PlusReportage

Versnipperd maar onweerstaanbaar: ode aan de eclectische Spuistraat

Oude ondernemers zijn vertrokken en van de roemruchte kraakgeschiedenis is weinig terug te zien. En toch heeft de Spuistraat nog steeds een onweerstaanbare charme. ‘Ja, er zijn hier kogelregens en schreeuwpartijen ’s nachts, maar iedereen kent elkaar.’

null Beeld Jasmine de Vries
Beeld Jasmine de Vries

Het was een tip geweest van de eigenaar van café De Barones. Ga ’s ochtends vroeg op het bankje voor haar zaak zitten en je ziet de golfbewegingen. Vanaf Centraal Station komen ze in groepjes, in het ritme van de pont, en zoeken ze de snelste weg naar elders. Ondertussen sijpelen vanuit de vele stegen de mensen die naar de ene, of juist naar de andere kant van het centrum moeten. En in het midden van dat alles: de Spuistraat, de fantastische Spuistraat. Alleen is er zelden iemand die om zich heen kijkt.

Oké, tot een jaar geleden fietste ik er ook altijd achteloos doorheen, om zo snel mogelijk van A naar B te komen – en soms een stukje van B naar A, tegen het verkeer in. De Spuistraat was toch vooral het karakterloze buitenbeentje in het rijtje Oudezijds Achterburgwal, Oudezijds ­Voorburgwal, Nieuwezijds Voorburgwal, ­Nieuwezij….eh, Spuistraat.

Op het bankje voor De Barones zie ik de stad tot leven komen en vraag ik me af hoe het kan dat ik het al die jaren niet heb gezien. Verborgen in het volle zicht: 1071,4 meter grandioze stad. Een lengte die ik zo precies weet doordat ik laatst, in mijn enthousiasme, eens een meetwiel heb gekocht om de straat op te meten.

Een man met een hond komt voorbij­lopen. “Marco!” roep ik. “Van de koffie!”

“Kees,” zegt Kees Dijkhuis, terwijl hij doorloopt. “Bijna goed!”

Ter verdediging: ik heb hem pas twee keer kort gesproken. De eerste keer was in oktober vorig jaar, toen ik op een ochtend binnenliep bij Hummingbird Amsterdam, een koffiezaak tegenover voormalig kraakpand Vrankrijk.

Kees Dijkhuis (in de deuropening) van Hummingbird: ‘De Spuistraat zul je nooit kunnen veranderen in een mooie rode loper.’ Beeld Jasmine de Vries
Kees Dijkhuis (in de deuropening) van Hummingbird: ‘De Spuistraat zul je nooit kunnen veranderen in een mooie rode loper.’Beeld Jasmine de Vries

Niet eens zo heel lang geleden was het pand waarin Hummingbird zich bevindt nog dichtgetimmerd en zat het gebouw vol kleurrijke schilderingen en krakers. Dat was in 2015. En toen, in maart van dat jaar, vloog er een helikopter boven de straat en meldde de Mobiele Eenheid zich voor een allerlaatste veldslag. Nog één keer vlogen er verfbommen door de lucht. Daarna kwamen de hekken, steigers, bouwvakkers, betonmolens en hijskranen en inmiddels lijken de herinneringen aan de roemruchte krakersgeschiedenis van de Spuistraat bijna uitgewist. In het voormalige Slangenpand zit nu Babassu Beauty Boutique & Spa, in een strakgetrokken gevel met kraakhelder glas, ernaast zit Daniele Dentici Shoe Salon en daarnaast Hummingbird.

“Maar wat er hier ook gebeurt, de ­energie van vroeger blijft,” had Dijkhuis gezegd, de eerste keer dat ik de koffiezaak van hem en zijn vriendin Agavni binnenkwam. “De graffiti blijft terugkomen, elke keer op dezelfde plekken, hoe vaak het ook wordt verwijderd. Dat hoort erbij. Je zal de Spuistraat nooit echt kunnen veranderen in een mooie rode loper.”

Ook al zit er sinds een paar jaar vlak naast Vrankrijk, in het gebouw dat lange tijd werd gebruikt door de universiteit, de besloten club Soho House – met een zwembad op het dak.

