null

PlusExclusief

Marjolijn van Heemstra is de nieuwe stadsdichter van Amsterdam: ‘De wereld is níét normaal’

Beeld Niels Blekemolen

Marjolijn van Heemstra (40), de nieuwe stadsdichter, is behalve schrijver en theatermaker misschien ook wel een nerd. Ze houdt van echte duisternis en zoekt de ‘lijnen van liefde’ die door Amsterdam lopen. ‘Ik reis via het heelal mijn voortuin in.’

Marjolijn De Cocq

Ze moet nog heel even op haar telefoon kijken, de nieuwe stadsdichter van Amsterdam. “Sorry! We zijn een huis aan het zoeken,” zegt Marjolijn van Heemstra. Schuldbewust: “Ja, misschien ook buiten de stad.”

Hoe dan ook tijd om de bovenwoning in Noord te verruilen voor iets groters. “Onze zoons zijn nu vijf en zeven. Ze zijn echt heel lang, nu al. En we hebben geen tuin, of nou ja, een gedeeld voortuintje.”

Dan: “Nee, ik wil toch wel heel graag in Amsterdam blijven! Ik ben stadsdichter! Ik kan niet weg!”

Op de dag van het interview staat een bericht in de krant over ruimtetelescoop James Webb. Op anderhalf miljoen kilometer van de aarde heeft die een zonneschild ontvouwd waardoor we straks verder het heelal in kunnen kijken dan ooit tevoren. Dat lijkt misschien ver-van-mijn-bednieuws als je het hebt over de Van der Pekbuurt. Maar het is Van Heemstra (40) die in haar vorig jaar verschenen boek In lichtjaren heeft niemand haast de kosmos tot in dat voortuintje brengt.

Ze is dichter, schrijver en theatermaker. En ze is gefascineerd door de ruimte. Ze was ooit zelfverklaard huisdichter bij de European Space Agency in Noordwijk; benoemde zichzelf in een gelijknamige voorstelling tot ‘stadsastronaut’. Toen werd ze correspondent ruimtevaart voor online platform De Correspondent.

Een nerd! Ja zij, die niet eens eindexamen wiskunde deed – laat staan natuurkunde. Die astronomie had willen studeren, maar in plaats daarvan op godsdienstwetenschappen uitkwam met als specialisatie islamitische mystiek. Die conflictbemiddelaar wilde worden, maar al tijdens haar studie begon met schrijven.

In haar boek gaat ze op zoek naar verbinding in een verdeelde wereld. En ziet ze uiteindelijk wat ‘door de alledaagsheid ervan’ is gecamoufleerd: dat we als mensheid een groepje ruimtevaarders zijn, ontstaan uit bouwstenen van het heelal, een zeldzaam beetje leven in het grote, koude universum waar we elke seconde van de dag doorheen zeilen.

Ik zou zonder uw boek zelf niet zijn aangeslagen op dat nieuwsbericht over die telescoop. U hebt mijn kijk ­verruimd.

“Het is toch ook geweldig nieuws, dat wordt zo spannend. Wat gaat die telescoop zien? Het is waanzinnig dat je zo’n technologie de ruimte in krijgt en laat werken op die afstand. En er zit zoveel geld in. Ja, hier staat het: meer dan 10,4 miljard. Het idee dat die nog meer informatie gaat geven dan de Hubble en nog veel meer nieuwe exoplaneten kan ontdekken.”

Voor de instappers hier: exoplaneten?

“Planeten in ons zonnestelsel draaien om de zon, dat is onze ster. Maar er zijn ook planeten buiten ons zonnestelsel die om een andere ster draaien, exoplaneten dus. We hebben er inmiddels heel wat op de radar, misschien is op een aantal best leven mogelijk. Al kunnen we er nooit komen.”

Astronomie, godsdienstwetenschappen, conflictbemiddeling. En toch kwam ze terecht in de literatuur en het theater. Ze was ‘zoekende in de poëzie’ en deed mee aan een dichtwedstrijd. Ze won een aanmoedigingsprijs en werd uitgenodigd voor een schrijfworkshop in Frascati, het theater dat ‘een belangrijke plek’ in haar leven zou krijgen. Wat ze schreven presenteerden ze daar ook, en toen kwam de vraag: wil je niet een voorstelling maken? “Ik ging het gewoon doen, zonder enige kennis van zaken. Met allemaal dingen die ik nu nooit meer zou doen. Kostuums, zingen. ­Mensen die me nu kennen zullen denken: zingen?”

