PlusInterview

Waarom Racheda Kooijman in haar jeugd zei dat ze half Spaans was, net als het personage in haar debuutroman

Racheda Kooijman (45), half Nederlands, half Marokkaans, groeide op in Amsterdam-West. In haar jeugd deed ze alsof ze half Spaans was. Het vormt de basis voor haar roman Vossenjacht.

Martine Bruynooge
Racheda Kooijman: ‘Kijk naar de verkiezingsuitslag. Het is schrijnend, maar mensen zijn keihard tegen elkaar.’ Beeld Carly Wollaert
Racheda Kooijman: ‘Kijk naar de verkiezingsuitslag. Het is schrijnend, maar mensen zijn keihard tegen elkaar.’Beeld Carly Wollaert

Vossenjacht speelt zich grotendeels af in dezelfde Amsterdamse buurt als die in Ik ga leven van Lale Gül. Puur toeval, want Vossenjacht was al af voordat het veelbesproken boek begin dit jaar verscheen. Kooijman zat nu eenmaal toevallig op dezelfde school als Gül, groeide ook op in de Kolenkitbuurt en liep tegen dezelfde thema’s aan, alleen dan twintig jaar eerder.

Ook Kooijman schrijft over hoe het is om ergens bij te horen waar je niet bij wílt horen, in haar geval ‘de Marokkanen’, en hoe je je er vervolgens uit losworstelt. “Als je een Marokkaan was, dan was je een buitenlander. En dat was iets negatiefs, daar wilde je niet bij horen,” vertelt Kooijman, die werkt als journalist en bladenmaker. “Als reactie daarop maakten we in mijn klas op het Hervormd Lyceum West zelf maar grappen over alle vooroordelen. Natuurlijk kwam de Surinaamse klasgenoot te laat en grapten we dat die Turkse jongen zijn nieuwe kleren wel gejat zou hebben. Haha.”

In Vossenjacht heeft Kooijman de hoofdrol gegeven aan Nadia Smits. Ze is door haar moeder opgevoed in Bos en Lommer. De Marokkaanse vader verdween een paar maanden na haar geboorte. Nadia heeft altijd gedacht dat hij door haar is vertrokken. In het boek gaat ze – inmiddels twintiger en losgeslagen – op zoek naar hem en ontdekt ze zijn verhaal. Nadia loog, net als Kooijman zelf, jarenlang over haar afkomst. Ze maakte iedereen wijs dat ze half Spaans was.

De grappen die u en uw klasgenoten maakten waren eigenlijk een manier om met racisme om te gaan. Wat is de lulligste grap over uw afkomst die u ooit moest incasseren?

“Een opmerking over flamencodansen, wat ik graag doe. Een gast zei: ‘Die hobby heb je zeker opgedaan op de boot hiernaartoe’.”

In het boek staat een passage over Nederlanders op witte Hartmantuinstoelen die uithalen naar Marokkanen. Ze pikken onze banen in, ze moeten oprotten naar hun eigen land, de mannen zijn ‘Ali-Ben-ras-geil’ omdat ze ‘geilen op ons ras’. Is dit autobiografisch?

“Dit is echt gezegd op verjaardagen waar ik ook was. Het is heel raar om daar dan bij te zitten met je half-Marokkaanse bloed. Dit speelde dertig jaar geleden, en het speelt nog steeds. Ga in een willekeurige volkswijk in een kringverjaardag zitten en ik weet dat je dit kunt horen. Kijk naar de verkiezingsuitslag. Het is schrijnend, maar mensen zijn keihard tegen elkaar.”

Bleef u vervolgens op zo’n verjaardag?

“Ik lachte mee. Dat deed natuurlijk pijn, want het ging ook over mij. Ik was ook bang dat iedereen zou ontdekken dat ik niet Spaans was.”

Wanneer bedacht u dat Spaans beter was dan Marokkaans?

“Mijn zus zei dat ook. Zij is half Hindoestaans. Spaans leek haar beter. Vanaf mijn achtste en tijdens de hele ­puberteit heb ik dat volgehouden. Ik ben Racheda en ik ben half Spaans. Het was een afschuwelijke tijd, ik zat in een spagaat. Als ik in de spiegel keek zag ik die typische ­Marokkaanse uiterlijkheden waar ik van gruwelde en die niet pasten bij mijn verhaal.”

Wat vindt u ervan dat ‘de Marokkanen’ als groep worden beschouwd?

“Waarom zou je individuen reduceren tot één groep? Dat vind ik heel erg. Moet je je voorstellen dat je altijd wordt aangesproken op de groep waar je toevallig bij hoort. Die groep zegt toch niets over jou als persoon? Veroordeel ­elkaar niet, gun ieder zijn eigenaardigheden.”

