Stadsgezicht (1934) van Carel Willink: zijn spookachtige interpretatie van de gevel van Vondelstraat 13.

PlusReportage

Stedelijk decor met een sinistere sfeer: de Amsterdamse huizen van schilder Carel Willink

Stadsgezicht (1934) van Carel Willink: zijn spookachtige interpretatie van de gevel van Vondelstraat 13.Beeld Carel Willink

Op zijn schilderijen modelleerde Carel Willink vaak gevels naar huizen die hem opvielen tijdens zijn wandelingen rond het Rijksmuseum. Keurige woningen liet hij veranderen in spookhuizen. Biograaf Rémon van Gemeren bracht het mysterieuze decor in kaart.

Edo Dijksterhuis

In het winterzonnetje oogt het witte gebouw op de hoek van de Stadhouderskade en P.C. Hooftstraat opgeruimd en onschuldig. Heel anders dan in De zeppelin (1933) van Carel Willink (1900-1983). Op dat schilderij hangen boven het hoekpand donkere wolken en het luchtvaartuig uit de titel. Op straat geen spoor van het verkeer dat er nu bumper aan bumper voorbijrijdt, maar vier zwaaiende mannen. Dat Willink deze voorstelling schilderde in het jaar dat Hitler aan de macht kwam en de zeppelin gemodelleerd is naar een Duits exemplaar, versterkt de sfeer van dreiging die bijna van het doek afdruipt.

“Hier heeft Willink gestaan om het pand te fotograferen,” wijst Rémon van Gemeren naar de stoep langs het water. “Er is sindsdien een verdieping op gebouwd en Willink heeft in zijn weergave de gevel versoberd, maar het is nog steeds direct herkenbaar. En dat geldt voor veel plekken in zijn schilderijen. Meer dan tien zijn met zekerheid te herleiden naar adressen in Amsterdam.”

‘Timmermansstijl’

Een flink aantal daarvan komt aan bod in Amsterdam door de ogen van Carel Willink. Deze kruising tussen wandelgids en kunstenaarsportret komt voort uit het onderzoek dat Van Gemeren doet voor zijn Willinkbiografie, die eind 2022 verschijnt. “Ik wil vooral laten zien hoe Willink werkte, hoe hij elementen uit de werkelijkheid bij elkaar zette en er een draai aan gaf.”

Willinkhuizen zijn een fenomeen onder kunsthistorici. “Het zijn over het algemeen onopvallende gevels, waar de meeste mensen zo aan voorbij zouden lopen,” vertelt Van Gemeren. “Ze stammen uit de tweede helft van de negentiende eeuw en Willink vond ze zelf eigenlijk heel lelijk. Timmermansstijl noemde hij de architectuur uit die tijd, waarin klassieke stijlen werden nagebootst. Ook het Rijksmuseum vond hij vreselijk, maar hij keek er vanuit zijn woning wel bijna een halve eeuw op uit.”

Kleine actieradius

“Willink had een haat-liefdeverhouding met Amsterdam,” vervolgt Van Gemeren. “Grote delen van de stad vond hij verschrikkelijk en later in zijn leven was het hem ook veel te druk. Maar buiten korte periodes in Delft en Den Haag en bijna drie jaar in Berlijn, heeft hij zijn hele leven in Amsterdam gewoond. Hij was extreem honkvast. Zijn geboortehuis aan de Weteringschans en de plek waar hij overleed, liggen nog geen tweehonderd meter uit elkaar. Zijn actieradius was niet heel groot en de reislust werd naarmate hij ouder werd steeds minder. De buurt rond het Rijksmuseum was echt zijn habitat.”

De schilder had een vaste routine. Hij begon zijn dag met een paar uur achter de ezel en ging ’s middags door tot de schemering – ’s zomers maakte hij lange dagen. Tussen de middag deed hij boodschappen en ’s avonds zette soms koers richting centrum. De schouwburg, het Americain en café Schiller waren geliefde bestemmingen.

Op zijn wandelingen nam Willink soms een camera mee. “Hij had een donkere kamer in zijn atelier en ontwikkelde zijn foto’s zelf. Hij vereeuwigde niet alleen huizen, maar ook de neoclassicistische standbeelden uit de tuin van het Rijksmuseum. Die heeft hij soms meerdere keren gebruikt in zijn werk, maar dan afgebeeld in Zuid-Europese landschappen of gecombineerd met ruïnes. Hij bewaarde veel bronmateriaal. Hij bewaarde alles en zijn weduwe heeft zijn atelier na zijn dood intact gehouden. Voor een biograaf is het een goudmijn.”

