PlusExclusief

Schrijver Jonathan van het Reve (38): ‘Ik wil altijd dingen kapotmaken’

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Schrijver Jonathan van het Reve (38), zelfbenoemd comedy-ambtenaar, ziet bij alles meteen wat er mis kan gaan – en maakt zich dus continu zorgen. ‘Als kleuter rende ik al de hele dag naar de juf om te klikken.’

Marcel Wiegman

Vroeger vond hij het al ver om van zijn huis in De Pijp helemaal naar de Indische Buurt te fietsen. Maar ja, hoe gaat dat? Je wordt ouder en wilt ook weleens een leven zonder boven- en benedenburen, dus tegenwoordig woont schrijver en televisiemaker Jonathan van het Reve met zijn gezin op een betonningsvaartuig in Noord, in 1952 gebouwd om boeien te leggen op de Waddenzee.

Voorzien van ‘alle moderne comfort, waaronder centrale verwarming en een ijskast’, wist de krant destijds te melden. Een schattig bootje. Vorige zomer is hij er met vrouw en kinderen nog mee naar Texel gevaren.

Een beetje spannend was het wel, moet hij toegeven. Maar hé: “Met zo’n boot gaat alles in slow motion. Als het misgaat, heb je nog alle tijd om je schrap te zetten.”

Van het Reve was jarenlang columnist voor Het Parool, Vrij Nederland en de Volkskrant. Tegenwoordig is hij schrijver voor het dagelijkse televisieprogramma De avondshow met Arjen Lubach. Een ‘comedy-ambtenaar’, zegt hij zelf. Elke dag om half negen op kantoor in Hilversum. Eerst vergaderen onder een systeemplafond, dan grappen verzinnen en stukjes schrijven. Om twaalf uur moet de eerste versie voor de uitzending van die avond op papier staan.

De meeste mensen hebben er een ­romantischer beeld van.

“Dat kan ik me voorstellen.”

Fles op tafel.

“Er wordt niet gezopen of gerookt.”

Elke dag paniek.

“Nooit paniek, hooguit een beetje frustratie als je iets niet kunt vinden. Het is leuk, het is hard werken. Er is de druk van de deadline, maar nooit stress en nooit ruzie. Een oase. Iedereen weet wat hij moet doen. Terwijl je ’s avonds beneden in de studio al het publiek hoort joelen, zijn wij de eindgrap nog aan het schrijven.”

Waar ken je Arjen Lubach van?

“Ik heb hem ontmoet op een literair ­festival, waar we beiden voorlazen uit eigen werk. Jaren later, in 2014, stuurde hij me een dm: ik wil een televisieprogramma gaan maken, wil je komen praten? Het plan was dat ik op dinsdag een column zou schrijven over het nieuws. Hij had Tex de Wit en Diederik Smit geregeld om er in de loop van de week iets grappigs van te maken voor Zondag met Lubach.”

Jij was de serieuze?

“Totdat bleek dat Tex en Diederik ook een mening hadden en ik ook grapjes kon maken. En dat het veel meer werk was dan we dachten. Vanaf dat moment zijn we alles samen gaan doen, fulltime. Grappen maken op tv, dat is nu gewoon mijn werk. Het kernteam bestaat nu al zeven jaar.”

Wat is de toverformule van goede ­satire?

“Die is er niet. Je gaat zitten en begint. Je denkt: we moeten iets met Oekraïne, iets met, pak ’m beet, dat bombardement op een kinderziekenhuis. Niet grappig, ongeveer het minst grappige wat er is. Maar het is er wel. Dus je gaat kijken:­ f­ilmpjes van de NOS, filmpjes van RTL, filmpjes op krantensites, en dan valt je op dat ze allemaal de naam van dat ziekenhuis op een rare manier uitspreken. Dan heb je opeens een vormpje waarin je het onderwerp kunt bespreken en er toch nog iets te lachen valt.”

