PlusExclusief

Predikant Rosaliene Israël (44): ‘Jezus en God beperken zich niet tot de kerk – godzijdank niet’

PSW Rosaliene Israel Beeld Anneloes Pabbruwee
PSW Rosaliene IsraelBeeld Anneloes Pabbruwee

Van haar streng gereformeerde ouders mocht Rosaliene Israël (44) geen dominee worden omdat ze vrouw is. Inmiddels is ze als predikant-scriba het gezicht van de Amsterdamse protestantse kerk.

Vera Spaans

De mensen kijken vaak twee keer als Rosaliene Israël langskomt op haar racefiets. Eerst zien ze een jonge vrouw, op hoge hakken, op een fiets – en daarna zien ze pas wat de Engelsen ook wel een dog collar noemen, een hondenband: de witte priesterboord in haar zwarte shirt. “Je ziet mensen dan kijken: wat is dit?”

Israël zit in haar werkkamer aan de Nieuwe Herengracht, het hoofdkwartier van de Protestantse Kerk Amsterdam, waar zij sinds 2018 scriba is: secretaris-­generaal van het bestuur en vertegenwoordiger en woordvoerder van de kerk. Ook is ze zelf predikant en is ze pastoraal verantwoordelijk voor de vijftien vast aan de Protestante Kerk Amsterdam verbonden predikanten.

“Ik heb me eerst een tijdje verzet tegen zo’n dog collar. Ik vond dat het meer bij de katholieke kerk hoorde, maar vooral ook dat je in de protestantse traditie gelovig bent mét de gelovigen. Ik representeer niet in mijn eentje de kerk. Maar toen realiseerde ik me dat ik, een voor kerk­begrippen relatief jonge vrouw, niet herkenbaar was als geestelijke, als geestelijk leider. En ik ontdekte een superhippe, bijna punkachtige Zweedse ontwerpster die onder de hashtag ‘#casualpriest’ voorbij het klassieke lichtblauwe bloesje met een boordje gaat. Ze maakt ook kekke kaftans en strakke zwarte jurken. Toen dacht ik: dit past wel bij mij.”

Speelt het zo’n grote rol, dat u vrouw bent?

“Groter dan ik me gerealiseerd heb. Ik dacht: dat is iets van vroeger, toen ik studeerde, toen ik predikant werd, dat is nu voorbij. Maar het blijft een groot thema. Ik merk het aan jonge theologen en predikanten die ik nu vanuit mijn functie tegenkom. Die zeggen tegen mij: jij bent een voorbeeld dat je een vrouw kunt zijn, een gezin kunt hebben, een leidinggevende positie in de kerk en ook nog rondjes kunt rennen om de Gaasperplas. Ik laat kennelijk iets zien van modern vrouwelijk predikantschap en leiderschap. Dat dat nog steeds niet vanzelfsprekend is, ben ik me door hun verhalen wel weer gaan realiseren.”

Hoe was het toen u predikant wilde worden?

“In mijn studententijd was ik lid geworden van een gereformeerd theologendis­puut, Voetius. We hadden avonden waarop we preken oefenden, die hield je dan voor je medestudenten. Maar als vrouwelijke student mocht je je – fictieve! – preek niet situeren in een zondagse kerkdienst, want volgens die tak van gelovigen mocht je als vrouw geen voorganger zijn in een kerkdienst. Je moest bij die oefening dus zeggen dat het voor een vrouwenkoffieochtend was, of zo, tijdens de advent. Ik kreeg daar zo’n moeite mee.”

Kon u niet gewoon naar een ander dispuut?

“Waarschijnlijk wel, maar we wilden het van binnenuit veranderen. Er waren ook genoeg mannen die het niet eens waren met de gang van zaken. Uiteindelijk ben ik met twee medestudentes naar het bestuur van de Gereformeerde Bond gegaan. We zeiden: we komen uit jullie gezindte, wij voelen ons er thuis, maar we ervaren ook roeping voor het predikantschap. Wat kunnen jullie voor ons doen? Nu gaan we het beleven, dacht ik, maar uiteindelijk was het toch: sorry, niet bij ons, zoek je heil bij een ander deel van de kerk. Zo’n deceptie.”

null Beeld Anneloes Pabbruwee
Beeld Anneloes Pabbruwee

Je kunt je ook afvragen wat je als vrouw zoekt in zo’n vrouwonvriendelijke omgeving.