Terwijl Dijkhuis de bonen uit Costa Rica maalde, vertelde hij dat hij al vijf maanden non-stop aan het werk was, zeven dagen in de week. Door de lockdown had hij afscheid moeten nemen van zijn personeel en om zijn zaak te redden moest hij zelf elke dag aan de slag. Gelukkig was er de koffie. Behalve uit Costa Rica ook uit Ethiopië, Brazilië, Peru en Colombia – er was elke dag zoveel te proeven dat hij om 11 uur ’s ochtends al zeker zes koppen op had, als het er geen zeven waren.

Afgelopen mei, weer een lockdown ­verder, liep ik weer eens naar binnen bij Hummingbird. Er was niets veranderd, zei Dijkhuis. Hij werkte inmiddels al veertien maanden onafgebroken, en hij dronk nog steeds veel koffie. Hoe hield hij dat vol?

“Ik drink veel water. Dat helpt.”

Café De Barones. Beeld Jasmine de Vries
Café De Barones.Beeld Jasmine de Vries

Vanaf het bankje voor De Barones zie ik hoe Dijkhuis richting de stoplichten op de Raadhuisstraat loopt – achter de Dam – om naar de andere kant van de straat te gaan, waar zijn zaak zit. Sommige bewoners en ondernemers zullen je vertellen dat die stoplichten een harde grens vormen in de Spuistraat. Wie zich aan de ene kant begeeft, komt zelden aan de andere kant – de twee delen hebben zelfs een eigen postbode.

Voor het noordelijke deel, dat begint vlak bij Centraal Station, in het verlengde van de Martelaarsgracht en het Hekelveld, is dat postbode Jasmine de Vries. Of nou ja, eigenlijk is De Vries fotograaf, zo blijkt. “Dit werk deed ik erbij, maar toen kwam corona en liep het aantal opdrachten helemaal terug en ben ik dit maar blijven doen.” Haar deel van de Spuistraat vond ze een fijne straat om in te werken, omdat het nog ‘een rauw randje’ had. Ze wees op de ramen voor de sekswerkers, homobordeel Boysclub 21 en de Man to Man Shop en Cinema.

Daarmee was het begin van de Spuistraat een totaal andere wereld dan het einde van de Spuistraat, waar een aaneengesloten rij horecazaken bijna ongemerkt overvloeit in het Spui. En tussen dat begin en het einde vind je ook weer van alles, van restaurants en hostels tot nagelstudio’s, kopieerwinkels en collegezalen. Er is een neogotische kerk en er is een art nouveau-bakkerij. En dat allemaal in die langgerekte, nauwe straat met hoge ­panden, waar soms ook hele blokken bestaan uit de achterkant van hotels of kantoorpanden – die hun ingang op de Nieuwezijds Voorburgwal hebben.

“Juist omdat de Spuistraat niet echt een duidelijk profiel heeft, is het ingewikkeld om de straat te promoten,” zei Hans ­Verhoeven van de ondernemersvereniging en eigenaar van Gays&Gadgets. “Op de Nieuwendijk koop je schoenen, maar wat kom je hier doen?”

Ja, er snel doorheen fietsen dus, dacht ik. Tot buurtbewoner Frank Kusters me op andere gedachten bracht.

Bewoner Frank Kusters: ‘Je vindt hier alles: hoeren, miljonairs, yuppen, krakers, Kamerleden en noem maar op.’  Beeld Jasmine de Vries
Bewoner Frank Kusters: ‘Je vindt hier alles: hoeren, miljonairs, yuppen, krakers, Kamerleden en noem maar op.’Beeld Jasmine de Vries

Ik zag Kusters op een dag in zijn onderbroek op een bureaustoel zitten, starend naar drie beeldschermen vol Excelsheets, in een monumentaal huis naast punkcafé The Minds. Hij merkte niet dat ik vanaf zijn geveltrap naar hem stond te zwaaien, maar nadat ik op het raam had geklopt, stak hij zijn hoofd naar buiten en begon hij te ­vertellen.

Eerst over de Excelsheets op zijn schermen, waarin hij data over de CO²-uitstoot van 26 verschillende landen aan het verwerken was, een bestand met meer dan 200.000 regels. Als Excelspecialist houdt hij zich bezig met dit soort klussen voor grote bedrijven en ministeries. “Toch leuk voor iemand die zeven jaar over zijn mavo heeft gedaan,” zei hij, waarna hij losbarstte over de straat.

