PlusAchtergrond

Wie rechts van de fiets loopt, stuit op onbegrip en ongemak. Maar waarom?

null Beeld Vincent Spiering
Beeld Vincent Spiering

Waarom loopt de een links van de fiets en de ander rechts? Na een reeks confrontaties op de stationstrappen zocht journalist en rechtsloper Thomas Sijtsma het uit. ‘Bent u motorisch verder wel helemaal in orde?’

Thomas Sijtsma

Het probleem doet zich voor bij het naderen van de ondergrondse stalling. Ik matig snelheid, spring van mijn fiets en kijk naar het einde van de trap of een tegenligger vanuit de kelder naar boven loopt. Welke goot pak ik, de linker of de rechter? Het gemoed houdt het midden tussen hoop en vrees. Hoop, omdat ik mijn fiets door een lege goot probeer te duwen. Vrees, omdat elk moment een andere fietser om de hoek kan verschijnen die in omgekeerde richting dezelfde goot voor zijn banden wil pakken.

Ik zal het maar opbiechten: ik ben een rechtsloper. Ik wandel altijd rechts van mijn fiets, ik stap ook op en af vanaf die kant. Ik kan niet anders. Vanaf de linkerkant mijn rechterbeen over het zadel zwaaien voelt onhandig en tegennatuurlijk. Alsof mijn heup te zwak en stijf is. Souplesse ontbreekt totaal bij die beweging, terwijl ik van de andere kant met een elegante sprong meteen in gang schiet.

Deze tegendraadse gewoonte brengt in kelderstallingen parkeerangst met zich mee, omdat vrijwel alle mensen aan de linkerkant van hun fiets lopen en het daardoor op trappen en in smalle passages leidt tot ongewenste confrontaties. En dat ligt aan mij, want ik doe het anders.

De verkeerde kant

Wanneer ik een kwartier lang bij het station fietsparkeerders observeer, passeert niemand met hetzelfde gebrek als ik. Het houdt geen verband met het zijn van rechts- of linkshandig, verdeeld in 90 en 10 procent van de Nederlanders. Op het forum van de fietsersbond zijn wel medestanders te vinden.

Ene Rob schrijft dat hij vaak opmerkingen naar zijn hoofd krijgt geslingerd: ‘U loopt aan de verkeerde kant, meneer!’ Leendert is ook een van de zeldzame rechtslopers: ‘Ook ik maak mee, dat ik halverwege de helling mijn fiets uit de goot moet halen omdat er een tegenligger aankomt. Ik kan daarbij niet rekenen op enig begrip of clementie.’

Op zoek naar het hoe en waarom achter deze afwijking, bel ik Erik Scherder. De professor in de neuropsychologie van de VU hoort de achtergronden opgewekt aan. “Ik heb dit echt nog nooit gehoord,” zegt hij. “Bent u motorisch verder wel helemaal in orde?”

Dat kan ik bevestigend beantwoorden. Ik schrijf, knip, gooi, eet en tennis met rechts. Voetballen doe ik ook voornamelijk met het rechterbeen. Met skateboarden en handboogschieten lijk ik wel met een ander standbeen voor te staan dan anderen.

Misschien heeft het te maken dat we bij het leren fietsen een van onze ouders altijd aan een bepaalde kant meeliep. “Dat is bij mijn kinderen in ieder geval nooit een bewuste keuze geweest, dus dat kan ik mij niet voorstellen,” zegt Scherder. Of houdt het verband met de ketting, altijd aan de rechterkant van het rijwiel? Een bulderende lach volgt. “Ik heb nog nooit aan het schoonhouden van mijn broek gedacht bij het afstappen.”

Een kort college over het functioneren van hersenhelften volgt. “Uw rechterkant wordt aangestuurd door de linker hersenhelft. En andersom. Alle banen lopen gekruist. Het kan bijvoorbeeld zijn dat uw rechter hersenhelft dominanter is, die kant staat voor ruimtelijke informatieverwerking. Als u rechts van de fiets staat, kijkt u het beste in de ruimte links van u.”

