PlusDe klas in

Pannenkoekenles in groep 6 – ‘Van jou wil ik één zevende stuk’

null Beeld inge duiker
Beeld inge duiker

Jocelyn Vreugdenhil volgt leerkrachten van basisscholen in Amsterdam. Deze week: groep 6, Zuidoost.

Jocelyn Vreugdenhil

Wanneer de meester aan het begin van het schooljaar vraagt: ‘Wat gaan jullie leren?’, roept de klas steevast in koor: ‘Breuken!’

“Dat vinden ze geweldig. Dat wil zeggen nu nog wel, maar in groep 7 en 8 niet meer.”

Wellicht komt het enthousiasme door de legendarische leermethode van de meester: de pannenkoekenles. Na een paar maanden oefenen op het digibord en in het schrift is het eindelijk zover, dan start de les met een grote stapel kant-en-klare exemplaren van de supermarkt om de hoek (“zelf bakken, daar begin ik niet aan”).

Na een korte uitleg loopt hij bij elke leerling langs met een pannenkoek op een bordje en een breukensom.

“Jij mag de pannenkoek in vier gelijke stukken verdelen, in kwarten.”

“Van jou wil ik graag één achtste deel.”

Alle sommen zijn aangepast op het niveau van de leerlingen. Als de oplossing goed is, mogen ze de pannenkoek opeten. Voor die ene superslimme leerling van dit jaar heeft de meester een speciale opdracht: “Graag een zevende deel.”

Hij geniet elk jaar weer van de les. Ook de kinderen vinden het fantastisch en vergeten het nooit meer. Dat blijkt wel als oud-leerlingen bij hem langskomen om bij te praten en herinneringen op te halen.

En de pannenkoekenles is niet de enige speciale les, want de meester heeft een heel arsenaal aan zelfverzonnen lesmethodes en materialen. Hij trekt een lade van zijn bureau open en haalt er een geplastificeerde liniaal uit met daarop aangegeven: procenten, breuken, kommagetallen en centimeters. Uit ervaring weet hij dat de leerlingen dat moeilijk kunnen onthouden. De linialen zijn handgemaakt. Voor elke leerling één om de rest van de schooltijd te gebruiken. “Ik knutsel dit soort dingen ’s avonds thuis in elkaar.”

Hij heeft hij ook een speciale meetkaart ontwikkeld. “Toen ik net voor de klas stond, ontdekte ik dat de leerlingen de teksten bij de sommen vaak niet begrepen.” En zo ontstond de meetkaart. Een dubbelgevouwen A4 met uitleg over rekenen en welke woorden daarbij horen: ‘Als je optelt worden de woorden plus, samen, meer, groter gebruikt en als je aftrekt: min, eraf, minder, afnemen.’ Rekentaal noemt hij dat.

“Wat ook goed werkt is de namen van de kinderen uit de klas gebruiken in de verhaalsommen, dat maakt de leerstof extra interessant voor ze. Bijvoorbeeld: ‘Hamza werkt op zaterdag bij de Jumbo...’ en dan volgt een rekensom.” Ook begrijpend lezen heeft hij in een andere vorm gegoten door kindermoppen in stukken te knippen en door elkaar te husselen met de opdracht om de zinnen in de goede volgorde te zetten.

Wat is de eerste zin?

A ‘Dat is genoteerd. En met wie spreek ik?’

B ‘Eh… met mijn vader.’

C ‘Hallo, meneer de directeur. Ik bel u om te zeggen dat Jantje vandaag niet op school komt.’

D ‘Hij is ziek.’

“De moppenvorm spreekt ze erg aan. En daarbij komt de husselopdracht ook bij de Cito-toets voor. Alleen snappen ze de verhaaltjes van de Cito vaak niet. Op deze manier kunnen ze de methode goed oefenen.”

Jocelyn Vreugdenhil volgt leerkrachten van basisscholen in Amsterdam. Lees hier al haar verhalen terug.

Meer over