PlusExclusief

Schrijver en regisseur Tim Kamps: ‘Ik vond mijn jeugd wel moeilijk, los van de vraag waar of aan wie dat lag’

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Tim Kamps (42) regisseerde zelf de op zijn boek gebaseerde serie De verschrikkelijke jaren tachtig. Een deels autobiografisch verhaal over een meisje dat opgroeit in een commune waarin alles wordt gedeeld en de kinderen aan hun lot worden overgelaten. ‘Ik weet niet of het slecht is, het was gewoon die tijd.’

Vera Spaans

We staan al bij de deur als hij er nog even op terugkomt. “Vraag jij aan iederéén of ze een stoma hebben?” Nee, natuurlijk niet, maar Tim Kamps zelf heeft in verschillende interviews verteld over de darmziekte waar hij al jaren aan lijdt. Peinzend zegt hij: “Misschien had ik er gewoon over moeten liegen.”

Dat had ik heel vervelend gevonden.

“Je had het nooit geweten. Maar dat zit niet in mijn aard. En ik heb ’m niet meer hè, hij is weg.”

Het is het einde van een gesprek op een, voor sommigen, veel te vroege zaterdagochtend. We spreken elkaar om elf uur, Kamps is op dat moment precies veertig minuten wakker. Aanleiding is de serie die morgen begint, De verschrikkelijke jaren tachtig, over een kind dat in een commune opgroeit met een lesbische, depressieve moeder, drie andere vrouwen en één man, en daar aan haar lot wordt overgelaten. De volwassenen zijn vooral bezig hun eigen seksualiteit te ontdekken, de kinderen leven op een dieet van broodjes hagelslag en friet. De serie is losjes gebaseerd op Kamps’ gelijknamige, deels autobiografische roman uit 2018. Kim van Kooten schreef het scenario, Kamps deed zelf de regie. We drinken thee aan zijn kleine eettafel – voor een grote is geen plek, want door een rekenfout van de aannemer is de badkamer veel te ruim uitgevallen.

Hoe is het om van zo’n persoonlijk boek een serie te maken?

“De serie is minder persoonlijk dan mijn boek. Kim vond het boek leuk en vroeg of ik erover wilde nadenken of ze het mocht verfilmen. Hoeft niet, zei ik, dat moet je gewoon doen, dat is leuk. Ik vind haar werk leuk en we hebben dezelfde smaak en humor. Ik was niet bang dat het niet zou worden wat ik zou willen. Dus toen heb ik het helemaal losgelaten. Zij heeft haar eigen draai eraan gegeven, al is de arena hetzelfde. In het boek zit een geheim – dat de hoofdpersoon een meisje is, kom je pas op de laatste bladzijde te weten. Maar dat konden we voor de serie natuurlijk niet gebruiken. Daar hebben we iets anders voor bedacht omdat we het tof vonden dat er een geheim in zat. Je komt erachter in aflevering zeven.”

Beschouwt u het nog wel als een persoonlijk project?

“Dat wel. Mijn alter ego zit erin, Donnie, het vriendje van het hoofdpersonage. Dat is het kind dat ik had willen zijn. Het jongetje dat wel zijn middelvinger opsteekt tegen volwassenen, en tegen ze schreeuwt. Zo’n mondig jongetje dat wél terugvecht. Kim en ik hebben onze hele persoonlijkheid erin gestopt, ook qua casting.”

Het is nogal een sterrencast, met Jacob Derwig, Malou Gorter, Maria Kraakman, Bianca Krijgsman...

“Zeker. Die mensen staan heel dicht bij ons. Jacob Derwig is natuurlijk de man van Kim, en toen we bedachten dat Malou Gorter de ‘hoofdmoeder’ moest zijn, waren anderen ook snel geïnteresseerd. Dat heeft ook te maken met Kims reputatie. En toen ze wat lazen... Het sprak meteen tot de verbeelding.”

Wat was het moeilijkst?

“Moeilijk... Het was zwaar. Film is sowieso zwaar: je maakt lange dagen, moet vroeg op en bent heel de tijd bezig. Nu was het nog zwaarder omdat we met kinderen werkten die niet eerder geacteerd hadden. Er moest een kind stikken in een stuk brood, dat is best een gedoetje. We duwden hem dat brood in zijn mond en riepen: ga maar kotsen! Met de camera aan praatte ik hem er dan doorheen. Wat heel leuk is, en ze vinden het zelf ook leuk om te doen. Er zit ook een vechtscène in met drie kinderen. De choreografie daarvoor hebben we samen gemaakt. Dat is leuk, maar kost ook tijd. Je leert ze hoe je elkaar slaat zonder echt te slaan, hoe je aan elkaars haar kunt trekken zonder dat het pijn doet.”

