PlusReconstructie

‘Paultje’ heeft nooit geweten wie haar uit handen van de nazi’s redde. Tot nu

Martha (Buskermolen) Koper (links), hun oudste dochter, Paula en Hendrikus Koper 1948. Beeld prive-archief van Paula Rubinek-Melamed
Martha (Buskermolen) Koper (links), hun oudste dochter, Paula en Hendrikus Koper 1948.Beeld prive-archief van Paula Rubinek-Melamed

Paula Rubinek-Melamed (81) werd als peuter weggesmokkeld uit de Joodse crèche op de Plantage Middenlaan, voorportaal van de concentratiekampen. ‘Paultje’ heeft nooit geweten aan we ze haar leven te danken had. Tot nu.

Paula Rubinek-Melamed ­verdeelt haar levensverhaal tegenwoordig in tweeën. De eerste 77 jaar, waarin ze vrijwel niets wist over hoe ze als peuter uit ­handen van de nazi’s werd gered. En de afgelopen jaren, waarin haar steeds meer duidelijk is geworden over haar eigen ­dramatische geschiedenis.

We spoorden Paula op na de vondst van een fotoalbum van een van de leidsters van de Joodse crèche. Achterop de foto’s had zij de namen van Joodse kinderen in die crèche geschreven. Van daaruit zouden vanaf oktober 1942 baby’s, peuters en kleuters naar Westerbork worden gebracht om daarna te worden vermoord in een van de vernietigingskampen. Ook Paula Melamed zat als peuter in de die crèche.

In 2017 vonden we haar terug in Tel Aviv, toen we onderzoek deden naar de kinderen uit het fotoalbum. Ze herkende zichzelf als peuter met grote donkere ogen en reageerde enthousiast: “Ja, dank, ik ben het! Dat zijn mijn kalveroogjes!”

Paula bleek al sinds 1949 in Israël te wonen. Ze was secretaresse op de Ben-Gurion Universiteit in Beër Sjeva in de Negev-woestijn, studeerde daar geschiedenis, trouwde en was moeder van twee dochters en oma van vijf kleinkinderen. Ze sprak nog steeds Nederlands, al was dat even wennen, want ze was in die ongeveer zeventig jaar hier maar een enkele keer terug geweest.

In mei 2018 kwam Paula met een van haar dochters voor de 4 mei-herdenking naar Amsterdam, waar ze sprak tijdens een drukbezochte bijeenkomst in het Holocaust Museum in oprichting aan de Plantage Middenlaan, vlak bij de plek waar ooit de Joodse crèche was gevestigd. Belangrijke puzzelstukjes ontbraken nog in haar verhaal, vertelde ze bij die gelegenheid. Ze wist dat ze in Kudelstaart ondergedoken had gezeten bij het boeren-echtpaar Marta en Hendrikus Koper, dat daarvoor postuum de Yad Vashem-onderscheiding had gekregen. Maar wie had het waagstuk ondernomen om haar uit de ­crèche te smokkelen? En wie had haar ­vervolgens naar het onderduikadres gebracht?

PSW Paula Melamed (rechts), in 1941 in de Joodse Crèche samen met Suusje Katz (midden, zij zou worden vermoord in Sobibor) en een niet nader geïdentificeerd kindje. Beeld privécollectie erven Gea Hemminga-Venema
PSW Paula Melamed (rechts), in 1941 in de Joodse Crèche samen met Suusje Katz (midden, zij zou worden vermoord in Sobibor) en een niet nader geïdentificeerd kindje.Beeld privécollectie erven Gea Hemminga-Venema

Tijdens ons onderzoek spraken we met voormalige crècheleidsters Elly Friedheim en de onlangs overleden Betty Goudsmit-Oudkerk, en Sieny Cohen-Kattenburg. Samen met directrice Henriëtte Pimentel hadden zij vanaf begin 1943 honderden baby’s, peuters, kleuters en oudere kinderen overgedragen aan verzetsmensen, die ze naar onderduikadressen brachten. Maar Elly, Betty en Sieny waren de 90 gepasseerd en konden zich zoveel decennia later niet herinneren hoe en door wie Paula Melamed naar buiten was gesmokkeld. Zoals ook onbekend bleef hoe ze in het katholieke Kudelstaart terecht was gekomen. Dat antwoord moesten we Paula dus schuldig blijven.