“Deze kerk was voor mij vertrouwd, ik was opgegroeid in die traditie. En het probleem is niet zozeer die traditie, maar een bepaalde interpretatie van de Bijbel, gekoppeld aan angst voor een veranderende wereld. Je ziet wat er gebeurt nu binnen de Christelijk Gereformeerde Kerken net is besloten dat vrouwen nog steeds geen officiële rol mogen hebben. Verschillende gemeenten staan daartegen op. Het is belangrijk dat juist de mensen die opgegroeid zijn in die traditie dat baanbrekende werk verzetten.”

Hoe bent u opgevoed?

“Ik heb best een bizarre jeugd gehad, religieus gezien. Ik ben opgegroeid in een dorpje bij Tiel, als oudste van zes kinderen. Mijn ouders zijn altijd betrokken geweest bij de kerk, mijn moeder leidde de zondagsschool. Ik herinner me liedjes van het evangelische duo Elly en Rikkert op de gitaar. Mijn ouders gingen als hippies door het leven, met alle middelengebruik dat daarbij hoort. Ik weet niet of ze echt van de vrije liefde waren, maar ze waren niet het traditionele hervormde-kerkvolk dat je zou verwachten. Toen ik een jaar of acht was, is mijn vader tot bekering gekomen, zoals hij dat noemde. Dat ging vrij heftig, hij stopte in één keer met alcohol, hasj, feesten, alles. Bam!”

En toen?

“Toen volgde een evangelische periode. Mijn vader ging eerst, mijn moeder volgde. We gingen naar een opwekking, naar pinksterkerkachtige plekken, waar ze in tongen spraken en zo. Best heftig, want die stroming is erg op het gevoel en de beleving. Ik werd er wel door geraakt. Maar mijn vader knapte af op die hoek van het christendom. Hij vond dat er te weinig theologische body in zat en is zich gaan oriënteren op de rechterflank van de protestantse kerk, de Gereformeerde Bond. Dus gingen we op zondagochtend naar onze kerk in het dorp en ’s avonds naar de dienst aan biblebeltkant van Tiel.”

Dat is nogal een ommezwaai: van hasjrokend door het leven gaan naar de zwartekousenkerk.

“Mijn zusje en ik zaten net in onze puberteit. In die kerk hadden ze hoeden op, hadden alle vrouwen rokken aan. Mijn zusje en ik moesten dat op een gegeven moment ook. De televisie ging het huis uit, het was best stevig allemaal. Waar ik wel van onder de indruk was, was wat God in de levens van mensen kan doen.”

Ik zou woedend zijn.

“Dat had ik iets minder in me. Ik ben nooit de rebelse dochter geweest. We hebben het er later wel over gehad dat die periode voor ons niet oké is geweest.”

Zijn ze nog steeds zo streng in de leer?

“Niet per se. Vrienden uit mijn jeugd zullen het nest waaruit ik kom beschrijven als een gezellig gezin waar je altijd aan kon schuiven. En tegelijk denk ik dat dat orthodoxe protestantisme mijn ouders houvast geeft. Een kader waarbinnen je denkt, gelooft en beweegt, dat echt niet bij mij paste. Ik kon pas goed ruimte maken voor mijn geloof toen ik niet meer thuis woonde, toen ik theologie studeerde in Utrecht. Daar ontdekte ik dat er veel meer smaken waren en dat ik als vrouw een roeping had voor de kerk. Misschien was dat mijn verlate puberteit, want ook in het beeld van mijn ouders kunnen vrouwen geen ambt binnen de kerk bekleden. Heel ingewikkeld en pijnlijk.”