Griezelige straat

Sylvia Willink, de vierde en laatste echtgenote van de schilder, maakte voor Van Gemerens boek nieuwe foto’s van de gebouwen die op de doeken figureren. Geplaatst naast de soms tachtig jaar oude foto’s van Willink zelf, valt op hoezeer de stad veranderd is. Maar ook hoe herkenbaar en tegelijkertijd totaal vreemd de straten van Oud-Zuid op Willinks canvas terechtkwamen.

De kunstenaar zocht een bepaalde sfeer en vergrootte die uit. “De Vossiusstraat vond hij bijvoorbeeld heel griezelig en unheimlich,” zegt Van Gemeren als we de rijstrook langs het Vondelpark inslaan. “Willink was een liefhebber van de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe. In zijn verhalen voelt het ook niet helemaal goed, zonder dat je precies kunt aangeven waardoor dat komt.”

Willink achtte het atmosferisch potentieel van de Vossiusstraat blijkbaar zo groot, dat hij de locatie twee keer afbeeldde. Op Fuga monialium (1967) zijn links duidelijk de nummers 4 tot en met 12 te zien, maar achter sommige gevels lijkt het interieur te zijn weggeslagen en boven de daken wervelt een tornado. Waar je de Van Baerlestraat verwacht, rijst een in nevelen gehulde berg op. Dat Willinks toenmalige vrouw Mathilde niet één maar twee keer naakt en met een wezenloze blik op het plaveisel staat afgebeeld, maakt het mysterie compleet.

Post-apocalyptische wereld

Het gele huis (1934), een van Willinks bekendste werken, is ook geënt op de Vossiusstraat. “Lange tijd werd gedacht dat het pand op nummer 52-53 model had gestaan, en het management van het hotel dat er nu zit denkt dat nog steeds. Ze hebben een kopie van het schilderij in de lobby hangen,” vertelt Van Gemeren. “Maar een kunsthistoricus ontdekte dat Willink de identieke gevels van nummer 54-55 heeft gebruikt.”

In het schilderij staan ze niet midden in een net rijtje, maar eindigt de bebouwing na de erker van nummer 55 abrupt. De straat loopt niet dood zoals hij in werkelijkheid doet, maar mondt uit in een groot, leeg plein. “Het is heel sinister en je vraagt je af of er in dit Amsterdam überhaupt nog mensen in leven zijn,” observeert Van Gemeren. “Je kunt er de suggestie van een post-apocalyptische wereld in zien. Onbehaaglijk is de sfeer in elk geval, en dat heeft Willink versterkt door de gevel, die in het echt rood-wit is, uit te voeren in geel. Dat was de kleur die hij het meest verafschuwde.”

Imaginair realisme

Willinks werk wordt vaak een voorspellende waarde toegekend, zeker de schilderijen die hij maakte in de jaren dertig, zoals De zeppelin en Het gele huis. “Maar dat is de grootste mythe over zijn kunstenaarschap,” stelt zijn biograaf. “Hij voorvoelde de oorlogsdreiging, maar hij heeft in interviews heel vaak herhaald dat hij geen profeet is. De somberte en dreiging in zijn werk zijn een uiting van een levensgevoel. Ook na de oorlog bleef hij dezelfde thema’s uitbeelden. Willink was een pessimistische man, die de aftakeling van de wereld zag en vond dat de mens geneigd was tot het slechte.”

De in vervreemding gedrenkte vorm die dat bij hem krijgt, werd en wordt door kunstbeschouwers vaak aangeduid als ‘magisch realisme’. Maar Willink had een hekel aan die term, weet Van Gemeren. “Hij zei: aan mijn werk komt geen magie te pas. Hij gebruikte de werkelijkheid en vulde die aan met fantasie. Fantastisch realisme vond hij dan ook beter passen. Een Frans tijdschrift muntte ooit de term ‘imaginair realisme’. Dat vond hij ook mooi.”

Dwangmatig

Op het einde van zijn leven was Willink, mede door de ruime aandacht die de roddelpers besteedde aan zijn huwelijk met de excentrieke Mathilde, de beroemdste kunstenaar van Nederland. Maar onder de avant-garde was het not done zijn werk goed te vinden. Het naschilderen van foto’s vonden ze fantasieloos, en Willinks ambachtelijke stijl gedateerd.

Hij kon echter niet anders. Het steentje voor steentje naschilderen van zijn omgeving had bijna iets dwangmatigs. Van Gemeren: “Zelf zei hij ooit: ik ben dodelijk verliefd op de werkelijkheid. Hij leed onder het verval van allerlei dingen, maar de schoonheid van wat hij zag, was het enige dat hem op de been hield.”

Rémon van Gemeren: Amsterdam door de ogen van Carel Willink, W Books, €24,95.

Meer over