Tot oktober vorig jaar. Toen meldde zich Bernard van Lammeren, die drie jaar na dato ons verhaal over de Joodse crèche had gelezen. Hij wist precies wie ‘Paultje’ was: het meisje dat zijn moeder Martha Zethof in de oorlog op de fiets had meegenomen naar haar geboortedorp Kudelstaart. En zo vallen bijna tachtig jaar na dato de puzzelstukjes op hun plaats en kan eindelijk het hele verhaal van de redding van Paula Melamed worden verteld.

Matrassenfabriek

Paula werd op 17 januari 1940 geboren in de Nieuwe Kerkstraat 155 III, in de Amsterdamse Jodenbuurt. Haar vader, Abraham Melamed, was ooit behanger en later stoffeerder in een matrassenfabriek in de Rapenburgerstraat. Haar moeder, de Poolse Chana Sara Kern, werkte als naaister. Handig dus dat er om de hoek aan de Plantage Middenlaan 31 een crèche was van de Vereeniging Zuigelingen-Inrichting, onder leiding van directrice Henriëtte Pimentel. Kinderen uit de arme, meestal Joodse gezinnen uit de buurt ­werden daar liefdevol verzorgd en gezond gevoed. Pas vanaf begin oktober 1942 gebruikte de Duitse bezetter de crèche om er Joodse kinderen die bij razzia’s waren opgepakt in onder te brengen, in afwachting van transport.

Bij de Melameds woonde in de beginjaren van de oorlog een jongere neef van vader Abraham in huis, de automonteur David Kaufmann. David was erbij toen het begin februari 1941 op het Waterlooplein tot een gevecht kwam tussen de WA, de geüniformeerde knokploeg van de NSB, en Joodse jongens uit de buurt. De Duitsers arresteerden hem – hij werd vermoord in concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk.

Paula vlak na aankomst bij het echtpaar Koper in Kudelstaart, 1943. Beeld prive-archief Paula Rubinek-Melamed
Paula vlak na aankomst bij het echtpaar Koper in Kudelstaart, 1943.Beeld prive-archief Paula Rubinek-Melamed
Op schoot bij ome Hein, ca. 1944. Beeld prive-archief Paula Rubinek-Melamed
Op schoot bij ome Hein, ca. 1944.Beeld prive-archief Paula Rubinek-Melamed

Abraham en Chana Melamed realiseerden zich het gevaar en ze weigerden de Jodenster te dragen toen dat op 3 mei 1942 verplicht werd gesteld. Ook besloten ze Paula in veiligheid te brengen. Abraham bleef ondanks het beroepsverbod werken. Dat kon hij doen omdat hij op een lijst stond die hem aanvankelijk beschermde. Moeder Chana kreeg valse papieren en dook net als kleine Paula onder. Zij bracht volgens Paula in ieder geval een deel van de oorlog door als dienstmeisje bij een protestants gezin op de Prinsengracht. Ze droeg geen Jodenster en hield haar Joodse achtergrond verborgen.

Nicolaas Maesstraat 38

Paula werd door haar vader en haar tante Olga Peereboom naar de Nicolaas Maesstraat 38-huis gebracht, waar advocaat Louis Houtappel en zijn vrouw Dientje woonden met hun kinderen Jaap, Anke en Louis. Houtappel stond altijd klaar om anderen te helpen, althans zo herinnert zijn dochter Anke zich hem. Onder de vrienden van Louis en Dientje en de cliënten van het advocatenkantoor bevonden zich ook veel Joodse Amsterdammers.

Houtappel was korporaal geweest in het Nederlandse leger en had in mei 1940 moeten toezien hoe zijn volledige eenheid werd neergemaaid door Duitse parachutisten. Hijzelf wist vervolgens via slootjes en tuinen het slagveld te ontvluchten.

Het was niet zijn enige traumatiserende ervaring. Op 30 januari 1942 was Houtappel een van de 85 prominente Amsterdammers die de bezetter naar Kamp Amersfoort afvoerde als represaille voor aanslagen op een gebouw van de NSB. De groep leed honger en werd mishandeld door de sadistische kampleiding. Toen de beruchte kampcommandant Joseph Kotälla – na de oorlog een van de Drie van Breda – een medegevangenen bijna doodsloeg, sprong Houtappel volgens de familie-overlevering tussenbeide. Kotälla sloeg hem vervolgens met een knuppel de tanden uit zijn mond. In het familiearchief zit nog een briefje dat Louis vanuit het kamp naar Dientje stuurde met het verzoek om 35 gulden voor de ‘Zahnartz’.