Haar carrière nam een vlucht, ze was zoals ze in haar laatste boek schreef een vrouw die ‘door de wereld gleed’. Tot 2019, toen ze niet meer kon wegkijken van de verdeeldheid van buurt/stad/land/wereld, van de doemscenario’s van klimaat tot vluchtelingen, het vernietigend consumentisme. Een soort existentiële crisis.

U omschrijft het gevoel als ‘gebrokenheid’.

“Ik heb het wel gechargeerd hoor, voor het boek. Het is niet zo dat dit gevoel van het ene op het andere moment ontstond. Als kind heb ik me wel veel zorgen gemaakt, ik had een grote zorg voor en connectie met dingen om me heen. Ik kon echt huilen als mensen op planten stapten en was de hele tijd bezig met slakken en wormen redden en kikkers helpen oversteken.”

“Ik denk dat dat later op de achtergrond is geraakt. Ik ben altijd wel betrokken geweest, ik wist politiek wat er speelde. Maar zo heel erg wakker liggen om wat er verloren is gegaan, zoals me toen overkwam, dat was iets uit mijn kindertijd.”

“Ik zie het bij mijn eigen kinderen ook, die kunnen echt huilen om al dat plastic dat ze in het water zien drijven. Maar dat leer je af. Je leert functioneren in een abnormale wereld. Ik denk dat toen ik zelf kinderen kreeg gaandeweg het gevoel is teruggekeerd dat de wereld níét normaal is. Het gevoel kwam heel erg terug dat er van alles niet klopt. Door de ogen van mijn kinderen kijken, maakte me zelf weer dat kind.”

“Het gevoel werd steeds sterker en daar moest ik iets mee. Ik zie dat bij veel meer mensen – gelukkig zou ik bijna zeggen. Zo lang was je een zeikerd als je je zorgen maakte over het klimaat, over biodiversiteit of sociale ongelijkheid.”

Een geitenwollensok in ieder geval.

“Het is niet zo dat wij mensen zijn die per se niet willen genieten, maar we willen genieten van iets dat klopt, dat niet ondertussen onze wereld ondermijnt. Maar wij zijn mensen met een bullshitradar. Er is zoveel wat geleidelijk ons leven binnen gesijpeld is en dat stapelde zich bij mij op. In mijn boek heb ik dat gecomprimeerd tot dat jaar 2019, waardoor ik mijn toevlucht zocht tot de ruimte.”

“Maar ik was er altijd al mee bezig. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot dingen die je niet kunt begrijpen. De diepzee, een van mijn eerste voorstellingen, ging over de diepzee. Maar ook de ruimte dus, en het idee van god. Wat je niet zult kennen, waar je niet zult komen, het mysterie. Bij de ruimte gaat het me ook niet zozeer om raketten – dat is technologie, die kun je begrijpen. Maar: wat zit daar? Waar komen we vandaan? Waar is het begonnen?”

null Beeld Niels Blekemolen
Beeld Niels Blekemolen

Om te voorkomen dat mensen nu ­denken: die mevrouw Van Heemstra is nogal een zweverig type: u vertaalt dat altijd in concreet onderzoek, waardoor er nieuwe inzichten ontstaan die vaak juist weer heel aards zijn.

“Ik ga altijd mijn vragen achterna, dat is mijn loopbaan. Ik heb heel veel vragen en die bepalen mijn route. Niet dat ik overal antwoorden vind.”

En die vragen kunnen over alles gaan?

“In principe wel. Ik heb onlangs een enorme fascinatie opgevat voor glimwormen en er een essay van vijfduizend woorden over geschreven. Door mijn laatste boek is het project De Nacht-Wacht ontstaan, waarmee we nachtwandelingen organiseren in het Vliegenbos. Het moment dat ik daar een sterrenhemel op de grond zag verschijnen was overweldigend. Veroorzaakt door een handjevol glimwormen in een Amsterdams stadsbos! Ze zijn niet uitgestorven, maar door de toenemende droogte en lichtvervuiling wel zeldzaam. Dat je die in een tijd van massa-extinctie bij jou om de hoek kunt vinden – dat ervoer ik als heel troostrijk.”

