PlusExclusief

Nieuwe chef Concertgebouworkest Klaus Mäkelä (26): ‘Dirigeren is als een drug’

Klaus Mäkelä (26) tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest. Beeld Dingena Mol
Klaus Mäkelä (26) tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest.Beeld Dingena Mol

Voor het eerst sinds hij werd gepresenteerd als toekomstig chef-dirigent van het Concert­gebouw­orkest staat Klaus Mäkelä (26) voor ‘zijn’ musici. Vrijdagavond dirigeert hij Mahlers Zesde symfonie.

Frederike Berntsen

Nauwelijks was hij geland op Schiphol of hij wandelde al door het Rijksmuseum. Klaus Mäkelä houdt van de schone kunsten. Een week in Amsterdam zonder verplichtingen? Dan zou hij iedere dag een paar schilderijen gaan bekijken tegenover zijn nieuwe werkplek, het Concertgebouw. “Afgelopen weekend was ik in Londen. Ik had net een Rafaëltentoonstelling gemist. Ik baalde enorm.”

Voor de zomer werd onder gejuich bekendgemaakt dat Klaus Mäkelä in 2027 de achtste chef-dirigent van het Concertgebouworkest wordt. Nu heet hij nog artistiek partner. Hij zit tot over zijn oren in het werk, als muziekdirecteur van het Orchestre de Paris en chef van het Oslo Filharmoniske Orkester, en is er de man niet naar om deze twee verbintenissen niet zijn volle aandacht te geven. De komende jaren is hij wel geregeld in Amsterdam te vinden. Alleen al dit seizoen dirigeert hij vijf producties van het Concertgebouworkest – de samenwerking zal langzaamaan worden uitgebreid en minstens tien jaar duren.

Gevoel van vroeger

Mäkelä komt uit een muzikaal gezin. Hij hoorde zijn vader cello spelen en pakte zelf ook dit instrument op. Hij was zeven toen ook hij door de muziek werd gegrepen. “Ik weet het nog goed,” vertelt hij. “Ik zong in het kinderkoor van de Finse Nationale Opera, we deden Carmen van Bizet. Ik was in de wolken. Ik zag de dirigent en dacht: hoe is het mogelijk dat iemand deze muziek tot leven kan wekken met een heel orkest? Thuis ga je dan naar opnames luisteren en de maat mee slaan. Ik probeerde een partituur te lezen, maar snapte natuurlijk helemaal niet wat er stond. Die muziek, en dat je vliegt met z’n allen, dat gevoel van vroeger heb ik ook nu ik deze week Mahlers Zesde symfonie dirigeer bij het Concertgebouworkest.”

Tijdens een repetitie in de Grote Zaal gaan orkest en dirigent in volle vaart door Mahlers partituur. Mäkelä werkt uiterst efficiënt en gedetailleerd. “Very good! Bar 94, please.” En hup, weer verder. Uit elke porie ademt de Amsterdamse chef in spe muziek. Hij bevrijdt Mahlers noten uit het boekwerk dat voor hem ligt, krachtig slaat hij de pagina’s om, ze blijven nog net in hun band zitten.

De agenda van Mäkelä is niet minder dan duizelingwekkend te noemen, gevuld met het puikje van de orkesten en solisten wereldwijd. Dus ook met het Concertgebouworkest. “De klank van dit orkest is Unesco-werelderfgoed, die moet beschermd worden,” zegt hij, min of meer serieus. Je kunt nog steeds de invloed horen van Willem Mengelberg, chef-dirigent van 1895 tot 1945, vindt hij. “Bij hem bezat de klank een adembenemende flexibiliteit en die hebben generaties musici doorgegeven.” Mäkelä zingt drie noten uit Mahlers Vierde symfonie en verwijst naar de beroemde Mengelbergopname van dat stuk: “Het kleurbereik dat hij realiseert in deze drie noten is moeilijk te evenaren.”

Repertoire koesteren en ontwikkelen

Mäkelä denkt vanuit klank: wat klinkt er, wat staat er, wat wil ik horen? De dirigent is glashelder als het gaat om de architectuur van een stuk. Voor geen enkele componist deinst hij terug, gecompliceerde muziek trekt hem aan. Met het Concertgebouworkest wil hij repertoire koesteren en ontwikkelen.

