PlusAchtergrond

Vrouwelijke kunstenaars door de eeuwen heen: vernederd, gesaboteerd, bestolen en genegeerd

Le déjeuner en fourrure (1936), van surrealist Meret Oppenheim. Dat zij meer was dan alleen een naaktmodel voor Man Ray, bleek pas toen ze eind jaren 90 haar eerste overzichtstentoonstelling kreeg. Beeld ullstein bild via Getty Images
Le déjeuner en fourrure (1936), van surrealist Meret Oppenheim. Dat zij meer was dan alleen een naaktmodel voor Man Ray, bleek pas toen ze eind jaren 90 haar eerste overzichtstentoonstelling kreeg.Beeld ullstein bild via Getty Images

Lange tijd heerste de gedachte dat Grote Kunst alleen door mannen gemaakt kon worden. De vrouwen die tegen de stroom in zwommen, bleven onzichtbaar. Daar is pas de afgelopen decennia echt verandering in gekomen, mede dankzij de invloed van internet.

Edo Dijksterhuis

Why have there been no great women artists? was de titel van het essay dat Linda Nochlin schreef in 1971. De Amerikaanse onderzoeker betoogde dat er geen vrouwelijke evenknie van Rembrandt of Van Gogh is, omdat vrouwen lange tijd toegang is ontzegd tot kunstacademies. Haar publicatie vond vruchtbare grond in de feministische beweging en diende als brandstof voor de emancipatiestrijd. Toch zat ze er met haar analyse faliekant naast. Dat bleek vijf jaar later wel toen de tentoonstelling Women Artists 1650-1950 werd georganiseerd, met 150 schilderijen van 83 vrouwelijke kunstenaars. Ze hebben dus wel degelijk bestaan, vrouwelijke kunstenaars van niveau, ze waren alleen nooit opgemerkt.

Met het vandaag gelanceerde Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen? draagt Christiane Struyven een steentje bij aan de inhaalslag. Uit de biografieën van vijftig vrouwelijke kunstenaars, die met recht ‘groot’ genoemd mogen worden, wordt ook duidelijk waarom zij zo lang onzichtbaar waren. Het artistieke genie werd lange tijd gezien als iets exclusiefs mannelijks, en vrouwen die de penselen oppakten of aan het beeldhouwen sloegen werden verketterd. Schrijver Gustav Flaubert zei in 1850 onverbloemd: ‘een vrouwelijke kunstenaar kan alleen maar een hoer zijn’.

Urinoir: van een vrouw

Zelfs een vrijgevochten figuur als Rosa Bonheur ontkwam niet aan patriarchale bemoeienis. De populaire negentiende-eeuwse schilder van paarden, runderen en schapen kleedde zich als man, rookte sigaren en leefde openlijk met een vrouw. Omdat ze geld had werd dat door de vingers gezien, maar ze moest wel iedere zes maanden bij de Parijse politie een vergunning aanvragen om de veemarkten en slagerijen te bezoeken waar ze haar anatomiekennis bijschaafde. Ze kreeg weliswaar staatsopdrachten, maar de onderscheiding Légion d’honneur werd haar onthouden omdat ze vrouw was.

[Tekst loopt door onder de foto]

Kunstwerk Fountain, dat op naam kwam te staan van Marcel Duchamp. De werkelijke maker was van Elsa von Freytag-Loringhoven. Beeld Alfred Stieglitz / Associated Press
Kunstwerk Fountain, dat op naam kwam te staan van Marcel Duchamp. De werkelijke maker was van Elsa von Freytag-Loringhoven.Beeld Alfred Stieglitz / Associated Press

Dat werd later door de Franse keizerin Eugénie persoonlijk rechtgezet. Maar veel navolgers van deze wegbereider konden fluiten naar medailles of oorkondes, omdat officials ze botweg weigerden uit te reiken aan vrouwen. Museumdirecteuren – steevast mannen – kochten hun werk niet aan, critici schreven er niet over en kunsthistorici zagen hen niet. In het standaardwerk History of Art uit 1962, dat 4 miljoen keer over de toonbank is gegaan in vijftien talen, werd niet één vrouwelijke kunstenaar genoemd.

In dat handboek werd wel ruim aandacht besteed aan het urinoir, dat onder de titel Fountain de koers van de kunstgeschiedenis radicaal deed omslaan. Als maker werd Marcel Duchamp verheven tot aartsvader van de conceptuele kunst. Een eeuw later bleek echter niet hij maar Elsa von Freytag-Loringhoven verantwoordelijk voor dit revolutionaire werk. Deze kunstenaar, die een tijdje in hetzelfde flatgebouw woonde als Duchamp, had een rommelig, nomadisch leven geleid en was gestorven in anonieme armoede. Toen Fountain na haar dood werd toegeschreven aan Duchamp, sprak hij dat niet tegen.

Uit raam geduwd

Naast systematische discriminatie, hadden veel vrouwelijke kunstenaars te maken met regelrechte sabotage door mannen die zich bedreigd voelden door hun talent. Alice Neel verloor een groot deel van haar oeuvre omdat haar vriend haar doeken verscheurde en in brand stak. De echtgenoot van impressionist Marie Braquemond liet haar naam van tentoonstellingsaffiches schrappen, en vernederde en bekritiseerde haar net zo lang tot zij uit wanhoop stopte met schilderen en huisvrouw werd. En van Ana Mendiela bestaat het sterke vermoeden dat zij uit het raam van haar flat is geduwd door eega Carl André, de minimalistische beeldhouwer die toen over de top van zijn roem heen was, terwijl zij net furore begon te maken.

