PlusExclusief

Twee jaar na het Black Lives Matter-protest op de Dam: ‘Het is cruciaal dat ook witte mensen zich uitspreken’

De moord op George Floyd twee jaar geleden was de aanzet tot wereldwijde Black Lives Matter-protesten tegen racisme en politiegeweld. In Amsterdam werd op de Dam gedemonstreerd. Wat is er sindsdien veranderd? ‘Dit is slechts het begin.’

Raounak Khaddari en Gijs Verhoef
De Black Lives Matter-demonstratie op de Dam, 1 juni 2020, naar aanleiding van de moord op Amerikaan George Floyd. Beeld ANP/Kick Smeets Fotografie
De Black Lives Matter-demonstratie op de Dam, 1 juni 2020, naar aanleiding van de moord op Amerikaan George Floyd.Beeld ANP/Kick Smeets Fotografie

Het was hartje corona, er waren gele stippen op de grond geverfd om de anderhalve meter afstand te bewaren, maar niemand deed iets met deze gegevens tijdens het protest tegen racisme op de Dam op 1 juni 2020. Demonstranten voelden allemaal hetzelfde: de noodzaak om samen een vuist te maken tegen racisme en politiegeweld was groter dan de angst voor een virus. Van het paleis tot het oorlogsmonument en van de Kalverstraat tot de Nieuwendijk, de Dam stond helemaal vol.

Er waren zo’n tienduizend mensen naar het plein gekomen. Ze brachten borden mee met daarop teksten als ‘Black lives matter’ en ‘The future is coloured’. De moord op George Floyd, de zoveelste in een trits vergelijkbare zaken waarbij zwarte Amerikanen het leven lieten door politieoptreden, was de aanleiding voor deze eerste demonstratie. Er volgden meerdere in Amsterdam en daarbuiten.

Twee jaar is kort om daadwerkelijke veranderingen te constateren, zegt onderzoeker Hanneke Felten die gespecialiseerd is in effectief discriminatie bestrijden. “Wat je wel ziet is dat het thema racisme sindsdien op de agenda staat. We krijgen veel meer vragen van gemeenten en andere partijen over wat ze kunnen doen in het tegengaan van racisme en wat daarin effectief is. Drie jaar geleden was dat veel minder. Het thema racisme was veel meer taboe. Daarmee zijn racisme en discriminatie overigens niet opgelost hé, dit is slechts het begin.”

Withuiswerk.nl

Voor Mila Holtslag (32) waren de BLM-protesten in Amsterdam een wake-upcall. “Ik dacht dat het in Nederland wel meeviel, tot ik zag hoeveel mensen leed werd aangedaan. In Het Parool stond in de weken erna ook een artikel waarin zwarte mensen vertelden hoe zij uitgesloten werden in het dagelijks leven. Een uitspraak is me bijgebleven. Een jonge jongen vertelde dat als hij met een blond meisje op de foto ging, anderen riepen ‘dat zij van negers houdt’. Ik ben die uitspraak nooit meer vergeten. En me ook bewust geworden van mijn eigen positie. Op withuiswerk.nl heb ik veel gelezen over dit onderwerp en eigenlijk hoop ik dat we weer gaan protesteren met z’n allen, zodat we steeds meer mensen bereiken, zoals het mij ook heeft bereikt.”

Ook Mel Opti (zie kader) heeft het gevoel dat de demonstraties iets hebben opgeleverd. “Je voelt dat er iets is veranderd. Mensen durven het ongemak te bespreken en juist de verschillen van elkaar te benoemen. Voorheen was het moeilijk om kleur te benoemen en nu wordt ‘zwart’ steeds meer omarmd.”

Landelijk zijn er zichtbare slagen gemaakt in de afgelopen twee jaar. Een maand na het eerste protest in Nederland, op 1 juli 2020, zijn er tijdens een Kamerdebat over institutioneel racisme drie moties aangenomen over de instelling van een Nationaal coördinator discriminatie en racisme en een Staatscommissie discriminatie en racisme.

