PlusReportage

Lynn Berger schreef een boek over de zorg – ‘We kunnen niet zonder, maar ondermijnen het ook’

null Beeld Ted Struwer
Beeld Ted Struwer

Om de zorgsector te onderzoeken, besloot Lynn Berger (38) twee jaar mee te lopen met artsen en mantelzorgers. Toen kwamen de lock­downs. Juist binnen haar eigen muren zag ze de problemen van de zorg weerspiegeld – in haar gezin. ‘Veel zorg maakt zichzelf onzichtbaar.’

Lynn Berger

Er zijn vissen die al helemaal volgroeid uit hun eitje zwemmen en vogels die met enkele weken uitvliegen. Chimpansees kunnen vier maanden na hun geboorte al lopen. Mensenbaby’s zijn een heel ander verhaal: we komen al ter wereld wanneer onze hersenen allesbehalve af zijn. Tot lang na de geboorte groeit ons brein nog door, net als de rest van ons lichaam, en dat betekent dat we ontzettend lang afhankelijk zijn van anderen.

Slapen kunnen we, als we net nieuw zijn, en huilen. Bij al het andere hebben we hulp nodig.

Ik weet nog hoe het was toen mijn zoon net was geboren. Hoe hij de dag na de bevalling in de box lag: diep in slaap, met zijn armpjes omhoog, zijn handjes dicht alsof ze iets vastgrepen. Hij was het toonbeeld van overgave. Ik keek naar hem in het volle besef van zijn kwetsbaarheid en bedacht dat het gekkenwerk was, wat mijn vriend en ik ons – willens en wetens, en voor de tweede keer nog wel – op de hals hadden gehaald. Zo’n klein schepsel, dat zo veel zorg nodig had. En niet voor even, nee, dagen, weken, maanden, jaren achtereen – want mensenbaby’s zijn de meest afhankelijke wezens die er zijn, en ze blijven dat langer dan welk ander dier ook.

Ik weet niet of het door het slaapgebrek kwam of door de hormonen, maar tot mijn eigen verrassing raakte ik daar niet van in paniek. Misschien omdat ik wist: bij onze dochter lukt het tot nu toe ook. Of omdat ik wist: dit is wat mensen doen, wat mensen altijd hebben gedaan.

Volgens psychologen, biologen en antropologen is onze extreem afhankelijke baby- en kindertijd er niet voor niets. In tegendeel: de intensieve zorg­relatie tussen ouder en kind vormt de basis van wie wij zijn. (En een ouder hoeft niet per se een biologische ouder te zijn: het is het zorgen dat iemand tot ouder maakt, niet andersom.)

Nepmoeders

Je kunt de mens zien als een open loop system. Zoals een waterkraan: die heeft een ander ‘systeem’, meestal een mens, nodig om open of dicht te gaan. Precies zo heeft ons lichaam andere lichamen nodig om te kunnen functioneren.

Bij pasgeboren baby’s is dit het duidelijkst, want zonder de lichamen van anderen blijven zij niet warm, krijgen ze hun ademhaling niet onder controle, kunnen ze niet eten of drinken, worden ze vies, komen ze om. Langzaam maar zeker leert een babylichaam bepaalde dingen zelf te doen. De ogen leren focussen, de lichaams­temperatuur blijft langer op peil, de spieren worden sterker, het vermogen de omgeving te manipuleren neemt toe. Maar om daar te komen, heeft het baby­lichaam eerst lange tijd een ander lichaam nodig – een ander lichaam dat de open loop aanvult.

Ook emotioneel zijn wij mensen een open loop: we hebben andere zielen nodig die zich over onze ziel ontfermen. Om zich emotioneel goed te kunnen ontwikkelen moet er iemand zijn aan wie baby’s zich kunnen hechten: iemand die een veilige haven voor hen is, een constante factor die zich aan hen verbindt en hen niet in de steek laat. Tot slot zijn kinderen ook voor hun cognitieve ontwikkeling afhankelijk van zorg. Het baby- en kinderbrein is kneedbaarder en veranderlijker dan het brein van een volwassene. Dat maakt het erg geschikt om te leren, maar terwijl je groeit en leert, ben je ontzettend kwetsbaar. Je leert door verschillende opties te onderzoeken, door rommelig en chaotisch te werk te gaan, door je plotseling helemaal te verliezen in, zeg, een rups die over de weg kruipt. Dat kan alleen veilig gebeuren als je tegelijkertijd wordt beschermd en als anderen in je basisbehoeften voorzien.