Tot diep in de jaren tachtig heerste er een soort ‘culturele apartheid’. Vrouwen waren niet welkom op de adressen waar macho makers zaten te zuipen, roken en ouwehoeren. Zij waren veroordeeld tot de rol van echtgenoot, minnares of muze. Dat Meret Oppenheim veel meer was dan een androgyn naaktmodel in de foto’s van Man Ray – namelijk de bouwer van een fantasierijk, eigen oeuvre – werd pas duidelijk toen zij eind jaren negentig haar eerste overzichtstentoonstelling kreeg. Ook Dora Maar had moeite om zich als uitzonderlijk surrealistisch fotograaf te ontworstelen aan de afbeeldingen die Picasso van haar had geschilderd.

Maar het schrijnendste verhaal komt van Camille Claudel (1864-1943). De uiterst getalenteerde beeldhouwer werd als 19-jarige assistent, en al snel geliefde, van Auguste Rodin. Ze had de hand in een flink aantal van Rodins beroemdste werken, zoals het zes meter hoge L’Enfer met z’n 180 kronkelende mensfiguren. Rodin beloofde met haar te trouwen, maar ruilde haar in voor een jongere vrouw. Claudel raakte aan de drank en werd paranoïde, wat werd verergerd doordat Rodin haar het exposeren onmogelijk maakte. Haar broer stopte haar vervolgens in een gesticht, waar ze dertig jaar later overleed.

[Tekst loopt door onder de foto]

Camille Claudel: L’age mûr (1898). Beeld Imageselect
Camille Claudel: L’age mûr (1898).Beeld Imageselect

Postume erkenning

De derde feministische golf en de opkomst van het academische vak vrouwenstudies – later genderstudies – openden in de jaren negentig de ogen voor al die onzichtbare en vergeten kunstenaars. Het ontluikende internet, dat veel verborgen informatie aan het licht bracht, had ook een emanciperende werking. Er werden volop monografieën over vrouwelijke kunstenaars geschreven en retrospectieven georganiseerd. Kunstenaars die al decennia actief waren, werden ‘ontdekt’. Louise Bourgeois was 72 toen ze haar eerste museale tentoonstelling kreeg en Agnes Martin was 73, maar voor velen kwam de erkenning postuum.

De situatie is sinds de eeuwwisseling aanzienlijk verbeterd. Dat het deelnemersveld van de mamoettentoonstelling Documenta in 2007 voor bijna de helft uit vrouwen bestond, mag als een doorbraak worden beschouwd. Maar in galeries en musea blijven vrouwen achterlopen, en op veilingen brengt hun werk nog steeds minder op. Dat komt omdat verzamelaars, tegenwoordig de belangrijkste spelers in een hevig gemonetariseerde kunstmarkt, in grote meerderheid mannen zijn. Die geloven – bewust of onbewust – nog steeds in het ‘mannelijk genie’ en kopen en schenken vooral werk van andere mannen.

Christiane Struyven: Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen? Vrouwelijke kunstenaars van 1850 tot nu, uitgeverij Terra Lannoo, €49,99.

Vrouwen van het Rijksmuseum Fonds

Toen het Rijksmuseum vorig jaar werken van drie vrouwelijke kunstenaars in de eregalerij hing, was dat wereldnieuws. Zelfs The New York Times berichtte erover. Dat het niet blijft bij een incidentele correctie van de genderbalans in de nationale schatkamer, blijkt uit de lancering dinsdag van het Vrouwen van het Rijksmuseum Fonds. “We maakten al podcasts over vrouwelijke kunstenaars en hadden plannen voor tentoonstellingen, maar nu gaan we er structureel mee aan de slag,” stelt senior conservator Jenny Reynaerts.

De eerste stap is inzichtelijk maken wat het museum al van vrouwen in huis heeft. “Van de schilderijen en beelden weten we het. Zo’n vijftig zijn er van vrouwen, wat weinig is als je bedenkt dat dertig procent van de kunstenaars in de zeventiende eeuw vrouw was. Maar het prentenkabinet en de collectie kunstnijverheid zijn nog een groot vraagteken.”

Twee donateurs hebben het nieuwe fonds met €300.000 een kickstart gegeven, waardoor een extra onderzoeker kan worden aangetrokken. De bijdrage maakt ook een symposium mogelijk, dat dinsdag voor de eerste keer plaatsvindt en minimaal vijf jaar lang een terugkerend evenement is.

“Vandaag voegen we ook werk van zeven vrouwen toe aan onze vaste opstelling,” vertelt Reynaerts. “Daartoe behoren twee nieuwe aanwinsten: een zelfportret van Charlie Toorop uit 1933 en een groep bronzen schaakstukken van Saar de Swart.”

Een nieuw collectieboek dat ingaat op vrouwelijke kunstenaars in het Rijksmuseum zal waarschijnlijk op zich laten wachten tot 2024 of 2025. “Volgend jaar beginnen we al met het veranderen en aanvullen van etiketteksten op zaal. Die moeten historisch correct zijn, maar bij een begrip als ‘kenau’ willen we uitleggen waar het vandaan komt. Bovendien willen we verhalen van vrouwen toevoegen, die misschien wel het grote kunsthistorische en historische verhaal veranderen. Als je nieuwe vragen stelt, krijg je nu eenmaal andere antwoorden.”

Vrouwen op de Eregalerij, Rijksmuseum: De serenade (1629) van Judtih Leyster. Beeld Olivier Middendorp
Vrouwen op de Eregalerij, Rijksmuseum: De serenade (1629) van Judtih Leyster.Beeld Olivier Middendorp
Meer over