PlusExclusief

Oeke Hoogendijk maakte een documentaire over haar Joodse moeder – ‘Ik heb altijd bij haar onder de plak gezeten’

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

Regisseur Oeke Hoogendijk (60), bekend van documentaires als Het nieuwe Rijksmuseum en Mijn Rembrandt, richt in Housewitz de camera op haar Joodse moeder, die zich dertig jaar had opgesloten in haar huis in Amstelveen. ‘Het was een mijnenveld bij ons thuis.’

Jan Pieter Ekker

“Mijn moeder,” zegt Oeke Hoogendijk. ­Terwijl ze thee zet, knikt ze naar het ­portret naast het raam van haar Amsterdamse bovenwoning. “Het is vlak na de oorlog gemaakt, we weten niet door wie. Mijn moeder was er niet zo gek op, het stond ergens in een hoek. Ik vind het wél mooi en heb jaren geleden gevraagd of ik het mocht hebben.”

Hoogendijk, regisseur van veelgeroemde documentaires als Het nieuwe Rijks­museum (2014) en Mijn Rembrandt (2019), rondde het afgelopen jaar drie langlopende producties af: De schatten van de Krim, over het juridische getouwtrek om de aan het Allard Pierson uitgeleende kunstschatten uit de Krim, die door zowel Rusland als Oekraïne worden opgeëist, Licht, over ­Karlheinz Stockhausens megalomane operacyclus LICHT, en Housewitz, een zeer persoonlijk portret van haar Joodse moeder Lous Hoogendijk-De Jong, die zich dertig jaar had opgesloten in haar huis in Amstelveen.

Ze schuift aan aan tafel. “Na haar dood – twee jaar geleden, ze was 93 – hebben mijn broers en ik haar huis leeggehaald. Het was een enorme klus; mijn moeder was een hoarder, ze gooide niks weg.”

Ze wijst richting de achterkamer. “Dat enorme portret in de alkoof is mijn over-­over-overgrootmoeder; komt ook van mijn moeder. Die hele hoek staat vol spullen die bij haar vandaan komen. Toen we in haar huis bezig waren, heb ik tegen mijn broers gezegd: alles wat is geschreven, wil ik ­hebben. Dat wil ik allemaal nog een keer lezen. Ik heb ook veel cassettebandjes; ze nam alles op van de radio. Ook van televisie, trouwens, maar de VHS-banden –minstens tien kratten – hebben we weg­gedaan. Je moet ergens een lijn trekken.”

‘Ik heb ook veel cassettebandjes; ze nam alles op van de radio.’ Beeld Marjolein van Damme
‘Ik heb ook veel cassettebandjes; ze nam alles op van de radio.’Beeld Marjolein van Damme

Haar moeder had een goede smaak, zegt Hoogendijk, een beetje alsof ze haar moet verdedigen. “Ze nam niet alleen alles op over de oorlog, maar ook speelfilms en veel culturele programma’s: ­Opium, Kunststof, alles van Ischa Meijer... Speciaal voor de gelegenheid heb ik een cassetterecorder gekocht. Ik ben al begonnen met luisteren. Ik kom ook oude interviews met mezelf tegen, als ik weer een film had gemaakt – dat heeft ze allemaal opgenomen. Maar ook als ze zelf de radio weer eens belde als ze zich ergens over opwond. Tijdens het strijken zet ik zo’n bandje op, zo leer ik haar weer een beetje beter ­kennen.”

U bent vijftien jaar bezig geweest met een documentaire over uw moeder; is het nu nog niet klaar?

“Mijn moeder zei altijd tegen me: jij gaat vast nog meer met me doen. Ik sluit niks uit, het hangt er vanaf wat ik aantref. Ik wil het sowieso allemaal weten. Als je met zo’n moeder opgroeit, zijn veel zaken een raadsel. Ik ben nog altijd aan het ­zoeken.”

Naar uw moeder of naar uzelf?

“Naar mezelf, denk ik. Maar ook wel naar hoe zij in haar eentje was. Dat is natuurlijk ook mijn vak, ik ben altijd geïnteresseerd hoe mensen in elkaar steken en met elkaar omgaan. Hier komt dat allemaal bij elkaar.”

Het lijkt mij makkelijker graven in het leven van een vreemde.

“Dat is zeker makkelijker, maar de motivatie is weer groter in je eigen leven. Je leven is toch een soort puzzel, en ik ­probeer die op te lossen, zeker naarmate ik ouder word. Ik probeer een beeld te krijgen van waar ik in godsnaam vandaan kom. Het was bij ons wel een mijnenveld, wij waren bepaald geen Brinta-gezin. Mijn ouders zijn na vier jaar huwelijk gescheiden. Of beter: na vier jaar is mijn vader vertrokken met het kindermeisje. Wij ­bleven achter met een moeder met een straatfobie én een gebroken hart – op zolder vonden we een helemaal grijsgedraaid singeltje van Ne me quitte pas.