Scherder vraagt of hij een paar uur later mag terugbellen om de kwestie in de wetenschappelijke literatuur te zoeken. Hij geeft mij de opdracht mee om te onderzoeken welke hand ik aan het stuur houd als ik met één hand fiets. Zelf stapt hij vanaf de linkerkant op zijn fiets door eerst zijn linkervoet op het pedaal te zetten en rechts daarna over het zadel te zwaaien.

Addergebroed van de fietskelders

In een onderzoek naar het op- en afstapgedrag van fietsers, uitgevoerd door onder anderen Rosemary Dubbeldam, zie ik dat de manier van Scherder een generatiekwestie is. Mannen van een bepaalde leeftijd – de professor is 70 jaar oud – hebben het vroeger zo geleerd, versterkt door een afnemende soepelheid van het gestel.

Dick de Waard, verkeerspsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen, wijst op het feit dat de standaard altijd links zit. Rechts afstappen is dus uiterst onhandig, omdat ik steeds om moet lopen om de fiets te parkeren. Wel zegt De Waard dat het op mijn manier veiliger is in drukke verkeerssituaties. Aan de rechterkant bevindt zich immers de berm of de stoep, links passeren auto’s. “We hebben verder geen idee hoeveel mensen hetzelfde doen als jij,” zegt hij. “Het is in ieder geval niet identiek aan de verdeling tussen rechts- en linkshandigen. Daar staat het los van.”

De volgende die ik bel is Jeroen Koffeman, als technisch manager van ProRail betrokken bij de ontwerpen van fietsenstallingen bij stations. Om maar aan te geven hoe alleen de rechtslopers naast de fiets staan: zelfs Koffeman heeft nog nooit nagedacht over deze kwestie. We worden vergeten en verguisd, net als Rob en Leendert al op het op het forum schreven, het addergebroed van de fietskelders.

Koffeman zegt dat ProRail, verantwoordelijk voor al het meubilair rond het spoor, volledig meegaat in de rechts geörienteerde samenleving. “Het is niet heel spannend. Op stationstrappen naar de perrons houdt iedereen rechts, inchecken met de ov-pas gebeurt met de rechterhand.”

Een andere manier is er volgens Koffeman ook niet. “Op stations hebben we maar een bepaalde beschikbare ruimte. Dan bestaat niet de luxe om riante trappen te bouwen. In de ontwerpfase houden we rekening met het maximumaantal reizigers, aan de hand daarvan bepalen we de breedte van looproutes.”

Geboren afwijking

Ik trek de voorlopige conclusie dat het bij mij om een geboren afwijking gaat, iets in de hersenen, en niet over een aangeleerde handeling. Als dat wel zo was, had ik met de positie van de standaard en de kettingkast meer vanaf de linkerkant gedaan. Bovendien is links lopen naast de fiets sociaal gewenst en conflictvermijdend op trappen.

Scherder kan in de literatuur ook geen eenduidig antwoord vinden, laat hij na uren van studie weten. “Maar ik ben er wel achter dat mijn vrouw het ook doet. Ze is briljant, dus dat zegt ook veel over u.”

De professor ziet in zijn eigen opstapgedrag – ik durf hem niet te zeggen dat het een kwestie van leeftijd is – de dominantie van het rechterbeen. Dat hebben de meeste mensen. Voetballers gebruiken meestal links als standbeen om met rechts hard en precies te schieten. Ik ook. Toch verdwijnt die voorkeur zodra ik bij een fiets in de buurt kom.

Terugkomend op zijn opdracht: als ik met één hand fiets, doe ik dat met rechts. Ook tegenstrijdig met het grootste deel van Nederland. “Links is juist belangrijk in het gevoel voor diepte, essentieel voor de coördinatie en veilig fietsen.”

“U merkt wel: er bestaat geen sluitende verklaring voor dit fascinerende exces. Een antwoord is niet in cement gegoten, samen komen we tot een benadering, maar niet meer dan dat. Er blijft altijd een variatie zitten in hoe mensen zijn en doen.”

Van Scherder mag ik er verder geen conclusies aan verbinden. Nou ja, een enkele misschien. “Ons brein is een waanzinnig fenomeen. Dat blijkt maar weer.”