PlusDe klas in

‘Ze denken allemaal dat ze de nieuwe Ronaldo of Messi zijn’

Uitzonderlijke tijden in het onderwijs. Jocelyn Vreugdenhil volgt leerkrachten van basisscholen in Amsterdam. Deze week: groep 7, Zuidoost.

Jocelyn Vreugdenhil
null Beeld Inge Duiker
Beeld Inge Duiker

Zonder voetbal geen leven. En dus is een pauze waarin niet is gevoetbald een drama voor veel kinderen in de klas van de juf. Dan hebben we het over bijna alle jongens en een paar meisjes.

Wie goed kijkt, ziet in het lokaal de ­aanwijzingen liggen: setjes keepershandschoenen in de vensterbank en in de hoek naast het digibord een bak vol ballen.

“Ze denken allemaal dat ze de nieuwe Ronaldo of Messi zijn.” De juf heeft weleens met ze uitgerekend hoe groot de kans is dat ze een glansrijke voetbalcarrière tegemoet gaan, en toch dromen ze er allemaal van. Een droom die ook echt is uit­gekomen voor een aantal oud-leerlingen die momenteel in de eredivisie spelen, bij Ajax of PSV, of bij een buitenlandse club zitten. Een van deze oud-leerlingen had een aantal jaar geleden het Cruyff Court naast de school officieel geopend.

Elke pauze rennen de fanatiekste leerlingen zo snel mogelijk met de bal naar buiten om als eerste op ‘Het Cruyff’ te zijn. Als er meer dan twee klassen op het veld staan, ga je wat anders doen , is de regel.

“Het is grappig om te zien dat een deel zich zonder voetbal ook prima vermaakt,” zegt de juf. “Zo hadden we het laatst in de les over schelpen gehad en kwamen een paar leerlingen naar me toe met een handvol die ze aan de rand van het schoolplein gevonden hadden. ‘Kijk juf, deze schelp is echt oud want hij is donker van kleur.’ Of ze gaan tikkertje doen of verstoppertje spelen. Maar er is altijd een groepje dat blijft wachten tot de andere klas naar binnen moet zodat ze eindelijk kunnen voetballen.”

Het gaat er bloedserieus aan toe. Zeker als de ene klas tegen de andere speelt. “Bloed aan de paal, alsof ze de Champions League spelen. Ze kunnen helemaal uit hun plaat gaan als er hands wordt gemaakt of als iets anders gebeurt dat niet eerlijk is.”

De juf staat regelmatig bij het veld, maar heeft geen zin om voor scheids­rechter te spelen. Wel grijpt ze in bij buitensporige woede of als er flink gescholden wordt.

“Als ze naar elkaar overtikken en geen wedstrijd spelen, is het het leukst. Zodra het competitief wordt, komt het venijn erbij. En het zijn altijd dezelfde kinderen die over de grens gaan.”

Vandaar die andere regel: als je te ver gaat, krijg je eerst een waarschuwing en daarna mag je een week niet op het veld staan.

“Daar houden ze zich keurig aan, want ze weten dat er twee weken bijkomen – tot maximaal een jaar – als ze toch op het veld komen, al gebeurt dat eigenlijk nooit. Laatst kwam een leerling die een week straf had op vrijdagochtend naar me toe om te zeggen dat hij de dag ervoor echt niet gevoetbald had. ‘Heel goed. Ik had niet anders verwacht,’ zei ik tegen hem. Ik ben elke donderdag vrij, en dat hij bij de andere juf die niets van de straf wist niet stiekem het veld opgegaan was, verraste me eigenlijk wel. Zo heilig is die regel dus.”

Meer over