Net als Nadia zijn u en uw zus opgevoed door een Nederlandse moeder. Hoe is jullie band?

“We zijn lang een hechte drie-eenheid geweest. Dat moest ook wel, we waren aan het overleven. Ik groeide op in een eenouderbijstandsgezin, dan is er niet veel. Mijn moeder kon niet werken. Ze heeft reuma en zat vaak in een rolstoel. Er was altijd gezinshulp. Pas op mijn tiende ging ik voor het eerst naar het buitenland, met een Reumafondsvakantie naar een aangepast hotel in Spanje. Dat was op zich mazzel, want het land paste goed bij mijn leugen.”

Wat was u voor kind, daar in de Kolenkitbuurt?

“Ik was een stil, braaf meisje. Een biebkind. Net als Lale Gül zat ik altijd te lezen in de bibliotheek. Ik las vooral boeken over zielige meisjes. Joodse meisjes, meisjes met gescheiden ouders, een meisje met een dode vader, ­meisjes die gepest werden. De tranentrekkers. Het is ­lekker om een boek dicht te slaan en dan een potje te ­janken, vind ik.”

In het boek ontmoet Nadia al snel haar vader. Kent u uw vader?

“Hij heeft op mijn 18de contact opgenomen, maar ik was er nog niet aan toe. Op mijn 25ste, na veel therapie, besefte ik dat áls ik wil weten wie ik ben, ik moet weten waar de andere helft van mij vandaan komt. Het was zo geregeld; hij woont met zijn nieuwe gezin in Nieuw-West. De ontmoeting was raar, zelfs filmisch. Dat je ineens oog in oog staat met je vader!”

En heeft hij nu een vaderrol?

“Hij was meteen klaar om vader te zijn, heel lief, maar ik kon niet zijn dochter zijn. Het woord vader kon ik nog wel uitspreken, maar papa kon ik niet zeggen. Bovendien vond ik het contact beklemmend. Hij bemoeide zich overal mee. Verstandelijk wist ik: voor de helft besta ik uit jouw genen, maar ik voelde: je had ook iemand anders kunnen zijn. Ik kijk ook met argusogen naar succesverhalen in Spoorloos. Zo’n gat van 25 jaar kun je echt niet meer dichten, hoor.”

In Vossenjacht bezoekt Nadia Marokko met haar vriend. Heeft u dat ook gedaan?

“Ja, en het ging net zo gekunsteld als in het boek. Het was alsof we in een comedy zaten. Mijn man Roeland, toen nog mijn vriend, en ik moesten in djellaba’s slapen met een muur van kussens tussen ons in. En mijn oom reed ons een keer ’s avonds rond in de buurt. Het was donker en het regende, maar hij wilde per se dat we overal foto’s van maakten. Ik heb de afdrukken waarop niets te zien is nog steeds. Hilarisch.”

Lale Gül zit ondergedoken sinds Ik ga leven. Heeft u getwijfeld of u uw boek, waarin thema’s als Marokkanen, de islam en ‘buitenlanders’ worden behandeld, wel wilde uitbrengen?

“Nee. Ik vind dat over alles geschreven moet kunnen worden. Ik heb niet mijn levensverhaal opgeschreven, hè, ik heb een roman geschreven. Vossenjacht gaat niet over het doorbreken van taboes, maar over de worsteling en de persoonlijke groei van een twintiger.”

Mano Bouzamour schijnt zoveel haat over zich heen te hebben gekregen als hij over de Marokkaanse gemeenschap schreef, dat hij is gestopt met opiniëren. Gül overwoog ook te stoppen met schrijven. Wat vindt u daarvan?

“Het feit dat je je door je familie, je geloof of je omgeving laat opleggen waar je wel of niet over schrijft, is censuur. Je kan mensen niet op die manier beroven van vrijheid. Maar ik heb makkelijk praten, met mijn witte familie en ruimdenkende moeder. Ik kon schaamteloos schrijven. Ik dacht: fuck it, ik gooi alles eruit.”

Daarover gesproken: u schrijft nogal rücksichtslos over de seks van Nadia en haar vriend.

“In de seksscènes van Jan Wolkers spat het plezier van de pagina af. Het is schaamteloos, zo moet het zijn. Ik heb een poging gedaan. Alle seks, overigens het hele boek, heb ik met de hand geschreven; in het bos, op de bank, ­tijdens autoritten terwijl de kinderen achterin naar een sprookje luisterden, overal waar ik inspiratie had schreef ik. En het stroomde.”

Nu kan iedereen Vossenjacht lezen. Is dat spannend?

“Ja, die seksscènes, hè? Ik hoop niet dat mijn schoon­moeder ze leest.”

Racheda Kooijman: Vossenjacht, uitgeverij Orlando, €22,99.

Meer over