Louis Houtappel (1905-1963) en zijn vrouw Dientje Hout- appel-Pasma (1914-1985) boden Paula elf maanden lang een onderduikadres. Hoewel zijn verdiensten voor de hulp aan Joodse onderduikers bekend waren, kreeg hij een berisping omdat hij met hulp van zijn zwager een functie had verkregen bij de bezetter. Hij kreeg nooit erkenning voor zijn verzetswerk. Beeld Anke Houtappel
Louis Houtappel (1905-1963) en zijn vrouw Dientje Hout- appel-Pasma (1914-1985) boden Paula elf maanden lang een onderduikadres. Hoewel zijn verdiensten voor de hulp aan Joodse onderduikers bekend waren, kreeg hij een berisping omdat hij met hulp van zijn zwager een functie had verkregen bij de bezetter. Hij kreeg nooit erkenning voor zijn verzetswerk.Beeld Anke Houtappel

Houtappel, die wat Russisch had geleerd, probeerde contact te leggen met enkele van de 101 Russische krijgsgevangenen in het kamp, die nog veel slechter werden behandeld. De 77 Russische krijgsgevangenen in Kamp Amersfoort die niet door honger, ziekte en mishandeling om het leven waren gekomen, werden op 9 april 1942 gefusilleerd.

Niet veel later, op 20 april 1942, de verjaardag van Adolf Hitler, kwamen de 85 Amsterdamse gijzelaars vrij. Vermagerd en getraumatiseerd keerde Louis Houtappel terug in de Nicolaas Maesstraat, waar hij zes weken lang het bed moest houden om aan te sterken. Op dat moment werkte de toen 19-jarige Kudelstaartse kappersdochter Map Zethof bij de familie als dienstmeisje. Zij was daar terechtgekomen via haar tante Mieneke, bij wie ze in de Eerste Helmersstraat als hulp in de huishouding had gewerkt. En die was weer familie van Dientje Houtappel.

Niet lang voor haar dood in 2017 ­vertelde Zethof haar levensverhaal aan haar zoon Bernard van Lammeren. Ze kon zich de terugkeer van Houtappel uit Amersfoort nog goed herinneren. “Hij had het heel slecht gehad,” vertelde ze. “Toen hij thuiskwam, had hij een kale kop en hele dagen honger. Dan stond ie weer bij mij in de keuken om te kijken of ik iets voor hem had.” Soms vertelde hij iets over het kamp aan haar, bijvoorbeeld over die keer dat kampbewaarders met hun soldatenlaarzen op de handen van een priester stonden te trappen. “We zullen die gewijde handen van je vernielen, schreeuwden ze.”

Martha ‘Map’ Zethof (1922- 2017) bracht de 3-jarige Paula op de fiets naar haar onderduikadres bij de familie Koper in Kudelstaart. Map werkte als hulp bij Mieneke en haar man Gé Westerveld in de Eerste Helmersstraat 259. Via Mieneke kwam Map als ‘inwonend dienstbode’ bij de Houtappels in huis. Haar zoon Bernard van Lammeren schreef haar levensverhaal op in Map – De eeuw van mijn moeder. Beeld Collectie familie Van Lammeren-Zethof.
Martha ‘Map’ Zethof (1922- 2017) bracht de 3-jarige Paula op de fiets naar haar onderduikadres bij de familie Koper in Kudelstaart. Map werkte als hulp bij Mieneke en haar man Gé Westerveld in de Eerste Helmersstraat 259. Via Mieneke kwam Map als ‘inwonend dienstbode’ bij de Houtappels in huis. Haar zoon Bernard van Lammeren schreef haar levensverhaal op in Map – De eeuw van mijn moeder.Beeld Collectie familie Van Lammeren-Zethof.

Toen hij weer enigszins was opgeknapt, deed Louis Houtappel de rest van het jaar 1942 ‘louter illegaal werk’, zoals hij schrijft in het artikel ‘Iets over mijzelf’, een verantwoording van zijn gedrag in de oorlogsjaren die hij na de bevrijding publiceerde in een vaktijdschrift voor het verzekeringswezen. Houtappel was betrokken bij de ‘doorvoerhuizen’ in Amsterdam waar Joden die onderdoken tijdelijk verbleven voordat ze naar andere adressen op het platteland werden overgebracht. Hij zorgde voor valse persoonsbewijzen en andere documenten. Naar eigen zeggen hielp hij zo 120 Joodse burgers.

