PlusInterview

Natuurjournalist Kirsten Dorrestijn: ‘Ik nomineer mezelf als kleinebeestjes-ambassadeur in Nederland’

Kirsten Dorrestijn: ‘Toen ik kinderen kreeg, merkte ik dat ik als ik naar hen kijk dezelfde stofjes in mijn hoofd aanmaak als die ik bij dieren kan voelen.’ Beeld Daphne Lucker
Kirsten Dorrestijn: ‘Toen ik kinderen kreeg, merkte ik dat ik als ik naar hen kijk dezelfde stofjes in mijn hoofd aanmaak als die ik bij dieren kan voelen.’Beeld Daphne Lucker

Net als haar vader, schrijver en cabaretier Hans Dorrestijn, had journalist Kirsten Dorrestijn de natuur nodig om haar demonen te overwinnen. Ze begon een nieuw leven, ver van Amsterdam, omgeven door rust en ruimte. En ze schreef haar eerste boek, over kleine dieren. ‘Wíj hebben de natuur nodig, niet andersom.’

Kees van Unen

Het duurde even voordat Kirsten ­Dorre­stijn er eerlijk voor uit durfde te komen. Wat zouden mensen wel niet van haar denken? Wat zegt het eigenlijk over haar en waar komt het vandaan?

Hoe het ook zit, het is zo, en tegenwoordig schaamt ze zich er niet meer voor, durft ze het hardop te zeggen en mag iedereen het weten: ze houdt van hommels, maar echt heel erg veel. Ze vindt ze zo aaibaar met hun zachte vachtje, en dat zoemen vindt ze zo schattig. Kortom: ze vindt ze vooral heel lief.

“Ik durf nu gewoon op mijn knieën te gaan als ik een hommel zie bij een bloem, ook al weet ik dat mensen kijken. Hoewel ik het nog steeds het liefst in mijn eigen tuin doe, als ik alleen ben, of met mijn man en kinderen. Want oké, misschien schaam ik me nog een beetje.”

Nu is schaamte toch al een thema in het leven van Dorrestijn, die onlangs haar eerste boek uitbracht: Het boek van de kleine dieren (en de wat grotere). Heel lang worstelde ze met hoe ze gezien werd, met er mogen zijn. En wat je er dan gratis bij krijgt: opkijken tegen anderen, jezelf te min vinden – heel belemmerend allemaal. Komen we zo nog op terug, nu vliegt er net een kolibrievlinder langs en dan kun je van alles proberen, maar de aandacht gaat naar het beestje.

“Ken je die?” vraagt Dorrestijn. “Best bijzonder deze, hoor! Kijk, daar gaat ie weer. Ja, je ziet hem steeds meer in Nederland. En steeds noordelijker. Dat komt door klimaatverandering, daardoor schuift z’n leefgebied steeds meer omhoog. Altijd heel indrukwekkend om er eentje te zien, laatst zag ik er ook een in m’n tuin.”

Weg uit de stenen jungle

Die tuin is in Zutphen, waar Dorrestijn vorig jaar naartoe verhuisde, moe als ze was van het Amsterdamse verkeer, met elke dag wel een schreeuwende fietser of automobilist. De duw die ze – zwanger en wel – kreeg van een fietser die erlangs wilde, was de druppel. Weg wilde ze uit de stenen jungle, oostwaarts: Zutphen dus. Daar hebben ze ook stenen, maar het leven is er anders. Getuige de exodus die ernaartoe plaatsvond de afgelopen jaren, hebben steeds meer Randstedelingen dat in de gaten. Ze komen af op de charmante oude stad, maar ook op de natuur eromheen. Zo mooi, zegt Dorrestijn, de IJssel, de uiterwaarden, de rust, de ruimte.

null Beeld Herwolt van Doornen
Beeld Herwolt van Doornen

Maar vandaag is ze weer in Amsterdam. Park Frankendael, waar óók een beetje natuur te vinden is in het aangenaam verwilderde deel van het park. Een goeie plek voor een kleinedierensafari is het, met Dorrestijn in de rol van gids.

Dat is normaal anders. Als natuurjournalist maakt ze sinds tien jaar reportages waarbij ze met experts op pad gaat. Op zoek naar slakken met een hoogleraar die alles over die dieren weet, of op uilentoer met een deskundige. Elke keer kijkend door de ogen van de ander, met de aangename verwondering en nieuwsgierigheid die horen bij die rol. Maar nu is ze zelf een keer de expert, ook al is ze – dat benadrukt ze nog maar eens – géén bioloog en geen deskundige, maar vooral een liefhebber.

23 reportages heeft ze verzameld in haar boek, over vooral kleine dieren dus. “Volgens mij bestaat er nog niet zoiets als een kleinebeestjesambassadeur in Nederland. Dus ik wil mezelf wel nomineren voor die rol.”

En daar zit ze, de kleinebeestjesambassadeur, tussen de klaprozen, voor de foto. Ze vindt de aandacht leuk hoor, maar ook wennen. “Hoe wil je dat ik zit? Moet ik m’n handen een beetje zo houden? Hé jongens, kijk, kijk, kijk: libellen! Een stelletje, ze zijn aan het paren. Moet je de kleuren zien. Knalblauw. Zie je? Je hoeft dus helemaal niet naar de tropen voor zoiets.”

