Ruben Hein: 'Zodra ik ergens mee vastloop, loer ik door mijn verrekijker.'

PlusPortretten

Vroeg in de veren: deze vogelaars vogelden al voordat de rest het ontdekte

Ruben Hein: 'Zodra ik ergens mee vastloop, loer ik door mijn verrekijker.'Beeld Marjolein van Damme

Toen het land in lockdown was, ontdekten Nederlanders massaal het vogelspotten met nieuwe vogel-apps, podcasts en cursussen. Maar er zijn ook vogelaars die al uren tuurden voordat het hip was. ‘Als ik eenmaal begin, ben ik niet meer te houden.’

Sara Luijters

Zanger en muzikant Ruben Hein (39) vogelt sinds zijn kindertijd. Zijn nieuwe album Oceans en de documentaire Sounds of the South zijn geïnspireerd door zijn trip naar vogelaarswalhalla Antartica.

Het Landje van Geijsel bij Ouderkerk aan de Amstel, met uitzicht op de A9 en De Arena, is een weiland dat door de eigenaar van februari tot mei onder een laagje water wordt gezet. Vogels die terugkomen uit Zuid-Europa en Afrika strijken er dan neer om ‘op te vetten’. Kolonies grutto’s , scholeksters, kieviten en vele andere soorten zijn er te bewonderen.

Zanger en muzikant Ruben Hein heeft zijn telescoop op het landje opgesteld. Hij is op deze ochtend de jongste aanwezige vogelaar. “Ik had je moeten waarschuwen: als ik eenmaal begin over vogels, ben ik niet meer te houden.” Hein vogelt al sinds zijn kindertijd. “Op de middelbare school was vogelen in combinatie met een bril en een beugel niet de manier om zoenend het fietsenhok te halen, maar iets later ben ik alsnog uit de kast gekomen als vogelaar.”

Hij is even afgeleid door kwetterende vogels en tuurt door zijn telescoop. “Sorry, maar ik zie een groepje watersnippen.” Hein ontdekte dat er voor hem een parallel bestaat tussen muziek en het vogelen. “Bij beide voel ik dezelfde soort ontdekkingsdrang en verwondering, het ontroert me ook op dezelfde manier. Als ik vastloop bij het schrijven, ga ik altijd even wandelen in de buurt van mijn studio en door mijn ¬verrekijker loeren. Vogelen onthaast en inspireert.”

De uitnodiging om in februari 2020 als artist in residence mee te gaan op een schip naar Antarctica, was een droom die uitkwam. “Het was een overweldigende trip: woest, weids en tegelijk heel lieflijk. En een vogelaarswalhalla, met reusachtige albatrossen en allerlei andere bijzondere vogels, maar ook bultrugwalvissen en pinguïns. Ik besefte daar hoe verbonden we als mens en dier eigenlijk zijn, en hoezeer we elkaar nodig hebben.”

De reis vormde de inspiratie voor Heins nieuwe album Oceans, waarmee hij nu door het land tourt, en de documentaire Sounds of the South. “We moeten op een andere manier naar de natuur leren kijken en de mens meer als onderdeel van het ecosysteem gaan zien.”

De kolonie grutto’s stijgt plotseling op boven het drassige weiland: “Er zijn in totaal nog maar dertigduizend grutto’s. Dat lijkt veel, maar dat zijn dus minder grutto’s dan er publiek is bij een avondje Ajax-Sparta. Drie slechte broedseizoenen en ze bestaan niet meer – en dat geldt voor veel meer vogels. Het is tijd dat we gaan inzien dat dieren ook een stem hebben.”

De documentaire Sounds of the South is in april te zien in filmtheaters in heel Nederland, als onderdeel van de eerste Nature on Tour-maand.

Somer Schram Ouweneel: ‘Ik heb zelf weleens een nachtegaal horen zingen in de stad.'  Beeld Marjolein van Damme
Somer Schram Ouweneel: ‘Ik heb zelf weleens een nachtegaal horen zingen in de stad.'Beeld Marjolein van Damme

Somer Schram Ouweneel (16) doet dit jaar havo-eindexamen op de Vinse School. Ze vogelt sinds haar kindertijd, onder meer in de omgeving van haar woonplaats Zuiderwoude.

Somer Schram Ouweneel draagt een zwarte legerbroek, een hoodie van een jongerennatuurorganisatie en een petje met pins van vogeltjes erop, en heeft een verrekijker om haar nek en een fotocamera om haar schouder. Haar achtertuin is het weiland in Zuiderwoude, een dorpje met houten huizen en een kerk, onder de rook van Amsterdam. Met haar voet tikt ze voorzichtig tegen een dode vogel die bij een hek ligt. Een smient, weet ze.