In het boek hangt een permanente zweem van kindermisbruik. Verwaarloosde, aan hun lot overgelaten kinderen.

“In mijn boek blijft het een beetje in het midden: is het nou misbruik of is het te losjes denken over wat kinderen opvoeden inhoudt? Over hoe je met seksualiteit omgaat waar kinderen bij zijn? In de eerste aflevering van de serie gaat de huisvergadering nogal expliciet over de vraag wie er wel en niet buiten de groep mag neuken. En dan zie je een shot van vier kinderen die daarnaar zitten te kijken. Dat is geen misbruik, dat is meer een houding van: laat die kinderen alles maar meekrijgen.”

Kinderen dwingen naakt te lopen op een nudistencamping, ze laten toekijken terwijl je seks hebt... Dat zouden we nu allemaal niet meer zo doen.

“Dat was het bizarre aan de jaren tachtig: er werd zo anders gedacht over opvoeding. Je hoefde geen gordel om in de auto, er werd gerookt in het bijzijn van kinderen... Dat zou nu niet meer kunnen. Ik weet niet of het slecht is, het was gewoon die tijd.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

De serie is grappig en treurig tegelijk.

“Dat is ook de bedoeling.”

Ik kan me ook voorstellen dat je er last van krijgt, van zo’n jeugd.

“Ik heb toen mijn boek uitkwam best veel interviews gegeven over mijn jeugd. Toen vonden mensen dat ik natrapte. Ik vind het heel moeilijk er nu nog iets over te zeggen. Het voelt zo zwaar.”

U heeft tien jaar therapie gehad.

“Ik vond mijn jeugd wel moeilijk, los van de vraag waar of aan wie dat lag. Dat heeft me wel gevormd. Ik was overal bang voor. Dat beperkt je, als kind. Ik was altijd bang om ziek te worden, stond hele dagen in mijn keel te kijken of er niet iets zat. Het heeft lang geduurd voor ik die angsten kwijt was. Dat gebeurde pas toen ik een ernstige darmziekte kreeg. Toen waren die angsten weg, want mijn ergste nachtmerrie was uitgekomen en ik bleek het ook aan te kunnen.”

Wat heeft u dan in die tien jaar therapie gedaan?

“Het was niet tien jaar aan één stuk hè. Mijn ouders hadden me als kind naar het Riagg in Rotterdam gestuurd. Ze zagen dat het niet goed met me ging. Die psychologen vroegen aan het begin van het gesprek: wil je een spelletje doen of wil je praten? Tja, wat kies je dan? Dus ik heb daar heel veel spelletjes gedaan. Mens erger je niet. Ik weet niet in hoeverre me dat geholpen heeft.”

Hoe gaat het nu?

“Mijn vader is afgelopen jaar overleden. Hij had prostaatkanker. Ik zag hem sterven, op een heel nare manier. Dat was moeilijk om te zien. Daarna kwam de klap: dat gaat dus ook ooit met mij gebeuren. Of met nog iemand van wie ik hou. Toen kwamen die angsten weer. Doordat het zo’n heftig jaar was, door corona en doordat mijn vader wegviel. Hij is altijd een rustige, stabiele factor geweest in mijn leven.”

“Mijn ouders gingen uit elkaar toen mijn broer en ik twee waren. Ze hebben nog wel lang samen in één huis gewoond. Toen mijn vader een nieuwe vriendin kreeg, en mijn moeder ook een vriendin, is hij weggegaan. Wij woonden om en om bij allerlei verschillende mensen. Bij mijn moeder, bij een lerares, bij mijn tante en bij mijn vader.”

Dit is een bizar schema.

“Heel bizar. We gingen steeds van het ene huis naar het andere.”

Hoe raakte die lerares in deze constructie verzeild?

“Ik vind het ingewikkeld hier iets over te zeggen omdat zij in het boek voorkomt. Ze was iemand die ons ook opvoedde omdat ik bij haar in de klas zat. Ze ontfermde zich over ons, we woonden er soms.”

Wat moet er gebeuren voordat je als ouder aan de lerares van je kind vraagt: kan mijn kind bij jou wonen?

“Ik weet oprecht niet meer hoe dat gegaan is. Het is zo lang geleden. Weet je: ik wil graag een beetje in het midden laten welk deel van mijn boek fictie is en welk deel niet. Toen ik het boek schreef, heb ik best wat problemen gehad met mijn familie. Het is een klap voor ze geweest. Mijn moeder en mijn vader vonden het moeilijk, wat ik erover vertelde. Ik ben eigenlijk blij dat er nu een serie is die veel verder van me afstaat.”