Als je een kind bent dus, en wordt verzorgd.

Onzichtbaar

“Wat nou,” vraagt mijn zoon bezorgd, “als jullie doodgaan? En ik weet nog niet alles? Hoe ik Engels moet praten, hoe ik moet koken?”

We zijn in de badkamer, ik ben hem aan het afdrogen; zijn huid gloeit nog na van het warme water. Ik zeg hem dat we voorlopig niet van plan zijn dood te gaan, maar mocht dat wel gebeuren, dan zullen andere mensen hem die dingen vast ook wel leren.

Mijn zoon: “Opa en oma bijvoorbeeld?”

Ik: “Ja, opa en oma bijvoorbeeld.”

Mijn antwoord lijkt hem gerust te stellen; zelf sta ik te kijken van het besef dat hij heeft van zijn eigen afhankelijkheid. Ik vraag me af of hij nu, omdat hij een kleuter is, iets kan zien wat hij later steeds minder goed zal zien.

Hoe ouder een kind wordt – hoe meer het brein zich ontwikkelt, hoe meer het lichaam zichzelf leert reguleren – hoe langer het zonder een ander lichaam toe kan. Ik heb dat altijd een fascinerend proces gevonden: dat de zorg voor onze kinderen erop is gericht onszelf overbodig te maken. Dat al die hechting, afhankelijkheid en zorgzaamheid uiteindelijk resulteren in een loslaten, een soort ónafhankelijkheid.

Wanneer onze kinderen een beperking hebben, een handicap of een chronische aandoening, is dat proces helemaal niet zo vanzelfsprekend. Maar ook wanneer onze kinderen geen beperking hebben, worden ze nooit volledig onafhankelijk. Als volwassenen blijven we voor onze emoties, gemoedstoestanden en gezondheid afhankelijk van de mensen om ons heen. De open loop raakt nooit gesloten.

Dus misschien is ‘zelfstandigheid’ een beter woord dan onafhankelijkheid – het vermogen om dingen zelf, op je eigen manier te doen.

En het gekke is: zorg is een voorwaarde voor deze zelfstandigheid, maar diezelfde zelfstandigheid maakt het lastig de zorg nog te zien. Onze zoon ziet het wat koken en Engels betreft: onze zorg, zijn afhankelijkheid. Maar op veel andere vlakken ziet hij die niet.

De Amerikaanse socioloog Lynn May Rivas merkte eens op dat ouders de neiging hebben hun kinderen te prijzen om hun zelfstandigheid, en dat ze zo het web verhullen van zorgzaamheid en afhankelijkheid dat aan die zelfstandigheid ten grondslag ligt. “Wat een lekkere koekjes heb jij gebakken,” zegt een moeder tegen haar kind, negerend dat zij het was die de bloem, suiker, boter en eieren klaarzette en afwoog, de oven aanzette en die lang nadat haar kind zijn aandacht alweer op iets anders had gevestigd nog vormpjes uit het deeg stond te snijden.

Dit verhullen van afhankelijkheid, dit wekken van de illusie van onafhankelijkheid, is ‘misschien wel het meest zorg­zame onderdeel van zorg,’ schrijft Rivas. Weinig zo lekker, tenslotte, als het gevoel dat we iets zelf hebben gedaan, dat we de boel onder controle hebben. Zo maakt veel zorg zichzelf onzichtbaar, of in elk geval, erg lastig te zien.

Niet zonder anderen

Onze lange kindertijd en de zorg die daarbij komt kijken zijn niet alleen bepalend voor de lichamelijke, emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen, maar ook voor de sociale en emotionele evolutie van onze soort.

Kijk maar eens naar hoe mensen met hun pasgeboren baby’s omgaan. Die zijn nog niet geboren of ze gaan van hand tot hand – het ritueel van de kraamvisite. Of kijk naar grootouders, die overal ter wereld een cruciale rol spelen in de zorg voor hun kleinkinderen. En kijk naar de crèche: daar brengen we onze baby’s al heen als ze amper drie maanden oud zijn, om hen de hele dag te laten verzorgen door volslagen vreemden.