Het was heel erg voor haar, dat verlies. Want zij worstelde al met het verlies van haar vader en haar broer op wie ze stapelgek was, die beiden in Auschwitz vermoord zijn. Voor mij was het ook erg natuurlijk, maar ik was nog heel jong, dus ik kan me eigenlijk niet herinneren dat hij er was. Ik was stapel op mijn vader. Dat zie je vaak bij vaders die deels afwezig zijn. Nee, ik heb nooit een film over hem willen maken. Niet alle ouders zijn geschikt. Hij was zeker niet geschikt, mijn moeder bij uitstek wel, omdat zij een theatrale persoonlijkheid was en heel extravert.”

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

Hoogendijks moeder was ook al te zien in haar eerste documentaire, Een gelukkige tijd (1998). Daarin draait het om de Barneveldgroep, een groep ‘verdienstelijke Joodse Nederlanders’ die in de winter van 1942, toen de razzia’s en deportaties begonnen, werden ondergebracht in kasteel De Schaffelaar in Barneveld. Daar leken ze aanvankelijk uit handen van de nazi’s te kunnen blijven, maar uiteindelijk werden ze toch via Westerbork naar Theresienstadt gedeporteerd.

“Door mijn moeder ben ik begonnen met film maken. Ik deed een opleiding theaterregie toen ik het verhaal hoorde van de Barneveldgroep. Dat vond ik zo intrigerend: dat er in 1943 nog Joden op een legale lijst stonden waardoor ze in een kasteel konden verblijven. Ik wilde iets doen met die mensen. Niet als theatermaker, maar op een documentairemanier. Zo is het allemaal begonnen. Ik ben in 1993 met dat project begonnen, maar het was niet eenvoudig. Gelukkig ben ik een bijtertje.”

U was daarna nog niet klaar met de oorlog.

“Integendeel. Ik was totaal gefascineerd door de oorlog – dat ben ik eigenlijk nog steeds, maar het begint ook wel welletjes te worden. Ik las een artikel over het Museum of Tolerance in Los Angeles, een multimediamuseum waar kinderen aan het ­einde van een tour in een nagebouwde gaskamer belanden. In dezelfde periode las ik dat ze in Auschwitz niet meer weten hoe ze al die restanten moeten bewaren. Alles vergaat, het is natuurlijk niet voor de eeuwigheid gebouwd. Het resultaat was The Holocaust Experience, een essayistische film over de vraag wat we met de oorlog moeten.”

Is de oorlog altijd zo aanwezig geweest in uw leven?

“Mijn moeder praatte er eerst nooit over, het is pas later gekomen. Ik heb een heel sterke herinnering dat ik op de achterbank in de auto zat – toen ging ze dus nog naar buiten. We reden bij Ouderkerk en ik vroeg waar haar vader was. Terwijl ze aan het autorijden was, barstte ze in huilen uit. Ik zat bevroren op de achterbank: mijn god, wat heb ik nu aangericht? Dat had ik dus nooit mogen vragen. Vanaf dat moment – ik moet een jaar of elf zijn geweest – kreeg ik het door. Daarna ben ik heel erg geïnteresseerd geraakt in de oorlog. Ik ben het dagboek van Anne Frank gaan lezen en zo, en die Amerikaanse serie Holocaust hebben mijn broers en ik verslonden. Maar als mijn moeder de kamer binnenkwam, moesten we naar de televisie rennen om ’m uit te zetten – we hadden nog geen afstandbediening – want zij wilde het absoluut niet zien.”

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

“Later ben ik bij het Joods Historisch Museum gaan werken, als bijbaantje, maar ook om meer te weten te komen over het jodendom. Wij zijn niet echt joods opgevoed, mijn moeder had bijvoorbeeld altijd een kerstboom – het moest overigens wel de grootste kerstboom van de straat zijn, dat vind ik dan wel weer heel erg Joods – dus ik wist er weinig vanaf. Toen ik net bij het Joods Historisch werkte, zei Petra Katzenstein, het hoofd educatie, tegen de rabbijn dat ik halachisch-Joods was. Ik stond daar schaapachtig bij te lachen, want ik had geen idee wat het betekende. Ik wilde alles weten. Het had er ook mee te maken dat alles wat ik ervan wist negatief was: ik was alleen maar Joods door die oorlog. Een vriend zei eens tegen me: als je moeder over de oorlog praat, is het alsof haar vader en broer nog in de achterkamer zitten – zo levendig was haar verdriet. Ik heb dat altijd ervaren als een grote zwaarte, dus ik dacht: laat ik me ook verrijken door de mooie dingen uit de Joodse cultuur.”