Hoe heeft u dat thuis verteld?

“Het voelde als een coming-out. Ik ­herinner me vooral een paar ingewikkelde gesprekken met mijn vader, die erop neerkwamen dat het volgens zijn interpretatie van de Bijbel niet kan. We gingen elkaar daarin niet vinden. Toen ik, op mijn dertigste, bevestigd zou worden als dominee, in Landsmeer, wilde ik dat mijn ouders daarbij zouden zijn. ‘Roos,’ zei mijn moeder – thuis noemen ze me Roos – ‘je weet wat we daarvan vinden.’ ‘Ja,’ zei ik, ‘dat weet ik, maar ik wil dat jullie aanwezig zijn omdat jullie bij mij horen en dit een belangrijk moment in mijn leven is. Ik vraag het jullie als kind.’ Ik vond het pijnlijk het zo te moeten zeggen. Maar het bleef moeilijk, moeilijk. Toen heb ik wel mijn mond opengedaan. Een van mijn jongere zusjes deed de kunstacademie. Daar hingen de borsten en vulva’s aan de wand en droop het menstruatiebloed zo ongeveer van de muren. Ik zei: ‘Papa gaat wel die tentoonstelling helpen inrichten, maar jullie kunnen niet bij deze kerkdienst aanwezig zijn?’ Dat heeft kennelijk geholpen.”

null Beeld Anneloes Pabbruwee
Beeld Anneloes Pabbruwee

Israël vertrok naar Amsterdam, waar ze bijna twintig jaar in een leefgemeenschap woonde op de Wallen, met haar echtgenoot en hun drie kinderen. Inmiddels werkt ze aan een proefschrift over christelijke leefgemeenschappen.

Wat is de kracht van zo’n gemeenschap?

“In mijn studententijd realiseerde ik me dat ik, als ik op dezelfde voet verder zou leven, altijd in een bubbel van witte, hoogopgeleide mensen zou blijven. In zo’n gemeenschap leef je samen met mensen die in de maatschappij naar de marge worden geduwd. Mensen met een achtergrond in verslaving, detentie, huiselijk geweld, dakloosheid. Toen ik die plek ontdekte, dacht ik: hoe waardevol is het om samen een gemeenschap te vormen? Dat je naast elkaar zit bij het ontbijt, met je eigen ­chagrijnige hoofd als je moe, ziek of hoogzwanger bent. Dan vervagen alle verhoudingen – heel anders dan wanneer je geld zou doneren of hulpverlener zou zijn. Zo ga je naast elkaar staan.”

Is er iemand die u is bijgebleven?

“Zeker. Toen ik er net woonde meldde een oudere, Surinaamse man zich. Het was zaterdagavond, even na elven, ik had al afgesloten. Iedereen lag in bed, ik had ‘dienst’. Hij overtuigde me om hem binnen te laten. Hij bleek vroeger bij ons te hebben gewoond, maar terug te zijn gevallen in zijn verslaving. Dan moet je weg, dan kun je niet wonen in een huis met gezinnen met kleine kinderen. Hij is na die avond weer jaren bij ons geweest, we zijn zelfs samen op vakantie geweest, tot hij weer verslaafd raakte en uit het huis ging. Jaren later was hij terminaal ziek en vroeg hij naar mij, als geestelijke. Ik zat aan zijn sterfbed, en toen vroeg hij naar mijn vader, van wie ik heel veel hou, maar met wie ik ook een gespannen relatie heb. Dat heeft me enorm geraakt.”

Wordt er nooit misbruik gemaakt van de gastvrijheid van zo’n gemeenschap?

“Ik wil er zo niet naar kijken. Wij boden maatschappelijke opvang, gesubsidieerd, en we hadden alleen plek voor mensen die ook echt aan iets wilden werken. We zetten de deur niet voor iedereen open, we waren niet naïef. Maar alle mensen uit leefgemeenschappen die ik spreek, ook voor mijn onderzoek, hebben dingen meegemaakt waarvan ze achteraf zeggen: dat had ik nooit moeten doen. Dat zijn de ingewikkeldste, maar ook de mooiste verhalen. Dat gaat over mensen die invloed hebben gehad op je identiteit als individu en als gemeenschap.”