“Het is niet zo heel hoogdravend. Het is niet dat wij een ingewikkeld plan zitten te bedenken om de koers van de regering bij te sturen. Het is vaak opportunistisch: hier nog een lachje, daar mag er een woordgrap af. Doen we er een plaatje bij van een vent met een gekke snor. Blijkt het tijdens de opname net even anders te zitten met Linda de Mol of Ali B, dan schrijven Tex en ik nog snel een nieuwe opening en zeggen we tegen het publiek: blijf nog even zitten.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Na de novelle De boot en het meisje uit 2007 schreef Jonathan van het Reve eindelijk zijn tweede boek: Fidelio leeft nog. Over Fidelio, de presentator van een satirische show op televisie. Als twee gemaskerde mannen zijn redactie binnendringen en iedereen behalve hem doodschieten, besluit hij de show in zijn eentje voort te zetten. Opeens is hij een superster.

Maar als de tijd verstrijkt, krijgen de mensen er langzamerhand genoeg van. Ze vinden dat hij zichzelf herhaalt en rechtse politici in de kaart speelt met zijn gefulmineer tegen de islam. En hoe komt het eigenlijk dat hij de aanslag als enige heeft overleefd? Wie waren de daders en waarom was juist zijn programma het doelwit?

Hoe moet ik het noemen? Een thriller?

“Ik weet niet of de uitgever dat zo’n goed idee vindt. Volgens mij weten ze ook niet zo goed wat ze ermee moeten. Ze hadden het over een satire over satire.”

Je wilt in elk geval weten hoe het ­afloopt.

“Ik moet eerlijk zeggen: dat spannende is een beetje per ongeluk gegaan. Ik zag vooral de komische situaties voor me: wat gebeurt er met de presentator van een ­satirische show als er een aanslag komt op zijn show en hij overleeft het?”

Wat is er zo lollig aan een aanslag?

“Goede comedy gaat altijd gepaard met iets naars. Elke situatie waar je geen grapjes over mag maken, heeft juist daardoor iets onweerstaanbaars. Grapjes over concentratiekampen zijn bijvoorbeeld heel makkelijk te maken. Het is moeilijker om uit te zoeken wanneer je ze kunt maken en of je ze moet maken. Maar makkelijk zijn ze altijd.”

En iedereen begint te lachen, ook al wil je niet.

“Precies. Op een begrafenis hoef je ook alleen maar een heel klein beetje lollige anekdote te vertellen en iedereen rolt van de bank. Humor, dat is mensen op het ­verkeerde been zetten. Bij een begrafenis staat iedereen op zijn treurbeen en daardoor valt elk grapje goed. Totdat je te ver gaat, natuurlijk.”

Je zult de achtergrond van je boek, een terroristische aanslag uit islamitische hoek, niet voor niets gekozen hebben.

“Niet omdat ik zo graag iets wil zeggen over terrorisme of over de islam. Daar heb ik heel lang columns over geschreven. Ik heb het gevoel dat ik dat nu wel gehad heb.”

Die indruk kreeg ik niet.

“Nee? Dat is jammer.”

Het boek gáát over een aanslag.

“Maar ik zeg niet meer wat de lezer ervan moet vinden. Ik ben niet van mening veranderd of milder geworden over de islam, maar nu ik wat ouder ben, heb ik minder het gevoel dat ik de antwoorden heb. Ik kijk met iets meer afstand naar het debat en kan daar ook om lachen. Ik zie er nu de komische kanten van.”

Zoals?

“Dat als er iets gebeurt, iedereen meteen in zijn rol kruipt. Iedereen zit al klaar: de aanslag is geweest en nu gaan we kijken wat Wierd Duk en Sigrid Kaag twitteren. Iedereen vindt dat zo’n aanslag verkeerd is en verschrikkelijk, maar is alleen maar bezig de ander op woorden te vangen. En dat dan met bloedserieuze koppen, net als ik vroeger. Ik vind dat hilarisch. En verschrikkelijk, want zo komen we geen stap verder.”

Je bent een twijfelaar geworden?

“Ik zie waarom terreur zo goed werkt: er is geen bevredigend antwoord op te geven. Moeten we na een aanslag zeggen: er is kwaad in de wereld, laten we van elkaar houden en ons richten op het goede? Of zeg je: misschien zouden moslims zonder de islam nog leukere mensen zijn? Het leidt alleen tot nog meer woede.”

Dus maak je er maar grappen over?