U hebt via het Joods Historisch Museum ook meegewerkt aan de opbouw van het archief van het USC Shoah Foundation Institute, dat meer dan 50.000 interviews bevat met over­levenden van de Holocaust. Dat project is geïnitieerd door Steven Spielberg, gefinancierd met de inkomsten van zijn ­Oscar winnende film Schindler’s List.

“Daar had ik wel mijn twijfels over: Amerikanen en de Holocaust vind ik heel ingewikkeld.”

Hoe dat zo?

Don’t get me started… In Hollywood zijn overlevenden altijd helden, en het moet altijd goed aflopen. Voor die interviews werden we in een middagje klaargestoomd door een Amerikaan. De belangrijkste regel was: don’t touch the survivor. Dat heilig maken. Dat stichtelijke, dat vind ik heel erg. Maar ik heb het toch gedaan en ik heb er ontzettend veel van geleerd; ik heb wel honderd mensen geïnterviewd.””

Na The Holocaust Experience gooide u het over een andere boeg. Hoe belandde u in de wereld van de kunst?

“Ik werd gevraagd door Boris de Munnick, die als persvoorlichter bij het Rijksmuseum werkte en ook betrokken was geweest bij mijn film over Barneveldgroep. Hij zei: ons museum gaat renoveren, kun jij daar niet een film over maken? Ik antwoordde: geen Joden, geen oorlog, dat is niks voor mij. Al die bouwvergunningen en procedures; het leek me heel saai. Later vroeg hij het nog een keer. Er was toen net een ander project niet doorgegaan en ik dacht: misschien moet ik ook eens uit mijn comfortzone. Het heeft mijn leven tien jaar lang enorm bepaald. Ik heb hierdoor geleerd dat je je moet durven laten verrassen. Die film ging uiteindelijk over zo veel meer dan die renovatie.”

Met De schatten van de Krim is net zoiets aan de hand, die gaat ook over veel meer dan die kunstschatten.

“Ik werd benaderd of ik van binnenuit wilde volgen hoe het Allard Pierson met die claims van Rusland en de Krim zou omgaan – Het nieuwe Rijksmuseum zal daar wel een rol bij hebben gespeeld. Voor die documentaire kon ik overal binnenlopen, ook bij directeur Wim Pijbes, maar bij de UvA, waar het Allard Pierson onderdeel van uitmaakt, kreeg ik geen poot aan de grond. Toen zat Louise Gunning daar nog en zij reageerde niet eens op mijn mails en brieven. En directeur Wim Hupperetz mocht duidelijk niet praten. Er heerste een enorme angstcultuur.”

“Maar bij de afsluiting van De Krim - Goud en geheimen van de Zwarte Zee, zoals de tentoonstelling in het Allard Pierson heette, medio mei 2014 – de Krim was toen net door Rusland geannexeerd – ontmoette ik Ludmila Strokova, die de Oekraïense belangen behartigde, en conservator en archeologe Valentina Mordvintseva, die de Krimmusea had overtuigd hun grootste schatten uit te lenen. Ik wist meteen: dit is een verhaal. Het gekrakeel gaat om die schatten, maar het is een geopolitiek conflict. De kunst is lijdend voorwerp in mijn film; over de rug van de kunst wordt een politiek conflict uitgevochten.”

Toen De schatten van de Krim in maart in de filmhuizen werd uitgebracht, was Rusland Oekraïne binnengevallen en ging het over de praktijken van Houthoff, het aan de Zuidas gevestigde advocatenkantoor dat de Russische Federatie bijstond. Bent u anders gaan kijken naar de Houthoff-advocaten in uw film?

“Ik vind dat allemaal heel verwarrend. Ik ben daar nog mee bezig en heb er geen pasklaar antwoord op. Ik vond dat Houthoff het heel goed deed. Ze hadden een heel helder betoog: die spullen zijn helemaal niet illegaal uitgevoerd. Ze zijn geleend en moeten gewoon terug; je moet je gewoon aan die bruikleenovereenkomst houden. Ze wonnen dan ook. Ik heb me tijdens het maakproces van De schatten van de Krim verder niet verdiept in hun praktijken en wat zij nog meer deden met Rusland. Maar ze hebben deze zaak inmiddels ook moeten afstoten. Ik ben blij dat mijn film toen al klaar was, het was al zo’n ingewikkeld juridisch steekspel.”