Is dat ook niet wat u doet: troost zoeken als tegenwicht voor het zinkende gevoel dat er steeds minder toekomstperspectief is?

“Mag ik eerst nog iets zeggen over die zweverigheid waar we het net over hadden? Het is zo grappig dat mensen heel fundamentele, basale vragen als ‘wie ben ik’ en ‘waar kom ik vandaan’ zweverig vinden, terwijl bijvoorbeeld iets als het begrip ‘economie’ pas echt een vaag verhaal is; totaal ondoorgrondelijk en grotendeels losgezongen van de werkelijkheid. Economen zijn een soort tovenaars met voorspellingen en formules die bijna niemand echt begrijpt. En dan ben je vaag als je het over het universum hebt? De maan, die is er, die is heel concreet. De glimworm, die is ook heel concreet. Het probleem is juist dat we veel te vaag zijn met z’n allen.”

“Er is zoveel aan de hand. De klimaatontwrichting waar we inrollen is allesbepalend en gaat nooit meer weg. We moeten alle zeilen bijzetten om het hier leefbaar te houden. Dat gaat ons misschien wel lukken, we kunnen veel. Maar daarnaast is er politieke verdeeldheid en ongelijkheid. Dat kan me benauwen. Daarom reis ik in mijn boek via het heelal mijn voortuin in. Ik wil op de vierkante meters waar ik leef de ruimte vinden. Want ook op aarde ben je een ruimtevaarder en dat besef kan je bewustzijn verruimen en de benauwdheid tegengaan. ”

Uit het besef dat er een hoopvol verhaal nodig is als tegenwicht, zoals u stelt.

“Om terug te komen op de vraag over troost, ik beschrijf in mijn boek een joodse scheppingsmythe waarin alles begint met vaten vol licht, Gods adem. Die vaten zijn gebroken, en daarmee is Gods adem als scherven licht in de schepping terechtgekomen. En wij hebben volgens dat verhaal de opdracht die scherven weer bij elkaar te brengen.”

“Ik vind dat mooi, daaraan ligt een levenshouding van herstel ten grondslag. Daarmee probeer ik mijn koers te bepalen bij lastige vragen: draag ik bij tot herstel of vernietiging? Daar put ik troost uit, daar kan ik op leunen. Iets herstellen, iets heel maken is wat we als mens graag doen. Dat geeft ons een bevredigend gevoel.”

Zijn we er in de eerste fase van corona niet met onze neus op gedrukt: hoe we aan het vernietigen zijn en wat daarvan de consequenties zijn? Maar we lijken nu alweer op oude reflexen teruggevallen. Hoe ervaart u dat?

“Ik denk dat Covid-19 allerlei processen in gang heeft gezet, het heeft sowieso mensen uit hun baan geslingerd. Wat het effect zal zijn is nu moeilijk te meten, dat weet je pas over veel langere tijd. Maar ik heb ook wel het gevoel dat mensen willen blijven leven zoals vóór corona. Ook als dat meer moeite kost.”

“Er wordt nu gezegd: de rek is eruit. Maar dat komt omdat we ons leven van pre-corona aan het oprekken zijn om het te laten passen in de pandemie. Misschien moeten we stoppen met rekken, nieuwe routes gaan bedenken. Je kunt niet eindeloos rekken.”

U vindt dat er te weinig wordt gepraat over de manier waarop corona zich in ons leven heeft gevoegd.

“Zeker, daardoor hebben we een vertekend beeld van wat er aan de hand is. Het gaat niet over klimaat en gezondheid, maar over geld en politiek. Het gaat over ic’s en bedden en vaccinaties en boosters. Over stijgingen en dalingen, over getallen en percentages. Maar de context ontbreekt.”

“Er wordt telkens ook gezegd: we moeten het samen doen. Terwijl dat ‘samen’ wordt weggesneden. Samen tegen corona. Samen, samen, samen! Terwijl de politiek weinig rekenschap lijkt te geven van een besef dat dat samen is weggesloopt en wat een klap dat gebrek aan samen is voor onze gezondheid, voor onze zingeving.”

‘Samen’ gaat ook over uw buurt in Noord, waar u een bakfietsmoeder bent, zij het zonder bakfiets. Een buurt van grote tegenstellingen, maar ook toenadering...