“Dat is in elk geval een leukere bezigheid. Grapjes maken is fijn als er iets heel erg aan de hand is. Terrorisme weerspiegelt het goed en kwaad van deze tijd, zoals de oorlog dat vroeger deed. Ik wil absoluut niet dat het hier oorlog wordt, maar ergens had ik het wel willen meemaken. Mensen van wie niet de hele familie is doodgemaakt, zeggen vaak over de oorlog: het was een spannende tijd en er gebeurde nog eens wat.”

Goede tekst voor de uitgever.

“Nee, dit wordt een publicitaire ramp.”

Je bent zelf gek genoeg nooit het slachtoffer geworden van een Twittercampagne.

“Daar was ik niet beroemd genoeg voor. Ik dacht weleens: nou ga ik er met gestrekt been in, nou zullen we ze horen. En dan kwam er weer niks.”

Teleurstellend?

“Ergens wel. Als je eenmaal beroemd bent en je laat een scheet, wordt iedereen kwaad. Van mij dachten ze alleen: wie is die gast ook alweer met die achternaam? Blijkbaar een lul. Dan werden ze niet kwaad, dan negeerden ze je. Misschien was ik ook wel te voorzichtig en te ­genuanceerd.”

Fidelio woont in de Watergraafsmeer. Toevallig woonde ook Theo van Gogh daar, die in 2004 werd vermoord door een islamitische terrorist.

“Ik heb die plek gekozen omdat daar alle Nederlandse cabaretiers wonen, als ze niet in Eindhoven wonen. Waar had ­Fidelio anders moeten wonen?”

Hoe heb je de moord op Van Gogh ­ervaren?

“Ik was 20, het was voor mij een soort overgangstijd. Ik vond het erg, ik weet nog waar ik was en wie ik belde. Maar vooral wat er daarna gebeurde, de aanslagen in Parijs op Charlie Hebdo en de Bataclan, hebben mijn blik veranderd. Dat ik dacht: het gaat niet zomaar weg, er is echt een groot deel van de wereld dat wordt opgenaaid om ons te haten.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

“Ik woonde in die tijd in een kamer boven Theodor Holman, zijn beste vriend. Ik kende zijn dochter Marscha, met wie ik geschiedenis studeerde en die nu mijn uitgever is. Theodor schreef in het jaar na de moord elke dag een column over Van Gogh in Het Parool. Ik weet nog dat mensen daar kwaad over werden. Dat ze zeiden dat hij daar een keer mee op moest houden. Dat hij ontslagen moest worden. Moet je je voorstellen: dat je nu terugkijkt en ontdekt dat er in 1673 iemand is ontslagen omdat die maar bleef schrijven over de moord op zijn vriend Johan de Witt in 1672.”

“Het is fascinerend. In mijn boek zeggen de mensen ook dat Fidelio een keer zijn kop moet houden. Ik hoor van mensen: grappig dat je hier nu over schrijft. Het voelt voor hen als iets van vroeger.”

Die gedachte bekroop mij ook.

“De aanslag op Charlie Hebdo was in 2015, Brussel was in 2016, Barcelona in 2017 en in 2019 zijn er nog vier mensen doodgeschoten in een tram in Utrecht. Het gaat in golven, maar het is niet weg.”

Je boek gaat ook over vrijheid van ­meningsuiting.

“Daar heb ik als columnist een bijna ­militant verleden in. Ook in dat opzicht ben ik niet van mening veranderd, al mogen mijn kinderen niet alles zeggen. Ik geloof nog steeds dat de grens ongeveer ligt bij het oproepen tot geweld, los van smaad en ­laster.”

Jouw generatie is de uitvinder van het wokisme.

“Je moet hier een goed onderscheid maken. Als ik de Holocaust ontken, kan ik juridische problemen krijgen. Als ik het woord ‘blank’ gebruik, loop ik hoogstens het risico dat mensen mijn stukken niet meer willen lezen, mijn boek niet kopen of op Twitter roepen dat ik stom ben. Dat is geen inperking van mijn vrijheid van meningsuiting. Dat zijn gewoon mensen met een andere mening.”

Tot ze je ontslag gaan eisen.