De Fin heeft een uitzonderlijk talent en is uitzonderlijk jong. In zijn houding, gebaren en stem zit echter iets dat niet bij zijn leeftijd past. Hij heeft dan ook het overwicht van een veertiger. En last but not least: Mäkelä steekt goed in zijn vel.

Op de bok zien we een modebewuste twintiger, of in ieder geval iemand die weet wat hem goed staat en daar aandacht aan besteedt. In vrijetijdskleding hebben losjes vallende stoffen zijn voorkeur, bij een gelegenheid is strak gesneden double breasted zijn favoriet.

“Ik voel me precies hetzelfde aan de keukentafel als op het podium. Het advies van mijn leraar Jorma Panula was altijd: als je voor een orkest staat, concentreer je dan alleen op het beter laten klinken van de muziek en op niets anders. Dat lijkt simpel, maar is wel de kern van de zaak. Het grootste probleem van dirigenten is autoriteit afdwingen door zich te willen bewijzen: hier ben ik, volg mij.”

Dat dat laatste niet des Mäkeläs is, was een paar maanden geleden in Wenen te zien. Hij dirigeerde er de zeven symfonieën van zijn landgenoot Sibelius. Samen met het Oslo Filharmoniske tilde hij het publiek op. Nog spectaculairder was een van de toegiften, de Valse triste van dezelfde componist. Loom maar ritmisch plukten de contrabassen aan een snaar – violen en altviolen volgden. Uit het niets stuwde de ene maat de andere voort. Mäkelä keek en keek, zijn handen deden wel iets, maar het was vooral de uitnodigende blik naar de musici: kom maar, laat je mooiste pizzicato maar horen. En voordat de luisteraar het doorhad was ie in de ban van een wals zoals er nog nooit een had geklonken in Wenen.

Is dat het geheim van een goede dirigent? Niets doen, maar wel uitnodigen, júíst uitnodigen? “Dat is de ideale situatie,” vindt Mäkelä. “Dirigeren gaat niet over goede handen hebben, een dirigent moet mensen lezen en mogelijk maken dat de muziek kan ademen, zonder al te veel te hoeven doen. Communicatie, al dan niet non-verbaal, is het toverwoord.”

Getrouwd met de muziek

“Ik ben getrouwd met de muziek. Het is het beste huwelijk dat je je kunt voorstellen,” zegt hij lachend. “Gegarandeerd langdurig, erg plezierig. Je kunt dit vak op verschillende manieren aanpakken. Voor mij is het heerlijk dat ik deel uitmaak van een familie, zoals dat bij een chef-dirigentschap het geval is. Als je voornamelijk gastdirigent bent, vlieg je in en uit en bouw je nauwelijks iets op. Dirigeren is als een drug. Ik ben zelden tevreden met een concert en weet na afloop altijd wat er beter kon.”

“Als dirigent ben je afhankelijk van het orkest en van het publiek. De kick is muziek maken met en voor anderen. De energie die een orkest me geeft is ongekend. Ik kan niet anders dan intensief te werk gaan en sta dan ook altijd volledig doorweekt op de bok. De weken waarin ik niet dirigeer is mijn energielevel nul. Als de musici me iets speciaals geven, vlieg ik. En daarom ben ik zo verliefd op dit orkest. Ik voel me een veel betere dirigent als ik dit gezelschap dirigeer.”

Veel vrije tijd heeft Mäkelä niet: hij is slechts een paar dagen per maand in zijn huis. “Mijn ouders wonen in Helsinki, dat is een belangrijke reden voor mij om er te zijn. Ik kan me heel goed voorstellen dat ik in Amsterdam zou wonen. De stad voelt absoluut als mijn nieuwe thuis. Ik zie er deze week veel vrienden. Ik zoek bewust uit wie ik om me heen heb. Ik hou niet van mensen die complimenteus zijn, die tegen me opkijken. Ik hou van het normale. Ik werk met collega’s die ik mag en geniet intens van mijn vak, daarom kan ik het leven dat ik leid aan. Privé en werk lopen door elkaar. Ook al probeer ik een partituur opzij te schuiven in mijn hoofd, lang lukt me dat niet. Er is eigenlijk geen moment waarop ik niet denk aan de muziek waarmee ik bezig ben.”

Zijn ogen glijden over het stapeltje bladmuziek voor deze week op de leuning van de bank: Mahlers Zesde symfonie en Saariaho’s Orion. Tijd om op te stappen. Klaus Mäkelä veert overeind: “I love your sneakers, by the way.”