Wat is nu de stand van zaken?

“Het hoger beroep is gewonnen door Oekraïne, en het was zeker dat Rusland in cassatie zou gaan. Maar inmiddels staat alles op zijn kop. Is Kiev straks nog Oekraïens of wordt het Russisch – dan kan je die spullen net zo goed naar de Krim sturen.”

Ze zucht. “Ik denk dat we blij moeten zijn dat die archeologische schatten nog in de kelder van het Allard Pierson liggen – als ze daar tenminste nog liggen, want dat weet ik natuurlijk ook niet zeker.”

Hebt u nog contact met Valentina Mordvintseva?

“Ja, het laatste bericht is dat zij en haar dochter gevlucht zijn.”

U ontmoet steeds nieuwe mensen; met elke film wordt uw leven rijker.

“Dat is soms wel eens ingewikkeld, want ik hecht me snel. Als mijn film dan klaar is, volgt altijd een enorm onthechtingsproces. Dat gaat soms best ver. Ik vierde een keer mijn verjaardag en had het idee dat er een paar belangrijke mensen niet waren. Toen bedacht ik opeens dat ik Jan Six en de Duke of Buccleuch miste, personages uit Mijn Rembrandt.”

U spreekt van personages. Zag uw moeder zichzelf ook als personage?

“Nee.”

Waarom deed ze eigenlijk mee?

“Dat is een goede vraag. Het is op zichzelf opmerkelijk; ze was namelijk een kluizenaar. Maar mijn moeder had een vreemde combinatie van een meer- en minderwaardigheidscomplex. De eerste keer dat ik tegen haar zei dat ik een film over haar wilde maken, keek ze me aan en zei ze: ‘Dat nou nooit iemand eerder daarop gekomen is’. Ze vond het een fantastisch plan, want ze had enorm veel te vertellen. Met haar in de hoofdrol zou het zeker een goede film worden.”

‘Mijn moeder was niet zo gek op dat portret, het stond ergens in de hoek.’ Beeld Marjolein van Damme
‘Mijn moeder was niet zo gek op dat portret, het stond ergens in de hoek.’Beeld Marjolein van Damme

Na een paar jaar heeft ze alle cameraploegen de deur gewezen.

“Ze was vrij grillig, gaandeweg had ik steeds minder in te brengen. Voor mijn moeder was het heel moeilijk om de controle uit handen te geven. En je moet ook niet vergeten: door die fobie leefde ze bijna alleen maar in de huiskamer en daar stonden wij dan; met de hele crew rond haar bed. Dat is nogal wat. Op een gegeven moment zei ze: hang maar een webcam op, dan neem je alles op, en pik je eruit wat je wilt hebben. Dat vond ik een briljant idee; het heeft de film beslist naar een hoger plan gebracht. Zo zie je echt hoe het is tussen die vier muren.”

U hebt met de uitbreng van Housewitz gewacht tot na haar dood.

“Dat was een afspraak. Het had ook niet anders gekund. Ze heeft eens een klein stukje gezien en dat was dramatisch. Ik was gevraagd door de Ikon; die wilde een paar minuten uitzenden op 4 mei. Toen moest ik natuurlijk toestemming aan haar vragen, want ze kijkt altijd tv. Mijn moeder had er natuurlijk verstand van, want ze kijkt heel veel films. Dus ze zei dat ik het anders moest monteren, en dat ze bepaalde beelden er niet in wilde. Toen dacht ik: als het met twee minuten al zo gaat, ga ik 70 minuten niet overleven.”

Hebt u rekening met haar gehouden?

“Je houdt altijd rekening met je personages. Maar ik heb haar ook gezegd: ik kan alleen míjn film over jou maken, niet jouw film over jou. Er zijn momenten dat ik het moeilijk vind dat ze ‘m niet heeft gezien, maar ik weet dat het onmogelijk was als ze ‘m wel had gezien. Dan had ze zoveel dingen anders gewild. Dat kon gewoon niet.”

“Ik heb mijn hele leven ontzettend veel rekening met mijn moeder gehouden. Altijd. Als we op vakantie gingen, durfde ik het haar niet te vertellen, want dat vond ze verschrikkelijk; mensen die weggaan komen immers niet terug – net als haar vader en broer in de oorlog. Tot haar dood heeft mijn leven in het teken van mijn moeder gestaan, met deze film ben ik voor het eerst van mezelf uitgegaan.”

Dat klinkt als een soort emancipatieproces: u leerde om niet haar, maar uzelf op de voorgrond te stellen.