Rommelige jaren

Een hoofdstuk in haar boek gaat over hoe ze op pad is met Jan Katsman, die in eigen beheer de fotogids Libellen van Nederland uitbracht met 71 soorten libellen, het opgeschaalde vervolg op zijn boek Libellen van Utrecht – ook in eigen beheer. Het gaat om de dieren bij Dorrestijn, maar door haar aanpak krijgt ze er vanzelf ook mensen bij. Leuke mensen, gepassioneerde mensen. Want vind ze maar eens: de Jan Katsmannen van de wereld, die jaren in Nederlandse weilanden liggen met hun telelens, zoekend naar net die ene libelle.

Kijk, zegt de fotograaf, een vlinder! “Hoe heet deze?” Dorrestijn kijkt, en nog eens, en zegt dan: “Ik weet het niet. Hij is in ieder geval oranje.”

‘Ik durf nu op mijn knieën te gaan als ik een hommel zie, al kijken er mensen.’ Beeld Daphne Lucker
‘Ik durf nu op mijn knieën te gaan als ik een hommel zie, al kijken er mensen.’Beeld Daphne Lucker

Ze heeft het niet van een vreemde, die liefde voor de natuur. Haar vader is Hans Dorrestijn, bekend schrijver, cabaretier én natuurliefhebber. Beroemd zijn zijn vogelgids en het vogelspotprogramma Baardmannetjes. “Ik heb heel veel van hem geleerd. Over langzaam lopen als je vogels wilt zien, bijvoorbeeld. Over kijken naar natuur, maar later ook over schrijven erover. Jarenlang heb ik elk verhaal dat ik schreef aan hem voorgelezen over de telefoon, hij wist het altijd net iets beter te maken. Zelf was ik er heel lang onzeker over. Pas na jaren schrijven voor kranten en tijdschriften durfde ik mezelf journalist te noemen.”

Haar vader vond rust in de natuur, na rommelige jaren vol drank, depressie en het gedoe dat daarbij hoort. Natuurlijk heeft haar dat gevormd, zegt ze. “Sterker nog, nadat mijn vader de natuur had ontdekt, ben ik zelf dat donkere pad op gegaan. Veel op zoek naar aandacht van jongens, naar erkenning bij anderen, terwijl ik er eigenlijk nooit helemaal bij hoorde voor m’n gevoel. Dat heeft lang geduurd. Het begon op de middelbare school en ging door in m’n studententijd. Als het niet goed ging, sliep ik bij m’n vader.”

Dan spot Dorrestijn een zweefvlieg. “Zo lief zijn die. Als je goed kijkt, lijkt het net alsof hij een pyjama aan heeft. Of een klein wespenpakje. Hij doet eigenlijk net alsof hij een wesp is, maar hij kan helemaal niet steken. Zo aandoenlijk.”

Even later: “Toen ik kinderen kreeg, merkte ik dat ik als ik naar hen kijk dezelfde stofjes in mijn hoofd aanmaak als die ik bij dieren kan voelen. Het is een diepe liefde, vertedering en misschien iets van bezorgdheid om hoe kwetsbaar ze zijn.”

De kinderen, die horen bij haar nieuwe leven. Het goede leven. Het leven dat elf jaar geleden begon toen ze een vriendin ontmoette die haar liefde voor de natuur had omarmd en Dorrestijn deed beseffen: dat mag, dat kan, ik ga alleen nog maar over de natuur schrijven. In datzelfde jaar kwam ze de latere vader van haar kinderen tegen en ging ze nu eens echt met iemand praten over die onzekerheden die haar zo tegenhielden in het leven.

Klimaatpsycholoog

“Achteraf denk ik vaak: had ik maar eerder mensen ontmoet – behalve mijn vader – die me het gevoel hadden gegeven dat ik er mocht zijn, inclusief mijn liefde voor de natuur,” zegt Dorrestijn. “Maar nu is het er en durf ik er helemaal voor uit te komen. Voor het schrijven erover, voor wie ik ben en wat ik wil. Eigenlijk gaat het net zoals bij mijn vader: we hebben allebei de natuur nodig gehad om uit het donker te komen.”

null Beeld Herwolt van Doornen
Beeld Herwolt van Doornen

Niet dat ze nu zorgeloos is. Ze ligt nog weleens wakker, juist om de natuur en de staat daarvan. Zo erg zelfs, dat ze er aan dacht om op zoek te gaan naar een gespecialiseerde klimaatpsycholoog. Het nadeel van schrijven over de natuur: je ontkomt niet aan de harde cijfers. Over de egel­populatie in Nederland bijvoorbeeld: in tien jaar tijd gehalveerd. In elk hoofdstuk van haar boek staat daarom hoe het besproken dier geholpen kan worden en hoe het ermee gaat. “Ik zou het zo erg vinden als mijn kinderen straks in een wereld leven zonder vlinders en bijen. En die kant gaat het op. Terwijl wíj de natuur nodig hebben, niet andersom.”

En dan, eindelijk, een hommel: haar favoriet. Alles eromheen vergeet ze. Haar kinderen weten het ook. Als die er eentje zien, gaat het van: ‘Mama, mama, hommel, hommel.’ Zoals ze nu ook weleens naast haar vader staat, kijkend uit zijn keukenraam naar de voederbak waar vogels af en aan vliegen. Dan werpt ze soms even een blik naast zich en denkt ze: ja, daar zijn we toch allebei maar mooi uitgekomen. Dat donkere, dat onzekere. “Nu is er alleen nog het lichte,” zegt ze. “Ik ben niet meer bang om depressief te worden. In Zutphen heb ik zulke leuke mensen om me heen verzameld, en mijn kinderen, mijn man, en de natuur natuurlijk. Die is er altijd. En ik weet wat ik daaraan heb.”