“Dat vind ik dan weer stomme mensen. Maar ik vind een columnist die erop staat elke week het woord ‘neger’ te gebruiken, terwijl hij weet dat hij mensen kwetst, ook stom. Waarom zou je? Je kunt toch wel een beetje meebewegen met de tijd? Het hangt er een beetje van af naar welke ­podcast je luistert, maar ik zie woke niet als een bedreiging. Mensen die vinden dat je mensen-met-een-piemel-wc moet zeggen in plaats van mannen-wc. Nou en?”

Het lijkt me een goede bron voor ­grappen.

“Veel te plat en te dom. Iets roepen over vrouwen met ongeschoren oksels. En dan zeggen dat je het niet mag zeggen. Tien jaar geleden had ik er nog om gelachen, maar nu vind ik dat niet zo grappig meer. De tijden zijn veranderd en ik ook.”

Niet meer de meningenmachine die je was als columnist?

“Ik heb ze nog steeds, hoor.”

Waar komt dat vandaan?

“Het zal wel in mijn karakter zitten. Ik wil altijd dingen kapotmaken. Als je mij vertelt dat je in Frankrijk gaat wonen, heb ik meteen tien gedachten over waarom dat een heel erg slecht idee is. Met de jaren heb ik geleerd om die in te slikken en zeg ik: wat ontzettend leuk, heb je dan een grote tuin? Maar ondertussen denk ik: je moet waarschijnlijk zo’n sanibroyeur en van die ondergrondse pleezooi. De ge­meente gaat alles tegenhouden en je vrienden zeggen wel dat ze snel langskomen, maar die ze je dus nooit meer terug. Ik zie meteen wat er allemaal misgaat.”

“Ik maak me gewoon de hele tijd zorgen. Als ik zie dat bij de buurman de tuinstoelen niet goed vast staan op het dek en er komt storm, dan zit ik me de hele middag op te vreten. Dan denk ik: hij kan toch ook het weerbericht zien, dit gaat niet goed, ze waaien in het water. Dat is mijn eerste reactie, mijn natuurlijke neiging.”

En toen dacht je: dan word ik maar ­columnist?

“Als kleuter rende ik al de hele dag naar de juf om te vertellen dat andere kinderen buiten de lijntjes kleurden. Een heel vervelende eigenschap. Kleuters die dat doen, zijn geen leuke kleuters. Maar inmiddels ben ik me ervan bewust en probeer ik het te onderdrukken en niet de hele tijd over alles te zeiken. Maar dat is wel mijn beginhouding.”

Zit dat in de familie?

“Je bedoelt: door het pesterige, analytische karakter van de columns van mijn opa ben ik ook zo gaan denken? Dat moet dan genetisch zijn, want als kleuter had ik die columns nog niet gelezen.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Zijn opa, dat is Karel van het Reve, hoog­leraar Slavische letterkunde en een van de beste essayisten van zijn tijd. Controversieel, scherp en nuchter. Kritisch over alles, maar vooral over de Sovjet-Unie en het communistische nest waaruit hij voort was gekomen. De broer van schrijver Gerard van het Reve, die hem als Joop van Egters opvoerde in zijn iconische boek De ­avonden.

Een compromisloze mopperaar.

“Maar hij wist het altijd vrolijk en ­luchtig te houden. Beter dan ik. Dat had ik heel graag willen kunnen. Als ik zijn columns nu lees, stoor ik me alleen een beetje aan de stijlfiguur die hij vaak gebruikte: jezelf iets dommer voordoen dan je bent, waardoor de indruk ontstaat dat je eigenlijk veel slimmer bent dan de rest. Nou was hij dat ook wel, maar toch denk ik soms: u – ik vousvoyeerde hem – u vindt het gewoon lekker te doen alsof u het niet snapt.”

Heb je hem goed gekend?

“Niet zo heel goed, want ik was 15 toen hij in 1999 doodging. Hij had parkinson en was al een tijdje aan het aftakelen. Serieuze gesprekken hebben we dus nooit gevoerd, maar ik weet nog goed dat we gingen varen op de Marius, zijn piepkleine plastic jachtje. Dat brachten we elk voorjaar van de winterstalling naar de jacht­haven en elk najaar weer terug. Maarten Biesheuvel ging ook altijd mee. Op dat bootje hielden we onze zeilvakanties toen ik klein was. Ik heb twee neven, die zijn tien jaar ouder. Daar heeft hij op de middelbare school nog Grieks mee vertaald.”