“Ik heb nooit eerder meegemaakt dat ik ergens woon en ‘hoi Frank, hoi Frank, hoi Frank’ hoor als ik naar de Albert Heijn ga. Bij de fietsverhuurder aan de overkant krijg ik korting en bij visrestaurant Lucius zijn ze zo ongelooflijk aardig. Ja, er zijn hier kogelregens, handgranaten, schreeuw- en vechtpartijen ’s nachts, maar iedereen kent elkaar, zwaait naar elkaar. Het is hier dorps én stedelijk.”

Terwijl hij enthousiast doorvertelde bleef ik even hangen bij de handgranaten. Eerder die dag had een medewerker van de coffeeshop aan de overkant van de straat verteld dat het nogal saai was in deze straat, en dat er nooit iets gebeurde.

“Ha,” zei Kusters, toen ik hem ernaar vroeg. “Bij die coffeeshop zijn een tijdje geleden binnen 24 uur twee handgranaten gevonden. Maar echt. Dit is toch de allermooiste plek van de binnenstad om te wonen? Je vindt hier gewoon alles. Er zijn hier hoeren, miljonairs, yuppen, krakers, Kamerleden en noem maar op.”

En het was dat moment, nu een jaar geleden, dat voor mij de ontdekking van de Spuistraat begon.

Het was Kusters die me er met zijn verhalen aan herinnerde dat wat ik zo geweldig vond aan de stad toen ik er twintig jaar geleden naartoe verhuisde, helemaal niet verdwenen was. Dat er, als je wilt, in de stad eigenlijk iedere dag, op iedere straathoek, een hele wereld te ontdekken valt. Zelfs op plekken waar je al honderden keren achteloos langs bent gefietst. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken.

Vlak na mijn ontmoeting met Kusters ging als gevolg van corona eerst de horeca dicht, daarna de rest van het land. Maar de Spuistraat sleepte mij door deze tweede lockdown heen, en door de maanden die volgden. Als ik ook maar even de kans had, fietste of wandelde ik de 1071,4 meter, om de straat waar ik zelfs ooit nog had gestudeerd na al die jaren eindelijk te leren ­kennen.

De hoeren, miljonairs, yuppen, krakers, Kamerleden en noem maar op: na het gesprek met Kusters kreeg ik zin om ze allemaal te ontmoeten, en me te laten overdonderen door de stad – met al zijn karakters, historie, eigenaardigheden en problemen.

Tussen het begin en het einde vind je van alles, van restaurants en kopieerwinkels tot nagelstudio’s en collegezalen.   Beeld Jasmine de Vries
Tussen het begin en het einde vind je van alles, van restaurants en kopieerwinkels tot nagelstudio’s en collegezalen.Beeld Jasmine de Vries

De Spuistraat bleek inderdaad geen duidelijk profiel te hebben. Je kan er terecht voor haute couture en vintagekleding. Je koopt er een scooter, magische paddenstoelen of vinylplaten. Er zijn coffee- en tattooshops, en winkels met namen als Souvenirs Extra Discount of Top 10 GSM & Tobacco. Bij andere zaken moet je juist weer raden waarvoor je er terechtkunt: Oh You Pretty Things (kapper), United Nude (schoenen) of Otaking (Japanse speelgoedautomaten). Dan is er weer een cluster met vapeshops en verderop meerdere beautyzaken op een rij: Dermalogica, Nail Salon MB, The Hair Extension Bar.

Het was als een lang, uitgerekt, onoverzichtelijk en onoverdekt winkelcentrum. Wat verloederd, maar charmant, met bovendien een rijk horeca-aanbod. Het was me nooit opgevallen, maar de Spuistraat bleek vol restaurants te zitten. Als je wil, kun je binnen een kilometer van Argentinië naar India, Nepal, Japan, Pakistan of de autonome regio Baskenland ­reizen. Je zou in Indonesië, Thailand of Frankrijk kunnen eten en tussendoor een uitstekend Italiaans broodje van Caldi e freddi kunnen bestellen.

Halverwege de Spuistraat, voorbij de stoplichten, zit een mondain tussenstukje dat niet goed bij de rest van de straat lijkt te horen. En juist daardoor weer wel. Daar, ter hoogte van de Dam, vind je het luxueuze W Hotel aan de ene kant – ook al met een zwembad op het dak – en ­conceptstore X Bank aan de andere kant.