Nu wonen jullie in Zuidoost. Missen ­jullie de leefgemeenschap?

“We zijn na een moeilijke periode weggegaan, het was een scheiding in het kwadraat. Zeker voor onze oudste dochter was het heel moeilijk. De keuze voor de Bijlmer lag wel voor de hand, op een gekke manier voelt die buurt net als de binnenstad: het op straat leven, de constante bedrijvigheid, het multiculturele, mensen maken praatjes met elkaar. Maar we vangen nu niemand op en dat missen we enorm. We wonen in de K-buurt met een ander gezin uit onze oude gemeenschap. We waren afgeknapt op de dynamiek daar, maar niet op elkaar. We eten vaak samen en proberen eens per week een meditatiemoment in te lassen. En intussen proberen we een nieuwe leefgemeenschap op te starten, maar dat is door de wooncrisis niet zo makkelijk. We zoeken bijzonder vastgoed, voor een aantal gezinnen en een paar mensen extra, en hebben ook gekke verzoeken, zoals doorgebroken muren en zo. Maar we zijn in gesprek. Ook de kerk ziet trouwens steeds meer het belang van dit soort gemeenschappen.”

Hoeveel mensen gaan er in Amsterdam eigenlijk nog naar de kerk?

“Het verschilt: in de Westerkerk komen naar een dienst honderd, tweehonderd mensen, in de wijken komen groepen van veertig, vijftig man. We hebben vijftien gemeentes, een stuk of tien leefgemeenschappen en daarnaast nog een heel aantal pioniersplekken. De Holy Hub, bijvoorbeeld, moet je maar eens opzoeken op Instagram, dat is een onlinecommunity gericht op millennials. En de Kwekerij, die richt zich op persoonlijke ontwikkeling en groei. En Gist, een pioniersplek voor christelijke spiritualiteit. Die hebben een christelijke bibliotheek, een kapel en een bierbrouwerij.”

De kerk heeft in de stad toch een plek in de marge.

“Als je kijkt naar aantallen zeker. De groepen worden kleiner, maar dat levert ook creativiteit op. Dan kun je sneller ­denken: waarom gaan we niet gewoon in een kring zitten? Waarom staat die dominee zo hoog op die preekstoel en hebben we geen dialoog over de Bijbel?”

Wat is het belangrijkste dat u voor de stad doet?

“Je moet er letterlijk zijn. Op de fiets, maar ook in gesprekken met de burgemeester, in de interreligieuze dialoog, bij het bepalen van veiligheidsbeleid tegen discriminatie. Dat je daar zichtbaar bent en verbindt. Om te laten zien: de stad is van ons allemaal, daar horen gelovigen ook bij. Maar door het imagoprobleem van de kerk waren we lang geneigd ons op de achtergrond te houden. Ik denk dat we die schaamte nu wel voorbij zijn. Die positie in de marge heeft ook gezorgd voor reflectie, voor een soort nieuw ontluikend zelfbewustzijn waar ik als scriba ook een personificatie van ben. Ik ben gewoon een Amsterdammer, een Amsterdammer met religieuze bagage en een religieuze leiderschapsrol, deal with it. Sterker: wij hebben ook ideeën over de stad, want wij horen bij de stad. Dat heeft tijd nodig gehad om bij de kerk in te zinken: nadenken over waarom je hier eigenlijk bent. Dat je niet alleen bezig bent met het voorzetten van de traditie – wat ik ook nog steeds heel belangrijk vind, met wekelijkse vieringen – maar dat je je ook meer en meer realiseert dat je echt iets in handen hebt aan traditie en vormen die raken aan de vragen van nu.”

Zoals?