Gigantisch probleem

In een brief aan de Kamer aan het einde van 2020 schrijft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren, dat ‘de urgentie om discriminatie en racisme daadwerkelijk terug te dringen in de samenleving en de politiek steeds indringender wordt gevoeld’. En dat een gecoördineerde aanpak vanuit de overheid noodzakelijk is. Sinds oktober vorig jaar heeft Nederland een Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme: Rabin S. Baldewsingh. Ook is er een motie aangenomen om het thema racisme in schoolprogramma’s te integreren.

In de praktijk zien betrokken onderzoekers ook verandering. Het woord racisme durft men inmiddels in de mond te nemen. Mensen – niet alle mensen – zijn zich meer bewust van een gigantisch probleem in de samenleving dat verder gaat dan het handelen van een individu alleen, benadrukt Amma Assante, die onderzoek doet naar institutioneel racisme bij landelijk kennisinstituut Movisie. Assante ziet dat er meer middelen beschikbaar worden gesteld – vaak geld – om dit probleem aan te pakken. Ze wijst echter ook direct op de manier waarop sommige bedrijven denken discriminatie en racisme binnen hun organisatie aan te pakken.

“Trainingen en cursussen tegen racisme en discriminatie binnen bedrijven kunnen niet het startpunt zijn,” zegt Assante. “Dat is de omgekeerde wereld. Als je als organisatie niet bewust bent op welke manier jouw regels en afspraken en processen bijdragen aan uitsluiting dan is het nog maar de vraag waar je op gaat trainen. Waar zijn die cursussen dan op gericht? Het moet beginnen bij grondig onderzoek. Daarna weet je wat er niet goed gaat en kun je interventies plegen.” Assante wijst naar de kinderopvangtoeslagaffaire waarbij racisme in het systeem verweven was.

“Je moet het niet persoonlijk maken en niet kijken naar wat incidentele werknemers doen. Daar zijn trainingen vaak op gericht; dat je je vooroordelen leert herkennen. Maar als een individu die kent en de structuren binnen een organisatie nog steeds bijdrage aan uitsluiting, wat moet je dan doen met de kennis over je vooroordelen? Dan ben je nog steeds onderdeel van een organisatie waarin het structureel en systematisch niet goed gaat.”

Normgroep

Wie zelf wat wil doen, doet er goed aan zich in te lezen en vooral niet te zwijgen, want twee jaar later zijn er nog steeds racisme en discriminatie in de samenleving. Sterker: het aantal meldingen van discriminatie is vorig jaar toegenomen, blijkt uit een rapport van kenniscentrum Art.1 in opdracht van de politie en het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ook het College voor de Rechten van de Mens en de Nationale ombudsman krijgen meer meldingen en verzoeken dan voorheen.

Bij gemeenten kwamen, via de onafhankelijke antidiscriminatiebureaus die zij verplicht moeten hebben, vorig jaar 6922 discriminatiemeldingen binnen: ruim een kwart meer dan een jaar eerder. Ook de documentaire De blauwe familie over racisme binnen de politie, die maandag werd uitgezonden, laat ziet dat uitgesloten of gepest worden op basis van afkomst geen uitzondering is in Nederland.

Felten: “De normgroep moet zich uitspreken. Je ziet dat als het gaat over racisme, het cruciaal is dat ook witte mensen zich uitspreken. Als het gaat om homofobie is het belangrijk dat heteroseksuelen zich uitspreken. De normgroep heeft invloed op de normgroep. Zij kunnen van binnenuit ervoor zorgen dat de anderen die ook tot die normgroep behoren aan het denken worden gezet.”

Mel Opti: ‘In veel situaties ben ik de enige persoon van kleur. Hier stonden alle kleuren naast elkaar.’  Beeld Sophie Saddington
Mel Opti: ‘In veel situaties ben ik de enige persoon van kleur. Hier stonden alle kleuren naast elkaar.’Beeld Sophie Saddington

Mel Opti (24), filmmaker:
‘Je voelt dat er iets is veranderd. Mensen durven het ongemak te bespreken’

“Het was een intense en heftige periode. Het was heftig om de beelden waarop George Floyd gedood werd, te zien. Voor mij is het niks nieuws, ik heb dit soort beelden al heel vaak gezien.