Het lastige is alleen: ons gesprek gaat over u, naar aanleiding van de serie die weer is gebaseerd op uw boek.

“Wat in het boek staat, is bijna allemaal waar. Als ik iets niet zelf heb beleefd, kan ik er moeilijker over schrijven. Ik heb wel dingen erbij bedacht en dingen weggelaten waarvan ik dacht: nu is het niet meer leuk, of nu wordt het therapie. Het moest wel grappig blijven. En wrang.”

Had u het met uw familie besproken?

“Ik had niet het gevoel dat het moest of dat ze er iets over te zeggen hadden.”

Dat zijn twee verschillende dingen. Als je zo’n persoonlijk boek schrijft...

“Even thee halen, hoor!”

Ik kan me voorstellen dat je in het kader van relatiebeheer...

(Vanuit de keuken:) “Nee, dat interesseerde me niks.”

Had u verteld dat u een boek aan het schrijven was?

“Ik denk het wel.”

Zeiden ze toen niet: goh, Tim, waar gaat het dan over?

“Ik was er al tien jaar mee bezig. Ik denk dat ze dachten: we zien wel. Dat het uitkwam, was wel plotseling voor ze. Mijn familie las het pas na de boekpresentatie. Maar het waren vooral de interviews die slecht vielen. Toen ik over mijn jeugd ging praten en vertelde dat ik dingen moeilijk had gevonden. Dat vonden ze erger dan het boek zelf.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Het lijkt me als moeder heel pijnlijk te lezen dat je alleen maar op bed lag te roken.

“Dat was het beeld dat ik had. Op school moesten we tekenen wat onze ouders deden. Ik tekende mijn moeder rokend op bed. Dat wás wel zo, maar ook weer niet. Ze deed ook leuke dingen. Die tekening heeft ze wel bewaard trouwens. Die hoorde bij haar, bij wie ze toen was. Ze had het ook moeilijk, ze was depressief. Maar ze heeft het boek gelezen, is er niet voor weggelopen. Ik had het echt niet erg gevonden als ze had gezegd: dit hoef ik niet te weten. Ik vond heel veel situaties uit mijn jeugd gewoon heel grappig. En wrang. Maar ik vind dat dus grappig, als iets schuurt.”

De cabaretier die naar zijn leven kijkt als materiaal...

“Mensen dachten dat het therapeutisch was, maar ik dacht steeds: o, dit kan ik ook nog schrijven. Grappig.”

Bij mij blijft het beeld hangen dat u verwaarloosd bent door uw moeder. Ik snap niet wat daar grappig aan is.

“Het is een soort dealen met ellende. Ik heb Kim van Kooten ontmoet door onze gezamenlijke darmaandoening. Wij moeten daar dus vaak samen om lachen.”

“In het ziekenhuis kwam een arts binnen die dacht dat ik een bekende Nederlander was. Ik was beginnend cabaretier en had op dat moment een column in het Rotterdams Dagblad, dus ik was middelmatig bekend. Hij zei: ‘Heb je het al gehoord van Kim?’ Ik vroeg: ‘Wie is Kim in godsnaam?’ Hij bleek dus te hebben samengewerkt met de arts van Kim van Kooten die haar voor dezelfde ziekte had behandeld.”

Was dat geen schending van zijn beroepsgeheim?

“Het was best een rare opmerking. Maar hij dacht dat alle BN’ers alles van elkaar wisten. Ik heb haar voorzichtig gemaild en zo zijn we bevriend geraakt. We hebben veel moeten lachen om al die shit. O, die medicijnen, gatver.”

Hoe is het leven zonder dikke darm?

“Poeh. Als je erover gaat nadenken, is het heel vermoeiend, dus dat moet je niet te veel doen. Je hebt minder energie, je moet veel vaker naar het toilet. Mijn darmen zijn in een lus gelegd zodat de dunne darm de functie van de dikke deels kon overnemen. Anders zou je een stoma moeten hebben.”

Is daar ooit sprake van geweest?

“Ik heb er een jaar een gehad. Dat was nodig tussen de eerste en de tweede operatie.”

Een jaar met een stoma? Hoe oud was u?

“28, 29?”

Hoe was uw seksleven toen?

“Jezus!”

Durfde u toen...

“Een stoma klinkt wel erger dan het is. Ik dacht eerst ook: oké, heftig! Maar je leert ermee leven.”

Durfde u zich uit te kleden bij iemand?

“Nee. Ik liet dat niet zien, ik had een band om mijn buik. Het blijft een lastig ding. Maar er zijn mensen met een permanente stoma, hè.”