“Dat was het ook. Dat begon al zo toen ik in 2007 aan het scenario begon. Het gutste er gewoon uit. Ik kon mijn moeder eindelijk dingen laten doen, terwijl ik altijd bij haar onder de plak heb gezeten. Het was een totale ontlading; het heeft jaren therapie gescheeld, omdat ik de macht ineens een beetje in handen kreeg. In ieder geval aan de schrijftafel. Dat werkte ontzettend bevrijdend, dat ik mijn moeder als personage ben gaan zien. En als personage vond ik haar heel gaaf.”

Was haar dood ook een soort opluchting?

“Ja, en daar schaam ik me niet voor. Dat kan toch allemaal naast elkaar bestaan. Ik mis haar en ik heb nog vaak een schuldgevoel, maar tegelijkertijd is er duizend kilo van me af gevallen. Het is heel dubbel.”

Lijkt u eigenlijk op uw moeder?

“Waarschijnlijk meer dan me lief is. Aan de andere kant: door mijn film ben ik beter gaan zien hoe leuk ze ook was. En ik vind haar eigenlijk een sterkere persoonlijkheid dan ik mezelf vind. Maar ik denk dat ik wel wat beter kan luisteren, mijn moeder was altijd alleen maar aan het ­zenden.”

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

Ze valt even stil. “Je probeert ook dingen bewust anders te doen natuurlijk. Als kind hielp ik mijn moeder altijd met op­ruimen – dat moest, want het was altijd een enorme chaos bij ons thuis. De keukenkastjes stonden vol met allemaal potten jam met verschillende laagjes schimmel. Dat was een schrikbeeld, ik let er daarom op dat ik mijn huis opruim, want ik kan niet tegen dat soort chaos.”

Heeft uw complexe band met uw moeder ook een rol gespeeld bij het feit dat u geen kinderen hebt?

“Om te beginnen ben ik van de dames, dus dan is het al veel meer gedoe. Dan moet je bedenken wie de vader wordt, dan wordt het een constructie...”

Dat is een beetje een ontwijkend antwoord.

“Je hebt gelijk. Ik denk wel dat het meespeelt. Mijn moeder was een echte Jiddische mama: ze zat altijd in de rats dat er iets met ons zou gebeuren. Dat heb ik al met onze katten, ik zou continue angsten uitstaan als ik kinderen had.”

Dat is nog steeds een ontwijkend antwoord.

“Er zit een mooie scène in Licht. Daarin zegt Stockhausens dochter Julika over haar vader en moeder: ‘Waarom hebben die mensen kinderen? Laat ze samen op het podium staan, maar kinderen!? Mijn vader was depressief toen ik werd geboren – dat heeft hij me later verteld. Mijn moeder had die straatfobie. Je kunt je wel afvragen wat die mensen bezielde om kinderen te nemen.”

“Ik denk dat ik het anders zou hebben gedaan, maar ik heb het nooit aangedurfd. Ik ben daar zeker niet rouwig om, want dan had ik nooit op deze manier films kunnen maken. En ik ben heel erg gesteld op mijn vrijheid en de kinderen van mijn broers zijn geweldig en met hen beleef ik ook veel lol. Nee, ik vind het leven heel goed zo.”

null Beeld Marjolein van Damme
Beeld Marjolein van Damme

Oeke Hoogendijk

5 augustus 1961, Amsterdam

1974-1979 IVO Mavo
1980-1981 Au pair in Parijs
1982-1984 Joke Smit College (atheneum)
1984-1985 Verslaggever bij Radio Stad Amsterdam
1985-1990 Studie toneelregie aan de HKU
1993-1994 Studie Media Academie
1995-1996 Interviewer USC Shoah Foundation Institute ‘Spielberg project’
1998 Een gelukkige tijd; Gouden Beeld
2002 The Holocaust Experience
2008-2013 Vierdelige documentaireserie Het Nieuwe Rijksmuseum (onder meer winnaar van de Zilveren Nipkowschijf en een Tegel)
2014 Het Nieuwe Rijksmuseum - de film; beste Nederlandse documentaire op Idfa
2019 2Doc – Marten & Oopjen
2019 Mijn Rembrandt; genomineerd voor een Gouden Kalf
2022 De schatten van de Krim; Václav Havel juryprijs
2022 Licht, Stockhausen’s Legacy; juryprijs Internationaal docu­mentairefestival Montreal
2022 Housewitz; speciale vermelding van de Idfa 2021-jury

Oeke Hoogendijk woont in Amsterdam en heeft een lat­relatie.

Housewitz draait vanaf 5 mei in de filmhuizen. Op 6 mei 21.15 uur is er in Eye een Q&A onder leiding van ­filmcriticus Dana Linssen.

Meer over