Loop je iets verder door, dan sta je ineens weer voor het atelier van Ashok Badra, een Indiër die na een carrière in Bollywood terecht was gekomen in Amsterdam en in de minuscule ruimte met een traditionele Japanse techniek lampen en meubels maakt. Daar was veel over te vertellen, maar toen ik er eens naar binnenliep ging het vooral over de groene halsbandparkiet die hij in een kleine, zelfgemaakte houten kooi had zitten. Hij had de vogel die ochtend gewond in zijn tuin gevonden en maar meegenomen, zodat hij hem kon laten rusten en ­herstellen.

Dit was de Spuistraat: het had iets onbestemds en totaal versnipperds. Het was een eclectische stedelijke mix, waarbij je nooit precies wist wat je kon verwachten. Het klopte van geen kant. Citymarketeers en stedenbouwkundigen zouden er waarschijnlijk gek van worden.

Het was hier onvoorspelbaar, in een stad die steeds voorspelbaarder leek te worden.

De blauw-gele gevel van Vrankrijk, dat in 1982 werd gekraakt om het te redden van de sloop en nu wordt gebruikt als woon-werkpand. Beeld Jasmine de Vries
De blauw-gele gevel van Vrankrijk, dat in 1982 werd gekraakt om het te redden van de sloop en nu wordt gebruikt als woon-werkpand.Beeld Jasmine de Vries

“Dit is een verschrikkelijke straat,” zei Tom Kellerhuis, hoofdredacteur van HP/De Tijd, het maandblad dat hij vanaf een kantoor in de Spuistraat samenstelt, toen ik hem eens sprak. “Voor corona was het echt een hel, met die toeristen en hun rolkoffers. Kijk, dit hoorde je de hele dag,” zei hij, en hij stak een vinger in de lucht, waarna een paar seconden later een bouwvakker met een waterstofzuiger voorbij rolde. “Maar, nou ja, dan dus van een ­rolkoffer.”

Goed, hij woonde dan verderop in de straat, maar hij hoopte dat hij snel weg zou zijn. “Vroeger was het anders,” zei Kellerhuis, en hij toonde het messingplaatje aan zijn sleutelhanger met ‘no. 145’ en de afkorting ‘C.G.D.D.K.’ – het Cultureel Genootschap De Donkere Kamer, een club met veel kunstenaars die eind jaren tachtig in de straat zat.

Ja, vroeger, en dat alles altijd anders wordt. Daar had iedereen verhalen over.

Ook Walter P5 – zijn bijnaam, naar het dienstgeweer van de politie, waar hij weleens in de loop van heeft gekeken – die nog steeds in Vrankrijk woont. Het plukje haar op zijn voorhoofd is het laatste restant van zijn hanenkam. “Tegenwoordig is hier geen leegstand meer, daar hebben we wel voor gezorgd met onze kraakacties. Maar het is ook saaier. De studenten die plaats hebben gemaakt voor Soho House brachten meer reuring. En ik zag laatst Theo Hiddema lopen. Als hij hier in de jaren tachtig had gelopen, hadden we hem kapot geslagen. Nu gaat het allemaal samen.”

“Ik heb de straat zien veranderen,” zei de barman van Boysclub 21, het homobordeel dat al meer dan veertig jaar op nummer 21 zit. Terwijl op een vrijdagavond de muziek van de Vengaboys aanstond, op drie schermen porno werd afgespeeld en op een barkruk verderop een man zat die speciaal uit Duitsland was komen rijden en nu een schoudermassage kreeg van een knappe jongeman, ­vertelde de barman over de buurtwinkeltjes en delicatessen­zaken die de afgelopen jaren zijn verdwenen. Kapper Boudewijn zit niet meer in de steeg, Jan de sigarenboer is weg en Denny de slager vertrokken. Ook Boysclub 21 staat al een tijdje te koop. “Vroeger zaten hier vier van dit soort zaken, nu zijn wij de enige in Nederland met een vergunning. Ooit zagen mensen Amsterdam als gay capital, nu gaan ze naar Praag of Barcelona.”