“Toen ik mijn boek schreef, was er nog niet de discussie over vaccinaties, die heb ik nu ook dichtbij heel erg om me heen. Die tegenstellingen zijn ingewikkeld en door corona alleen maar verscherpt. Ook doordat we meer online zijn gaan leven in onze zelfbevestigende bubbels en de uitwisseling waarvan je leert is weggevallen.”

Ervaart u dat als pijnlijk?

“Pijnlijk voor iedereen, niet voor mij in het bijzonder. Wat ik heftig vind is dat we geen tussenruimtes meer lijken te hebben, geen ‘witjes’ waarin je jezelf even kunt neerzetten, waarin je kunt nadenken. Ik denk dat het met tijd te maken heeft, dat is een trend die al veel eerder is ingezet. We leiden zo’n consumptief leven; alles, alles, alles versnelt. Het lijkt wel een kracht buiten ons als individuen om.”

Ze doorbreekt het vlammend betoog, en lacht: “Kijk naar de mode! Uggs zijn alweer terug. Nu al!”

Dan, weer serieus: “Het is tekenend voor onze tijd. Er is geen ruimte voor het besluiteloze, het even niet weten, voor uitstel, rust, afwezigheid of even niet bezig zijn. Onze samenleving is ingericht op doorgaan. ’s Nachts kopen, waarom niet? Je kunt eeuwig doorgaan en er is niets wat je dwingt te stoppen.”

Of toch wel? U beschrijft hoe u, spelend met uw zoons en hun dino’s, denkt: wij zijn de dinosauriërs van onze tijd. Een uitstervende soort.

“Ik ben in de eerste plaats schrijver. Ik vond dat als poëtische laag mooi passen. Ik breng in mijn boek tijdlagen samen: ook een verleden dat wij in ons spel weer tot leven wekken. Maar ik kan soms uitzoomen en denken: ach ja, wij sterven uit. Big deal. De planeet herstelt zich wel weer. Dat zijn rustige momenten. Maar ze duren nooit lang.”

null Beeld Niels Blekemolen
Beeld Niels Blekemolen

Ik heb eerder de indruk dat u behoorlijk obsessief kunt zijn als u zich in iets vastbijt. Bent u niet soms moe van uw eigen willen?

“Ja en nee, want het drijft me voort. Het is leuk wakker te worden en iets te willen. Liever dan niet iets te willen. Ik heb nooit gebrek aan doel in mijn dag.”

“Vorig jaar had ik eigenlijk ook besloten: ik ga een bètavak studeren. Ik was al op zoek naar de juiste studierichting. Ik ben mijn hele leven alfa geweest, het lijkt me te gek om je brein opnieuw te gaan bedraden. Maar David zei: moet dat echt nu? Oké, nee, toch maar niet nu.”

Lacht: “Maar dan wel over tien jaar. Er zijn twee dingen die ik wil, en ik heb geleerd dat je dat uit moet spreken. The Secret, weet je wel, die methode dat iets uitkomt als je het hardop zegt, als een soort toverspreuk. Ik wil één: een bètavak studeren. En twee: een internationale bestseller!”

U hebt jonge kinderen. Moederschap speelt een belangrijke rol in uw werk. U dicht ‘(...) maar een kind/ blijft een wonder en ik hoor voor het eerst de wond in dat woord’. Wond in fysieke zin, de gevolgen van zwangerschap en baren, maar ook het angstige besef ­kinderen te laten opgroeien de wereld van nu.

“Ja, maar dat is misschien niet voorbehouden aan onze tijd alleen. Ik denk dat moeders in het Duitsland van de jaren dertig misschien ook wel hebben gedacht: wat heb ik gedaan? Er zijn talloze plekken op de wereld waar je met goed fatsoen geen kind op de wereld kunt zetten. Maar je beseft pas echt wat je hebt gedaan, wat het met zich meebrengt, als je zelf kinderen hebt.”

Heeft u nu een manier gevonden, in ieder geval voor uzelf, om die ‘scherven’ die u noemde dichter bij elkaar te brengen?