“Zielsarmoede, bijvoorbeeld, lijkt een beetje het terrein te zijn geworden van de coaches, psychologen en psychiaters. Maar zielzorg is iets waar ik voor opgeleid ben, waar ik voor toegerust ben. Ik kan niet alleen van waarde zijn voor de mensen die ik in de kerk tref, maar in principe voor iedereen die ik op straat tegenkom.”

Maar stel dat ik zielzorg nodig heb, dan kom ik toch nooit bij u uit?

“Dat is de uitdaging. Eerst moet je als kerk weten: wij hebben iets in handen wat ook in de inhoud voor iedereen bedoeld is. Jezus en God beperken zich niet tot de kerk – godzijdank niet. God is voor iedereen in de stad aanwezig, maar de kerk moest zich dat nog even realiseren. Andersom geldt dat ook: de gemiddelde Amsterdammer weet niet dat ie bij ons terechtkan.”

null Beeld Anneloes Pabbruwee
Beeld Anneloes Pabbruwee

Als ik u zo spreek, krijg ik best zin om naar de kerk te gaan, maar ik ben helemaal niet gelovig.

“Misschien ben je geloviger dan je denkt! Onze generatie, veertigers, vijftigers, zijn vaak christelijk opgevoed, maar afgehaakt in hun studententijd. Ik merk bij hen dat het protestantisme nog in hun wortels zit. Dat uit zich in hun werkhouding, in hoe ze zich willen inzetten voor de maatschappij, wat ze hun kinderen meegeven. Maar ik mis jullie in de kerk! Wij zijn de bestuursgeneratie, wij hebben het overgenomen en moeten het doorgeven.”

Hoe komt het dan, dat die groep ontbreekt in de kerk?

“Bij hen is de kerk er volledig uit. Het is voor ons makkelijker om contact te leggen met de twintigers en dertigers. Die zijn met minder bagage opgegroeid, zijn ­spiritueler en denken: goh, een kerk, ­interessant.”

De rol van de kerk is ook hoop bieden. Ik vind het zelf heel moeilijk om positief te blijven met alles wat er in de ­w­ereld speelt. Hoe ziet u dat?

“Ik vind dat als burger, als individu en als moeder volstrekt herkenbaar. In wat voor wereld brengen wij onze kinderen groot? Tegelijk krijg ik hoop van de traditie waarmee ik leef, de gemeenschap die ik ervaar, de verhalen die ik hoor. Toen er Oekraïners in de stad werden opgevangen, zijn het kerkelijk bureau, de diaconie en ik meteen in gesprek gegaan: wat kunnen we doen? En inmiddels komt op elke opvang­locatie een groepje geestelijk verzorgers en predikanten, mensen die er gewoon zijn voor anderen.”

“Een vrouw die ik in de kerk sprak, vertelde me dat een van die dominees altijd een muzikant meeneemt. Die gaat zitten en spelen, en voor je het weet komen mensen met hun verhalen. Dan denk ik: wauw. En zo’n man die ik in onze leefgemeenschap ontmoette: het feit dat hij bij ons heeft kunnen wonen, heeft voor hem het verschil gemaakt. Dat is waar zingeving over gaat. Dat zit in die dingen, dat krijgen we van God in handen, dat kan jij voor mij en ik voor jou zijn. Dat maakt voor mij het verschil tussen hoop en wanhoop.”

Grote grijns: “Amen.”

null Beeld

Rosaliene Israël

Ophemert, 2 november 1977

1990-1996 Gymnasium Het Lingecollege, Tiel
1996-1997 Propedeuse Nederlands Recht, Utrecht
1997-2007 Studie theologie (doctoraal en kerkelijk examen)
2008-2012 Predikant in Aalsmeer
2012-heden Coach, trainer en expert leefgemeenschappen
2016-heden Promotieonderzoek naar leefgemeenschappen
2018-heden Predikant-scriba van de Protestantse Kerk Amsterdam

Rosaliene Israël is getrouwd met Sjoerd. Samen hebben ze drie kinderen (16, 13 en 10 jaar). Ze wonen in de K-buurt in Amsterdam-Zuidoost.

Meer over