Voorheen kwamen mensen naar Amsterdam omdat ze alleen hier zichzelf konden zijn, nu waren er ook andere plekken. Dat zou je vooruitgang kunnen noemen, maar Gerson van Eck van Gaycafé Prik, dat sinds 2006 in de Spuistraat zit, bleek allesbehalve vooruitgang te ervaren. Bij Prik hadden ze steeds meer te maken met overlast, zei hij, vooral van taxichauffeurs en jongens op scooters, die antihomo­leuzen naar hun klanten schreeuwen.

Grotestadsproblemen, in de grote ­Spuistraat.

Oud-vrachtwagenchauffeur Jan Stoete voor zijn huis; in de oorlog zat in het pand een illegale drukkerij . Beeld Jamine de Vries
Oud-vrachtwagenchauffeur Jan Stoete voor zijn huis; in de oorlog zat in het pand een illegale drukkerij .Beeld Jamine de Vries

Vanaf het bankje voor De Barones zie ik de 82-jarige Jan Stoete, oud-vrachtwagenchauffeur en groot circusliefhebber, aan de overkant van de straat lopen. Hij en zijn vrouw Marianne wonen sinds 1995 in de Spuistraat, in het huis waar in de oorlog een illegale drukkerij zat, in een pand dat door stripauteur Marten Toonder werd gehuurd. Daarom staat de Olivier B. ­Bommel-spreuk ‘Als je begrijpt wat ik bedoel’ nog steeds groot op het raam.

“Je moet wel een stadsmens zijn als je in de Spuistraat wil wonen. Je hoort hier geen vogel, het enige groen is de boom,” had Marianne gezegd toen ik bij hen ­koffiedronk, en haar man had geknikt.

Stoete blijkt onderweg om bloed te prikken bij het OLVG, verderop in de Spuistraat. Hij wandelt op zijn gemak tussen de razende fietsers. Vindt hij het niet vreemd dat er nooit iemand om zich heen kijkt?

“Ach, haast, haast, haast. Ze kijken op dit tijdstip nooit ergens naar,” zegt hij. “Ze komen te laat uit hun vlooienbanken. Onder hun vette lappen vandaan.”

Volgens Stoete is het ziekenhuis een oud schoolgebouw, waar hij vroeger nog les heeft gekregen. Dat was rond 1953 – het jaartal herinnert hij zich vanwege de Watersnoodramp. “Destijds was de Spuistraat een zooitje. Dit alles was het domein van de bodediensten en alles stond hier helemaal vol.” Overal lagen volgens Stoete stapels vracht op het trottoir, en naast de vele auto’s werden zelfs nog paard en wagen ingezet. O, en er reed nog een tram door de straat.

De tram is weg, de paarden ook. Net zoals de gracht is verdwenen, sinds 1867, waarna ook de naam Nieuwezijds Achterburgwal verdween. De oorlog is voorbij, Herman Brood is al twintig jaar dood. De krakers hebben plaatsgemaakt voor anti-krakers, C.G.D.D.K bestaat niet meer. Café The Doors is er trouwens ook niet meer, maar dat is omdat de gelijknamige band ooit heeft geklaagd, waardoor het nu The Palace heet. Wel hangt er nog een bordje met ‘The Doors is open, when the doors are open’ op de deur. Waarschijnlijk zal de seks wel uit het straatbeeld verdwijnen, de studenten waarschijnlijk ook.

De stad verandert nu eenmaal, maar laat ook altijd zijn sporen achter. En in de Spuistraat lijkt die gelaagdheid beter zichtbaar te zijn dan in de rest van de stad. De Spuistraat is alles wat de stad fantastisch én ergerlijk maakt, in het nu en in het verleden. Het is Amsterdam in het klein, waar nog zo veel te ontdekken valt, als je maar om je heen kijkt.

Op een avond, het was al laat, zag ik Frank Kusters weer achter zijn raam zitten, starend naar zijn Excelsheets. Toen ik op zijn raam klopte schrok hij weer, maar hij vroeg of ik binnen wilde komen. We dronken eerst een Irish Senseo en daarna een glas whisky in een champagneglas, en ik vertelde hem dat ik, doordat ik de Spuistraat had ontdekt, de stad had herontdekt. Kusters knikte. “Ondanks dat ik één keer per week een gieter met gekookt water over de trap moet gieten om de kots weg te krijgen,” zei hij, “is naar de Spuistraat verhuizen de beste stap in mijn leven geweest.”

Meer over