“Je kunt nooit alles herstellen, het is een richting meer dan een doel. En ik heb die richting wel meer gevonden. Het is heel prettig om weg te lopen van die benauwdheid en meer uit te zoomen. Meer te relativeren – niet dingen minder belangrijk maken als in ‘kapot’ relativeren, maar ze te relateren. Het is niet dat ik de hele dag bewust van de kosmos door het leven ga, maar ik kan er wel meer uitstappen, en dat maakt dat ik de dingen wat makkelijker loslaat.”

Is dat ook wat u met uw stadsdichterschap wil uitdragen?

“Ik denk dat dat principe van herstel een grondslag is geworden voor alles wat ik schrijf. Ik hoop ook veel Amsterdammers mee de nacht in te kunnen nemen. Daan Roosengaarde was me voor met het verduisteren van Franeker. Maar ik zou zo graag een totale verduistering willen van Amsterdam en dat we dan allemaal omhoog kijken. Dat midden in de nacht alle licht uit is.”

“Je moet het met de hele stad doen en dat is echt ingewikkeld. Neem bijvoorbeeld Schiphol, dat krijg je niet donker en die straling blijf je zien. Dan heeft Daan de makkelijke weg gekozen. Maar dat we daar dan met z’n allen staan. We kijken naar de maan, naar de sterren, daar en hier verbonden. We ademen in, we ademen uit – het toppunt van mijn stadsdichterschap.”

Weer de verbintenis die u zoekt.

“Ik heb nog steeds het gevoel dat ik eigenlijk conflictbemiddelaar moet worden, dat ik daar nog steeds op weg naar toe ben. Ik heb het schrijven en het theater lang als tijdelijk zijpad gezien. Maar misschien ben ik het toch al wel geworden, zij het op een andere manier dan ik had gedacht.”

“Ik zou ook willen schrijven over de ­lijnen van liefde die door de stad lopen. Ik zie heel veel mensen die zich hard maken voor anderen, mensen die elkaar zo belangeloos vasthouden. Dat zie ik in mijn buurt en dat is vast ook zo op de witte plekken op mijn kaart van Amsterdam die ik wil leren kennen. Er is de afgelopen periode heel veel verloren gegaan, maar het is ook jammer hoe weinig wordt getoond hoeveel er ook wordt vastgehouden en omarmd.”

“Ik ben zelf altijd heel erg omarmd door deze stad. Op mijn negende ben ik tegen mijn wil uit Amsterdam verhuisd omdat mijn vader een baan kreeg onder de rook van Rotterdam. We hadden een tegeltje om de pannen op te zetten met de Andreaskruisen. Dat nam ik mee naar mijn nieuwe school voor mijn eerste spreekbeurt. Over Amsterdam, dat was sociale zelfmoord. ‘Joden, Joden Joden’ riepen de kinderen daar. Ik moest voor de klas nog huilen ook omdat ik Amsterdam zo miste.”

Maar dan nu misschien toch de stad uit?

“Ik ben teruggegaan zodra dat kon. En ik zou het heel lastig vinden om weg te gaan. Ik snap hoe erg het is voor mensen die hier hun hele leven hebben gewoond en zo verweven zijn maar niks kunnen ­vinden. Het is heel treurig van deze tijd dat mensen die de stad maken hier niet kunnen blijven.”

null Beeld

Marjolijn van Heemstra

10 februari 1981, Amsterdam

1985-1999 1e Montessorischool De Wielewaal, Amsterdam, Comeniuscollege Capelle aan den IJssel (havo/vwo), Wolvert van Borselen Scholengroep Rotterdam, tweetalig vwo
2000-2006 Religiestudies UvA
2005-heden Werkzaam als journalist, dichter, schrijver en theatermaker
2008 Begint als theatermaker bij Frascati
2009 Poëziedebuut Als Mozes had doorgevraagd (Jo Peters Poëzieprijs)
2012 Romandebuut De laatste Aedema
2012-2019 Columnist dagblad Trouw
2014 Dichtbundel Meer hoef dan voet, begint bij Ro Theater in Rotterdam
2017 BNG Bank Literatuurprijs en shortlist Libris Literatuur Prijs voor roman En we noemen hem
2019-heden Correspondent ruimtevaart voor De Correspondent
2021 In lichtjaren heeft niemand haast (NPO Radio 1 Non-Fictie Boek van 2021)
2021-heden Columnist voor Happinez

Van Heemstra woont in Amsterdam-Noord met David Nelissen en hun zoons Otto en Eyse.

Meer over