“Mijn opa (vogelbeschermer Gerard Ouweneel, auteur van het boek Thuisvogels, red.) en mijn ouders, allemaal zijn ze vogelaars. Tot mijn achtste woonde ik in Tanzania, waar je veel bijzondere vogelsoorten hebt. Ik vond ze heel mooi, maar had nog geen enkele interesse in de namen of soorten. Dat veranderde toen ik eenmaal in Nederland in het weiland rondom Zuiderwoude een tureluur zag, een weidevogel op rode stelten met een mooie roep: tju-lu-lu. Vanaf dat moment was mijn interesse voor het vogels kijken gewekt.”

Op school kent ze niet veel andere zestienjarigen die zo in vogels en de natuur geïnteresseerd zijn als zij. “De meeste klasgenoten gaan liever de stad in, ik ga er juist liever uit weg. Mij kun je niet gelukkiger maken dan me op kamp te sturen met de JNM, Jongeren in de Natuur. Ieder weekend gaan we met een groep naar een mooie plek in Nederland, zoals de Veluwe, onder andere om daar samen te kunnen vogelen. Ik vind het een heel rustgevende bezigheid en het kan altijd en overal.”

“De vogels die ik zie, voer ik online in via Dutch Bird Alert, in een Wordbestand, en ik vink ze aan in mijn vogelboek. Het vogels kijken is een automatisme geworden, ook als ik naar school in Amsterdam ga, met de bus of fiets, tel ik de vogelsoorten die ik onderweg tegenkom. Ik heb zelfs weleens een nachtegaal, een van mijn lievelingsvogels, horen zingen in de stad.”

In een dorpje wonen is leuk als je van vogels houdt, maar ze maakt zich soms zorgen over hun leefgebied. “Vogels hebben steeds minder nestgelegenheid en bij het maaien van de weilanden tijdens het broedseizoen worden vaak nesten van broedende grutto’s vernield, waardoor de populatie afneemt. Dat steeds meer mensen zich nu interesseren voor vogels en de natuur, ook veel meer jonge mensen, vind ik wel hoopgevend.”

AyMei Oei: ‘Mussen komen met hele familie en maken er een knoeiboel van.'  Beeld Marjolein van Damme
AyMei Oei: ‘Mussen komen met hele familie en maken er een knoeiboel van.'Beeld Marjolein van Damme

AyMei Oei (67), vrijwilliger bij de ¬Dierenambulance, startte tijdens de coronacrisis met vogelen vanaf haar balkon in de Jordaan.

Asielkat Yori verstopt zich beneden als er bezoek is, want het is een angsthaas. Soms wil ze luieren op het balkonnetje, dan maken alle vogels dat ze wegkomen. AyMei Oei bouwde er speciaal voor de vogels een systeem met kleine voederkommen en bamboestokken.

“Ik was gedetacheerd ICT’er toen ik tijdens corona vanuit mijn huiskamer moest gaan werken. Voor het eerst viel me op hoeveel vogels er langskwamen. Ik begon ze te voeren en zag dat ze allemaal een andere manier hebben van badderen, drinken en uit eten gaan. Zo komen mussen met de hele familie, ze zijn heel luid en maken er een knoeiboel van. Koolmeesjes komen in paartjes of met zijn vieren, ze eten netjes om de beurt. En een stadsduif vloog met zijn borst tegen het raam, alsof ie bij me aanklopte.”

Oei had zo veel lol in het vogelen dat ze zich opgaf voor de Nationale Tuinvogel¬telling en een retro verrekijker kocht om de vogels beter te kunnen bestuderen. “Om te ontdekken met welke vogel ik te maken had, fotografeerde ik ze, waarna ik de foto invoerde in een app die vogels herkent. Ik herken er steeds meer, mede door hoe ze klinken, daar zijn ook apps voor.”

“Naast mussen, roodborstjes, pimpelmezen en hout- en stadsduiven zie ik hier ook regelmatig eksters, merels, meeuwen, boerenzwaluwen en af en toe een gaai, bonte specht en Turkse tortel. Een keer spotte ik een ijsvogel, maar die was snel weer gevlogen. De mussen kijken inmiddels uit naar nestmateriaal, ik zie al diefstallen van takjes uit de heidemat die ik aan het balkon heb gebonden. Daarna volgt het voeren van de jonkies door de ouders; altijd leuk om te zien.”

Als vrijwilliger bij de Dierenambulance ziet ze vooral minder vrolijke vogels. “Aangereden of met vogelgriep, verstrikt in mondkapjes of plastic troep. Maar mensen brengen ook vogeltjes die uit het nest zijn gevallen: ze weten niet dat vogels leren vliegen vanaf de grond en dat je ze dus het beste kunt laten zitten.”