Houtappel besloot ook zelf onderduikers in huis te nemen. En zo kwam op een dag in mei of juni 1942, de datum is niet precies bekend, peutertje Paula bij het gezin wonen. Hij schreef in zijn terugblik over een ‘Joods kindje van drie jaar’ met een moeder die een ‘gewone Joodse werkster was die ik voordien niet kende’.

Map Zethof merkte als inwonende dienstbode dat ze voor steeds meer mensen moest koken. Behalve Paula werd ook een echtpaar met hun dochter verborgen in de kelder. ‘Dat waren Joodse buren die daarin waren gekropen.’ Oorlog of niet, twee keer nam Map de kleine Paula mee als ze op zondag naar haar ouders in Kudelstaart fietste, om het peutertje te ‘showen’ waarvoor ze nu al maandenlang zorgde.

Onder de plak

Ondertussen waren het voor Houtappel zorgelijke tijden: zijn advocatenkantoor had hij moeten liquideren en aan het einde van het jaar 1942 kampte hij met een aanzienlijke schuld. Zwager Karel Wolters bracht uitkomst. Wolters was ook advocaat en had voor de oorlog in de praktijk van Houtappel gewerkt. Hij was getrouwd met de jongere zus van Louis, tante Roos, die een felle NSB’er was. Ook Wolters was actief binnen de partij en zat volgens Jaap Houtappel ‘onder de plak bij zijn vrouw’.

Wolters maakte als NSB’er carrière in bezet Nederland. Al snel had hij zijn eigen advocatenkantoor en hij nam op aanwijzing van de bezetter Joodse bedrijven over als Stellvertreter. Een van die bedrijven was dat van Otto Frank, de vader van Anne Frank. Daarnaast was Wolters secretaris van de Verzekeringsraad en trad hij op als adviseur van De Nederlandsche Bank. Wolters had goede contacten met de vooraanstaande NSB’er Meindert Rost van Tonningen, secretaris-generaal van het ministerie van Financiën en directeur van De Nederlandsche Bank.

Tante Roos vond dat haar man de Führer niet vanachter zijn bureau moest helpen, maar aan het Oostfront. Nadat Rost van Tonningen een goed woordje voor hem had gedaan bij Hanns Albin Rauter, de hoogste SS’er in Nederland, mocht Wolters als SS’er naar het Oosten vertrekken. Voor vertrek had hij zijn zwager Louis voorgesteld als zijn vervanger bij de Verzekeringsraad. Dat Louis Houtappel sociaal-democratische sympathieën had en in Kamp Amersfoort had gezeten, bleek geen beletsel. Ook toen hij weigerde een Ariërverklaring of een loyaliteitsverklaring te tekenen, ging Rost van Tonningen akkoord. Hij had een scherpe jurist nodig voor de geplande sanering van het verzekeringswezen. En dat was Houtappel.

Paula Melamed links van de blonde kinderen. Beeld Privé-archief Paula Rubinek-Melamed
Paula Melamed links van de blonde kinderen.Beeld Privé-archief Paula Rubinek-Melamed

Louis Houtappel werkte dus tijdens kantooruren aan een project voor de bezetter, terwijl hij in zijn vrije tijd Joodse onderduikers hielp. Kleine Paula zat elf maanden ondergedoken in het huis aan de Nicolaas Maesstraat.

Het was een moeilijke tijd voor het meisje, herinnert Jaap Houtappel zich. “Ze was bij ons kinderen geïntroduceerd als nichtje. Haar haar was geknipt in een pony met een staart, net als bij mijn zusje Anke, maar zij had donker haar en Anke was blond en had blauwe ogen. Paula mocht alleen af en toe de straat op met mijn opa, die ook bij ons woonde en die een behoedzaam man was.”

Volgens Jaap vond zijn vader Paula ‘een schatje’, maar klaagde zijn moeder erover dat ze recalcitrant was; geen wonder als je van de ene dag op de andere bij vreemden in huis wordt geplaatst. Jaap heeft nu, bijna tachtig jaar later, maar één echte herinnering aan Paula. Ze zaten met het gezin aan tafel en de 3-jarige Paula had er zo genoeg van dat ze uit protest met haar lepel in een bord tomatensoep sloeg. “De soep spatte alle kanten op, tegen het behang, in het gezicht van mijn moeder van mij en mijn zus. Het was een krachtdadig protest. Ze had er genoeg van, van die stomme wandelingetjes met mijn opa, het wegblijven van haar moeder, dat ze niet naar huis mocht, van die hele rotoorlog.”