Ik herkende mezelf in die beelden. Maar ik herkende ook familieleden. Het had ook mijn vader, oom of neef kunnen zijn. Je ziet iemand doodgaan en hij schreeuwt om hulp. Het heeft veel mensen geraakt, omdat je de machteloosheid van deze man zag.

Het protest was heel bijzonder. Wat er ontstond op de Dam was voor mij magisch. Ik voelde heel veel liefde en verdriet. We hebben met z’n allen iets gezien wat pijn doet en wat ons boos maakt. Op zo’n protest kan je dat samen delen.

Het was bevrijdend om te zien dat je met meer bent. In veel situaties ben ik de enige persoon van kleur. Hier stonden alle kleuren naast elkaar. Dat vond ik zo fijn. Er was niet een groep die zich toen uitsprak, maar we deden het samen.

Van jongs af aan word ik erop gewezen dat ik zwart ben. Ik heb altijd al te maken gehad met racisme. Op de Dam had ik het gevoel dat ik daar voor het eerst bij stil mocht staan. Het was voor het eerst dat ik het verdriet van alledaags racisme mocht voelen en de woede die daarbij komt kijken te uiten.

Je voelt dat er iets is veranderd. Mensen durven het ongemak te bespreken en juist de verschillen van elkaar te benoemen. Voorheen was het moeilijk om kleur te benoemen en nu wordt ‘zwart’ steeds meer omarmd. Zeggen dat iemand zwart is, is positief.”

Rudy Asibey: ‘Het was geen vraag of ik naar dat protest zou gaan. Er moest iets veranderen.’ Beeld Sophie Saddington
Rudy Asibey: ‘Het was geen vraag of ik naar dat protest zou gaan. Er moest iets veranderen.’Beeld Sophie Saddington

Rudy Asibey (31), schrijver en marketeer:
‘In de politiek, in schoolsystemen en op de werkvloer zie ik er nog weinig van terug’

“Ik ben het zat om dit soort beelden opnieuw te zien. Op deze gruwelijke beelden is te zien dat iemand negen minuten op de grond wordt gehouden met een knie in z’n nek. Als ik erover nadenk word ik weer emotioneel. Hier kan je niet omheen, dit is heel racistisch.

De moord op George Floyd heeft mij gemotiveerd om meer te vertellen over mijn achtergrond en hoe ik racisme ervaar als zwarte vrouw. Het was geen vraag of ik naar dat protest zou gaan. Er moest iets veranderen.

Toen ik naar de Dam fietste vroeg ik mij af waarom het zo druk was in de stad. Hoe dichter ik bij de Dam kwam, hoe drukker het werd. Toen bleek dat zo veel mensen dezelfde kant op gingen. Voor iemand die te maken heeft met racisme was dat superemotioneel. Je zag iedereen staan: zwart, wit, alles door elkaar. Je voelde je vertegenwoordigd.

Het was prachtig en heel gek. Gek omdat je in een pandemie zoiets doet. We hadden allemaal vette schijt, dit was belangrijker. Je voelde: hier gaat iets veranderen. Toen voelde ik dat echt. Dit was voor het eerst dat onze boodschap de mensen bereikte die bereikt moesten worden.

Het heeft zeker zin gehad. Op veel fronten is er iets veranderd, maar op veel fronten ook niet. Veel mensen zijn wakker geschud en willen meer leren over het probleem. En er worden binnenshuis gesprekken gevoerd die eerst niet gevoerd werden.

Maar in de politiek, in schoolsystemen en op de werkvloer zie ik er nog weinig van terug. Er is verandering gekomen, maar het is nog niet de systematische verandering die we nodig hebben.”