Jip Louwe Kooijmans: 'Het zijn wel ónze stomme rotduiven.'  Beeld Marjolein van Damme
Jip Louwe Kooijmans: 'Het zijn wel ónze stomme rotduiven.'Beeld Marjolein van Damme

Vogelbeschermingmedewerker Jip Louwe Kooijmans (55) is zijn hele leven al gefascineerd door vogels. Hij schreef de boeken Vogelen in Amsterdam, Vogels in Nederland en België en Nederlandse vogels in hun domein.

Vanaf zijn balkon op de negentiende en bovenste verdieping van het appartementencomplex in de Watergraafsmeer kijkt Jip Louwe Kooijmans uit over de hele stad, en ver daarbuiten. Direct in het vizier: het ooievaarsnest op de schoorsteen in Park Frankendael. Regelmatig vliegt er een slechtvalk voorbij. “Als je niet oplet, mis je het momentum. Dat maakt vogelen vaak spannend.”

In de boekenkast staan veel vogel-gidsen en vogelatlassen, maar ook zijn eigen schetsboeken met potloodtekeningen en aantekeningen over gespotte vogels. “Ik ben zolang ik me kan herinneren gefascineerd door vogels. Het mooie is dat je altijd en overal vogels kunt kijken; ze verplaatsen zich openlijk door het landschap. Het aantal soorten dat je hier kunt kennen, is ook te overzien: in heel Nederland vind je zo’n 280 algemene soorten.”

Ook aan ‘gewone’ vogels is iets bijzonders op te merken, vindt hij. “Daarom vind ik vogelen in de stad ook zo leuk. Regelmatig wandel ik door de stad, met een kleine verrekijker onder mijn arm. Toen ik in de Czaar Peterstraat woonde, ben ik daar alle vogelsoorten in kaart gaan brengen. Ik zag er onder meer boomkruipers die er niet in de bomen, maar onder de gevels broeden. Later ontdekte ik ze opeens ook op de grachten.”

Mede dankzij de lockdown is vogelen populairder geworden, zegt hij. “Meer mensen kregen oog voor het groen en de vogels in hun eigen omgeving. En veel meer mensen deden mee aan de vogeltellingen, dat is goed nieuws voor de Vogelbescherming. Vogelen is niet langer een hobby om je voor te schamen.”

Zijn favoriete vogel, naast de ransuil die zich begeeft in de volkstuinen aan de randen van Amsterdam, is er eentje die door veel mensen juist gehaat wordt: de stadsduif. “Ze worden vaak vliegende ratten genoemd, maar tegelijk zijn het wel ‘ónze stomme rotduiven’: die ambivalente houding vind ik fascinerend. Misschien schrijf ik ooit nog wel een boek over stadsduiven.”

Hebben alle vogelaars een baard?

Debby Doodeman (39) van Fogol, organisator van de Nationale Vogelweek en vogelvaartochten in het ­IJsselmeergebied, schreef het boek Vogelaars (nooit uitgevogeld). Aan ruim duizend vogelliefhebbers legde ze een vragenlijst voor, met als eerste vraag: hebben alle vogelaars een baard? 62 procent van de vogelaars bleek gladgeschoren tegenover 63 procent van de Nederlanders, en 8 procent draagt een volle baard versus 5 procent van de rest van Nederland. Hoewel het aantal vrouwelijke en jonge vogelaars toeneemt, was van de ondervraagden slechts 28 procent vrouw. De meerderheid van de vogelaars was ouder dan 60 jaar. Opvallend: vrouwen beginnen gemiddeld later met vogelen dan mannen. Doodeman: “Vaders geven het vogelen vaker door aan hun zonen. Ik pleit er sterk voor dat ze dat vanaf nu ook doen bij hun dochters.”

Vogelaars (nooit) uitgevogeld, KNNV Uitgeverij, €22,50.

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

Tips voor groentjes

Vogelaar Debby Doodeman heeft deze tips voor beginnende vogelaars:

1 Schrijf op welke vogels je ziet, want zeker in het begin is het overweldigend; je komt altijd en overal vogels tegen, als je erop gaat letten.

2 Investeer in een verrekijker, laat je voorlichten bij een optiekzaak of via de Vogelbescherming. Een goede kijker kost een paar honderd euro, maar gaat een leven lang mee.

3 Omring je met andere vogelaars, via vogelwerkgroepen of sociale media. Zij vertellen je graag over vogels. Naar Debby Doodeman mailen (via fogol.nl) mag ook altijd!

4 Laat je niet tegenhouden: vogelen is niet nerdy, als vogelaar kom je op de meest geweldige plekken in de natuur.

Meer over