Het lijkt me best lastig om Van het Reve te heten als je zelf schrijver bent.

“Ik heb er weinig van gemerkt. Niemand die nog weet wie Karel was. Ik snap dat wel. Wat moet een scholier nu nog met Teun de Vries en de Sovjet-Unie? Dat zijn broer Gerard ook vergeten is, snap ik dan weer niet. Zijn boeken gaan over de liefde en de dood. Ze zijn krankzinnig grappig en mooi. Je kunt elke zin die hij heeft geschreven uitprinten en op de wc hangen en elke keer lachen als je hem leest. Misschien zie ik het niet, misschien ben ik al te oud om te zien dat jonge mensen van nu denken dat ze in een negentiende-eeuwse roman verdwaald zijn als ze de boeken van Gerard lezen, maar ik begrijp niet dat zijn naam niet nog dagelijks valt.”

Haal je je inspiratie bij hem vandaan?

“Ik zie Gerard meer als een ongrijpbaar genie. Bij Karel kan ik nog denken: ik ben het niet helemaal met je eens. Dat is nog een soort normaal mens, maar Gerard? Ik heb hem zelfs nooit ontmoet. Als mensen aan mij vroegen: ben jij familie van Gerard, dan zei ik altijd: nee, van Karel.”

Gerard en Karel zaten op het Vossius Gymnasium, het ‘Berendsgymnasium’ in De avonden.

“Mijn grootouders hebben er elkaar ontmoet. En ik zat er ook. En mijn vader en zijn zusje op het Barlaeus Gymnasium.”

Amsterdamse adel.

“Het was gewoon heel erg gezellig en leuk op school. En heel vanzelfsprekend. Toen ik erover na ging denken, heb ik me er misschien twintig minuten een beetje voor geschaamd. En daarna was het: nou en? Ik ben prinses Amalia niet. Het is gewoon een middelbare school waar ik op heb gezeten.”

Nooit behoefte gehad om je ertegen af te zetten?

“Ik woon op een boot in Noord en niet op de Reijnier Vinkeleskade.”

Heeft het je weleens tegengezeten in het leven?

“Er was een tijd, toen ik studeerde, dat ik dacht dat ik depressief was, haha. Met studeren wilde het ook niet zo lukken. Ik heb niks afgemaakt. Achteraf denk ik: knul, je had gewoon een dipje.”

Want?

“Gewoon: niks. Stofjes in het hoofd. Het is helemaal niet noemenswaardig of interessant. De psychiater zei: jij moet aan de pillen. Waarop ik dacht: het gaat wel weer. Ik heb veel geluk gehad in mijn leven. Ik bedoel: als je mijn vrouw ziet en mijn ­kinderen, dan zul je het met me eens zijn. En ook grote sterfgevallen al te dichtbij zijn me bespaard gebleven.”

Niet zo handig…

“Voor de literatuur? Nee! Het heeft ook godverdomme vijftien jaar geduurd tot mijn tweede boek er kwam. Maar je kunt ook wijzer worden zonder alle ellende zelf mee te maken.”

null Beeld

Jonathan van het Reve

14 november 1983, Amsterdam

1987-1995 Basisschool De Manse, Abcoude
1995-2001 Vossius Gymnasium
2001-2006 Studies wiskunde, natuurkunde en geschiedenis, UvA (niet afgemaakt)
2007 Publicatie De boot en het meisje
2008-2012 Columnist bij Het Parool
2009-2011 Columnist bij Vrij Nederland
2012-2018 Columnist bij de Volkskrant
2014-2021 Schrijver bij Zondag met Lubach
2019-2020 Schrijver en presentator bij Makkelijk scoren, met Tex de Wit en Diederik Smit
2022 Hoofdschrijver bij De avondshow met Arjen Lubach
2022 Publicatie Fidelio leeft nog

Van het Reve woont met zijn vriendin en drie zonen op een boot in Noord.

Meer over