Tante Paula

Paula’s vader Abraham werd 1 april 1943 alsnog gearresteerd en overgebracht naar kamp Westerbork. Paula bezit nog vijf brieven van hem, die hij tussen april en juni 1943, vlak voor hij werd afgevoerd, schreef aan zijn ‘lief dapper vrouwtje’ in Amsterdam. Abraham vertelde dat hij in de matrassenmakerij werkte en in Westerbork ‘duizend en één bekenden’ zag. ‘Er komen hier nog geregeld transporten binnen uit Amsterdam en je verwondert je er alleen nog over dat er überhaupt nog Joden in Amsterdam zijn. Het lijkt hier soms of ik in de Nieuwe Kerkstraat of de Weesperstraat loop.’

Omdat zijn brieven werden gecensureerd, zette Abraham de meelezers op een dwaalspoor door te schrijven dat ‘we gelukkig geen kinderen hebben,’ maar hij kon het niet laten om zijn vrouw te vragen de groeten te doen aan ‘tante Paula’.

Joodse raadskaart Paula Melamed. Beeld Prive-archief
Joodse raadskaart Paula Melamed.Beeld Prive-archief

Hij vroeg Chana om lege flessen te sturen ‘want op het transport heb ik die absoluut nodig om er water in te doen’. En hij stelde haar voor om, mocht ze zich erg bang en eenzaam voelen, ook naar Westerbork te komen: ‘Erg gezellig lijkt het me in Amsterdam nu ook niet, dus als je hierheen komt, geef je geloof ik niet veel op.’ Maar Chana ging niet naar Westerbork. En Abraham Melamed werd op 20 juli 1943 in een goederenwagon geladen en afgevoerd naar Sobibor, waar hij drie dagen later werd vermoord.

Verraad

Op een dag in april 1943 sloeg ook op de Nicolaas Maesstraat het noodlot toe. Wie het verraad had gepleegd is altijd onduidelijk gebleven. De arrestatie verliep chaotisch. “Mijn moeder werd zo hysterisch dat verdere huiszoeking uitbleef,” herinnert Jaap Houtappel zich. Paultje werd naar de Joodse crèche gebracht; geen veilige plek meer, maar een voorportaal van deportatie en vernietiging.

Voor de familie Houtappel dreigde gevaar nadat Paula was ontdekt: op het verbergen van Joden stonden zware straffen. Houtappel besloot gebruik te maken van zijn goede contacten bij de bezetter. Samen met een gepensioneerde Duitse officier ging hij naar het hoofdkantoor van de gevreesde Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat om te achterhalen waar Paula was gebleven. Hij kreeg nog antwoord ook; de ex-officier die nog in het leger had gediend ten tijde van de keizer was volgens de familieoverlevering goed in ‘snauwduits’, waarvoor de SD’ers in de houding sprongen. Paula was in de Joodse crèche, kregen de heren te horen.

Een ­collega bij de verzekeringsraad, NSB’er Carel Piek, deed een goed woordje voor zijn vader bij Rost van Tonningen, aldus Jaap Houtappel. “Mijn vader had uit sentimentaliteit het Joodse kind in huis genomen, was zijn betoog. Het was ontdekt en door de politie opgehaald. Genieën hebben zo hun zwakheden. Mijn vader had spijt. Het zou niet meer voorkomen. Voor Rost was daarmee de kous af. Kind weg, probleem weg.”

Map Zethof was niet lang daarvoor gestopt als dienstmeisje bij de Houtappels en tante Mieneke kwam haar in Kudelstaart opzoeken. “Nu moet ik je toch iets ergs vertellen,” zei Mieneke tegen Map. “Dat kindje is opgepakt. Het zit in de Joodse Crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg.” Mieneke vertelde dat zij Paultje daar wilde weghalen en ze vroeg of Map wilde helpen bij het bevrijden en opnieuw laten onderduiken van het peutertje. Dat er in de crèche en daarbuiten mensen waren die georganiseerd kinderen naarbuiten smokkelden, wist ze niet. Map, die in de Nicolaas Maesstraat gehecht was geraakt aan het kleine meisje, aarzelde geen moment. Zoals haar zoon Bernard driekwart eeuw later vertelt: “Eén keer stapte mijn doodgewone moeder naar voren. Heel eventjes maar, en in een dienstbare rol. Maar ze hielp een medemens, een kind, te redden.”

