe oogschaduw die je krijgt bij zo’n plastic opmaakpop. Als ik ze feller maak, ziet de meester het misschien, dacht ik dan, of oma, of iemand anders. En dan gaan ze iets doen. Maar dat is niet gebeurd.”

Mensen willen zoiets ergs niet weten, dat zie je bij elke vorm van huiselijk en seksueel geweld.

“Ik snap het ook wel. Heel lang wilde ik zelf ook liever wegkijken. De redding kwam uiteindelijk van mezelf, in het begin door ouder te worden en te merken dat je steeds meer in eigen hand krijgt. Misschien is die weg ook wel het beste. Het was soms eenzaam, want ik had niemand om op terug te vallen, maar het gaf wel het vertrouwen dat ik mezelf een goed leven kon geven.”

Heb je nog contact met je ouders?

“Dat heb ik opgegeven toen ik 24 was. Ik kon de voortdurende opeenstapeling van hun ellende niet meer verdragen. Het huis uit was ik al eerder, maar ik ben uit schuldgevoel nog een keer teruggegaan. Ik voelde me verantwoordelijk voor mijn ouders, ik wilde ze redden. Moeten aanzien hoe zij hun lichaam vernielen vond ik misschien wel het ergste. Ze werden schimmen van mensen en ik wilde er weer mensen van maken. Dat ging niet, wat ik ook probeerde. Voor mijn gezondheid was het ook niet goed. Ik had verschrikkelijke nachtmerries, ik was steeds heel zenuwachtig, ik had last van herbelevingen – allemaal symptomen van een posttraumatische stressstoornis. Mijn lichaam ging daarin mee. Dat maakte zich tijdens een herbeleving zo klein mogelijk en kroop weg in de gordijnen, als een klein, bang meisje.”

Hoe voel je je nu het boek er is?

“Het is confronterend. Toen het net van de drukker kwam, was de display bij de ingang van de uitgeverij voor de helft gevuld met mijn boek. Ik kon er niet naar kijken toen ik binnenliep. Dit verhaal is geen product, het is mijn leven. Ik heb opnieuw nachtmerries en ik praat weer tegen mezelf op die neerhalende manier. Het is moeilijk met dit verhaal te bestaan, en nu is het ook nog lastig om ermee in de wereld te staan. Het is mijn waarheid, zoals ik het beleefde. Mijn ouders hebben een andere waarheid, dat weet ik. Daar tegenin gaan voelt nog steeds onnatuurlijk. Gelukkig kan ik bij vlagen ook blij zijn dat het boek er is. Ik heb niet voor niets drie jaar gewerkt om het er te laten zijn.”

Je maakt in het verhaal vrij snel de overgang van kind naar volwassene. Ineens is Lentl achttien en het huis uit. Was dat tijdens het schrijven een verademing: oef, gelukt, we zijn er weg, de deur is dicht?

“Ik kon er niet langer blijven. Door het schrijven zat ik al best weer wat avonden thuis in de gordijnen gerold. Het is wel iets wat ik wil kunnen, langer dicht bij dat kleine meisje blijven, als schrijver. Maar goed, ik ben pas dertig, ik heb nog even te gaan. Ik heb net deze grote stap gezet, het hoeft niet sneller te gaan, al heb ik altijd het gevoel dat ik te weinig tijd heb.”

Te weinig tijd waarvoor?

“Ik heb wel eens uitgerekend hoeveel boeken ik nog kan lezen als ik de gemiddelde leeftijd haal. Dat is niet best, zo weinig.”

Had jij door je jeugd al jong het besef van sterfelijkheid?

“Op mijn derde was ik al bang om dood te gaan. Ik weet nog precies het moment dat ik het voor het eerst voelde. Het is de zwaarste herinnering die ik heb. Mijn moeder gooide me hard met mijn hoofd tegen de muur. Ik lag op de grond en dacht: nu ga ik dood. Mijn volgende boek wil ik openen met dat moment.”

Ze glimlacht verlegen: “Lekker begin weer.”

Gelukkig is schrijven relatief veilig.

“Even los van het uitbrengen, want dat is eng. Maar inderdaad, schrijven zelf geeft enorm veel vrijheid – je kunt dingen herschrijven, veranderen, onderzoeken – en dat is veilig voor mij. Ik zit aan het stuur, ik bepaal waar mijn verhalen heengaan.”

Lucia van den Brink: De geur van een moeder, Ambo|Anthos Uitgevers, €21,99.

Meer over