Er zijn ook mensen zonder benen.

“Het was wel moeilijk. Maar ik wist dat het tijdelijk was.”

Vertelde u het mensen?

“Mijn beste vrienden. Maar ik had ook een vriendinnetje in die tijd en haar heb ik het niet verteld. Dat durfde ik niet.”

Zei die niet: wat heb jij nou een rare band om je lijf?

“Dit is veel te intiem! Toch?”

Ik vind het interessant hoe een jonge, succesvolle gast omgaat met zijn stoma. Misschien helpt dat andere jonge mensen met dezelfde aandoening. Maar u kunt ook zeggen: rot op, dit is mijn lichaam en ik wil het over mijn serie hebben.

“Het was gedoe. Op een gegeven moment ging ik op internet zoeken naar andere jonge mensen die het ook hadden. Er was een meisje met een blog en daar leerde ik weer dingen van, wat voor kleur zakjes er allemaal waren. Ik had er ook echt steun aan. Bovendien: het was tijdelijk en die stoma was echt beter dan ziek zijn. Ik had pijn, was dun en zwak. Maar die details zal ik je besparen.”

null Beeld Ruud Janssen
Beeld Ruud Janssen

Toen was u al cabaretier toch?

“Ja, dat was heel pittig. Maar als ik werkte nam de ziekte vaak een beetje af, door de adrenaline of zo. En als ik stopte, kwam hij weer terug. Op de een of andere manier zat er een seizoen in.”

Mag u nu alles eten?

“Mensen zonder dikke darm zou ik geen vlammetjes aanraden. Dat is een synthetische heetheid die je niet verteert. Als ik vlammetjes eet, doet het pijn. Maar volgens mij heeft iedereen dat.”

Hoe heeft corona u geraakt?

“Qua werk niet echt. Ik had het eigenlijk steeds te druk. Er was wel een voorstelling die ik regisseerde, De Hokje, in Bellevue. Die werd na vier keer stilgelegd. In het begin van corona was ik superbang. Ik zag de beelden van Italiaanse ziekenhuizen en dacht: we gaan allemaal dood. We gingen wandelen en liepen dan met een grote boog om iedereen heen. In de Albert Heijn pakte ik alles met handschoenen op.”

Uw sociale leven zit in de hoek waar de klappen vallen.

“Mijn broer (cabaretier Wart Kamps, red.) doet nog veel theater en dat is helemaal weg. Dat vind ik ook wel moeilijk om te zien. Ik kan me niet voorstellen hoe het is als je nu de ambitie hebt om cabaretier te worden. We begonnen in de gouden jaren. Overal waar op de poster ‘cabaret’ stond, was het vol. Nu staat alles stil.”

Hoe houdt u de moed erin?

“Dat is heel moeilijk. Ik heb de serie en er wordt veel gefilmd. In die hoek heb je geluk. Maar het is ook raar om nu iets te delen op Instagram waar je trots op bent. Dat voelt dubbel omdat anderen het zo zwaar hebben. Je kunt nu moeilijk zeggen: kijk, we hebben deze serie gemaakt, tof hè?”

Heeft uw broer de serie al gezien?

“Nee. We hebben veel dingen samen gedaan, maar dit was een los project.”

Was hij ook boos over het boek?

“Nee. Hij was heel trots. Hij snapte het ook wel, het gaat ook over zijn jeugd.”

Bent u bang voor de reactie van uw moeder?

“Niet voor de serie, wel voor dit interview. Maar het is gelukkig in Het Parool en ze woont in Rotterdam.”

null Beeld

Tim Kamps

5 juli 1979, Utrecht

1990-1995 Havo, Libanon Lyceum, Rotterdam

1995-1996 Hogeschool voor de Kunsten, Utrecht

1997 Rol in toneelstuk Walters Hemel van Martine Bijl

1998-2009 Cabaretgroep Rooyackers, Kamps & Kamps

1998 Winnaar jury- en publieksprijs Amsterdams Kleinkunstfestival

2009-2012 Cabaretduo Kamps & Kamps

2009-2013 Monica da Silva Trio met Arjen Lubach

2011 Kandidaat Wie is de Mol?

2013-heden Cabaretteam Spijkers met Koppen, NPO Radio 2

2013-heden Regisseur van onder andere Missie Aarde en De Hokje

2018 Scenario telefilm Het irritante eiland

2019-2020 Scripts tv-serie De regels van Floor

2018 Debuutroman De verschrikkelijke jaren tachtig

2022 Regisseur tv-serie De verschrikkelijke jaren tachtig

Tim Kamps woont in Bos en Lommer

Meer over