Schoentjes

Op vrijdagochtend 23 juli 1943 gingen de twee vrouwen op pad. Mieneke had extra kleding bij zich voor Paultje. Voor de Hollandsche Schouwburg stonden Duitse soldaten op wacht, met goed zicht op de ­crèche aan de overkant. “Blijf jij op de uitkijk staan,” zei Mieneke tegen Map. “Als ik te lang wegblijf, moet je gaan.”

Mieneke liep de crèche binnen – ‘gewoon, op de gok’, volgens Map – en sprak een van de crècheleidsters aan. Op dat moment meldde zich ook een Duitse soldaat, op zoek naar ‘een blonde vrouw die hier niets te zoeken had’. De crècheleidster vroeg brutaal: “Blonde vrouw, blonde vrouw, hoezo… bedoel je háár soms,” terwijl ze naar Mieneke wees. Nee, nee, die was het niet. En toen verdween de soldaat weer. Mieneke kleedde Paula aan op een toilet, liep met haar naar buiten en fietste weg. Toen Map haar zag vertrekken, ging ze zoals afgesproken naar Mienekes huis aan de Eerste Helmersstraat.

Thuisgekomen merkte Mieneke dat ze in de haast Paula’s schoentjes was vergeten mee te nemen en de volgende dag ging ze brutaalweg terug naar de Plantage Middenlaan. De crèche bleek totaal verlaten: geen kind meer te bekennen, ook de­crècheleidsters waren verdwenen. “Paula moet een van de laatste kindjes zijn geweest die werden gered,” vertelde Map aan haar zoon. “De dag erop is dat hele gebouw leeggehaald. Alle kinderen en alle begeleidsters in één keer, allemaal weg.”

Paula Rubinek-Melamed rond 2019, gefotografeerd in het huis van Betty de Leon Klouska. Beeld Maxim Golovanov
Paula Rubinek-Melamed rond 2019, gefotografeerd in het huis van Betty de Leon Klouska.Beeld Maxim Golovanov

Directrice Henriëtte Pimentel, 37 collega’s en 70 kinderen waren de nacht van 23 op 24 juli 1943 door de nazi’s uit de crèche gehaald. Eerst met overvalwagens naar het Muiderpoortstation. Toen verder, eerst naar Westerbork, daarna naar de vernietigingskampen. Henriëtte Pimentel zelf kwam op 16 september 1943 aan in Auschwitz-Birkenau, waar ze werd vermoord, net als bijna alle 1005 mensen van haar transport, inclusief 119 kinderen. Als Map en Mieneke hun reddingsactie een dag later hadden gepland, had ook Paultje de oorlog niet overleefd.

Mieneke hield Paula een paar dagen bij zich in huis. Map overlegde met haar moeder in Kudelstaart: die had een oplossing. Zij vroeg het oudere boerenechtpaar Mat en Hein Koper of zij Paula in huis wilden nemen. Het echtpaar was familie en Hein kwam elke zondag koffiedrinken, ook een van de keren dat Map Paula had meegenomen. Die dag was het peutertje nogal overstuur geweest. “Dikke tranen had ze gehuild uit die donkere kijkers,” herinnerde Map zich. “Ome Hein had op het laatst bijna mee zitten huilen. Dus toen we het erover hadden kon hij het niet over z’n hart verkrijgen dat dat kind weggevoerd werd. Breng dat kindje maar bij ons, zei ome Hein.”

Mieneke van Veen (1905- 1996) haalde Paula uit de Joodse crèche, een dag voor- dat die door de Duitsers werd leeggehaald. Samen met haar achternicht Map Zethof hielp Mieneke bovendien haar buren bij het beschermen van hun Joodse onderduikers. In haar nalatenschap bevindt zich een kerststalletje met de inscriptie ‘Gerard Willard 23 dec 1943 onderduiker’. Over hem is verder niets bekend. Beeld Collectie familie Van Lammeren-Zethof.
Mieneke van Veen (1905- 1996) haalde Paula uit de Joodse crèche, een dag voor- dat die door de Duitsers werd leeggehaald. Samen met haar achternicht Map Zethof hielp Mieneke bovendien haar buren bij het beschermen van hun Joodse onderduikers. In haar nalatenschap bevindt zich een kerststalletje met de inscriptie ‘Gerard Willard 23 dec 1943 onderduiker’. Over hem is verder niets bekend.Beeld Collectie familie Van Lammeren-Zethof.

Map bracht Paula dus in een mandje achterop de fiets naar Kudelstaart. “Ik zat de dag erop helemaal onder de rode vlekken van de spanning,” vertelde ze haar zoon. “Ik wist van Houtappel wat de gevolgen konden zijn als je werd opgepakt en afgevoerd naar een kamp.”

Treesje

De rest van de oorlog ging Paula door het leven als ‘Treesje’. Rond de boerderij van de Kopers waren in verschillende andere woningen Duitsers ingekwartierd. Een van die soldaten vroeg aan Mat wat dat donkere kindje daar deed, of dat wel van haar was. Mat, die donker haar en bruine ogen had, had bevestigend geantwoord. Ze was dan wel een behoorlijk oude moeder, maar de Duitser vroeg niet door.

Na de bevrijding kwam Chana naar Kudelstaart om herenigd te worden met haar dochter. “Ik herkende mijn moeder eerst helemaal niet,” herinnert Paula zich. “Om iets aardigs te doen, heb ik haar toen meegenomen naar een kalfje en haar gevraagd haar hand in de sabbelende bek van het beestje te steken.” Dat gedeelde moment van vertedering bracht moeder en dochter wat dichter bij elkaar, nadat ze drie jaar van elkaar gescheiden waren geweest.

Paultje had nog maar een uiterst vage ­herinnering aan haar ouders. Het meisje, inmiddels 5 jaar oud, was gehecht geraakt aan haar onderduikouders. “Maar ik zei nooit mama en papa,” zegt Paula. “Ik noemde ze oom Hein en tante Mat.”

Tante Mieneke als bruid. Links Dientje  Pasma als bruidsmeisje. Reproductie van een foto uit het archief van de Anke Houtappel, de dochter van Louis Houtappel.  Beeld Anke Houtappel
Tante Mieneke als bruid. Links Dientje Pasma als bruidsmeisje. Reproductie van een foto uit het archief van de Anke Houtappel, de dochter van Louis Houtappel.Beeld Anke Houtappel

De kleine twee jaar bij het katholieke boerengezin hebben een onuitwisbare indruk gemaakt. “Tot op de dag van vandaag voel ik behalve dankbaarheid ook een gevoel van verraad dat ik het katholieke geloof weer heb afgezworen. En ik hou nog steeds veel van koeien.”

Moeder en dochter gingen terug naar de onttakelde en leeggehaalde Jodenbuurt. Veel familieleden en kennissen kwamen niet terug uit de concentratiekampen, en voor moeder Chana was dat te zwaar, volgens Paula. “Als we op straat liepen, zei ze: kijk, dat is een NSB’er. En die daar, dat is ook een NSB’er.”

Chana ging werken bij een weeshuis voor Joodse kinderen, zodat zij en haar dochter een dak boven het hoofd hadden. Ze werkte ook als naaister en kookte voor ontheemden die terugkeerden uit de kampen of uit de onderduik. Ze vonden ten slotte een woninkje in de Weesperstraat. Paula ging, samen met andere kinderen die de Holocaust hadden overleefd, naar de in 1947 opgerichte Joodse lagere school Rosj Pina in de Van Ostadestraat. In 1948 trouwde Chana met de Pools-Joodse meubelmaker Avram Munish, die in de oorlog zijn hele familie was kwijtgeraakt. In 1949 vertrok het drietal met de boot naar Israël.

“Mijn moeder heeft nooit willen terugkijken,” zegt Paula. “Ze wilde geen banden met het verleden.” En dus wist Paula Melamed bijna tachtig jaar lang niet aan wie ze haar leven te danken had. Tot nu.

Het verhaal van Paula is gereconstrueerd via gesprekken en mailwisselingen met Paula Rubinek-Melamed, Bernard van Lammeren (zoon van Map Zethof), Jaap en Anke Houtappel (kinderen van Louis Houtappel), Simone Jay en Josephine Gall Westerveld (kleindochter en dochter van Mieneke van Veen). Daarnaast is ­gebruikgemaakt van de archieven van het Niod, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en verdere ­literatuur, waaronder Wacht maar – Het veelbewogen leven van Henriëtte Pimentel van Esther Shaya en Frank Hemminga.

Meer over