Andere mensapen zijn een stuk bezitteriger. Chimpansees, gorilla’s en orang-­oetans dragen hun baby na de geboorte maanden bij zich en laten niemand anders in de buurt komen.

Maar wij mensen doen aan wat antropoloog en primatoloog Sarah Blaffer Hrdy ‘coöperatieve broedzorg’ noemt: de zorg voor kinderen is een taak van ouders én van een rijke schakering aan ‘hulpouders.’

Omdat kinderen zo lang zo veel zorg nodig hebben, is hen grootbrengen een kostbare aangelegenheid, die meer energie kost dan een ouder alleen kan leveren. Daarom zijn onze verre voorouders de zorg zo’n anderhalf miljoen jaar geleden gaan delen met andere volwassenen. Toen die gedeelde zorg er eenmaal was, kwam een proces op gang waarbij gedeelde zorg een nóg langere baby- en kindertijd mogelijk maakte, wat weer om nóg meer gedeelde zorg vroeg, enzovoorts. Dat leidde er uiteindelijk mede toe dat we als soort steeds socialer en intelligenter werden.

Het betrekken van onbewoonbare gebieden, het opbouwen van samen­levingen, het uit de grond stampen van steden, het gegeven dat we niet alleen voor onze kinderen maar ook voor onze ouders, vrienden, buren en zelfs wildvreemden leerden zorgen: het begon met de wisselwerking tussen afhankelijke baby’s en de (hulp)ouders die voor hen zorgden.

Broedzorgers

Het is het weekend voor de eerste lockdown en onze kinderen hebben bij mijn ouders gelogeerd. Vlak nadat zij hen hebben teruggebracht, laat de premier in een televisietoespraak weten dat scholen en crèches de volgende ochtend niet meer open zullen gaan en dat grootouders voorlopig beter bij hun kleinkinderen uit de buurt kunnen blijven. Mijn vriend schuift een lessenaartje tussen ons bed en de muur: onze thuiswerkplek, voor onbe­paalde tijd.

Zo begint voor ons de pandemie: thuis, met het hele gezin. Nu al onze hulpouders zijn weggevallen, staan mijn vriend en ik er alleen – vooruit: met zijn tweeën – voor. Net als half Nederland moeten we werken, zorgen en onderwijzen tegelijk, en dat gaat natuurlijk niet.

We hebben geluk – werk dat we vanuit huis kunnen doen, kinderen in de leeftijd waarop ze het gezellig vinden zoveel tijd met ons door te brengen, en in onze naaste omgeving wordt niemand ernstig ziek. Dat kan niet verhoeden dat deze situatie volstrekt tegennatuurlijk aanvoelt: we zijn coöperatieve broedzorgers die ineens niet meer mogen samenwerken.

Elke middag kruip ik achter de lessenaar met doppen in mijn oren om de kinderen niet te horen. Ik mag nu werken, maar er komt niets uit mijn handen: na een halve dag reken- en knutselwerkjes maken (‘Goed zo! Helemaal zelf gedaan!’), ruzies beslechten en verhalen vertellen, na een halve dag zorgen voel ik me alsof ik er al een hele werkdag op heb zitten.

Ook een gezin, bedenk ik, is een open loop. Zelfs wanneer ouders met z’n tweeën zijn, lukt het grootbrengen van kinderen niet zonder hulp van buitenaf – van crèche en school en oppas, bijspringende buren, van grootouders.

Kennelijk was er een pandemie voor nodig om dat besef écht goed tot me door te laten dringen. Misschien komt het doordat wij mensen zelfstandigheid ergens in de loop van de geschiedenis zijn gaan verwarren met onafhankelijkheid. Of doordat we van jongs af aan zijn geprezen om wat we allemaal zelf kunnen, en we zijn gaan geloven dat we geen anderen nodig hebben. Doordat zorg zo vaak onzichtbaar is.

Maar nu ik het eenmaal zie, kan ik het niet meer níét zien. Dat afhankelijkheid en gedeelde zorg dé voorwaarde zijn voor onze lichamelijke, cognitieve en emotionele ontwikkeling, als individu en als soort. Dat ze de basis vormen van onze vrijheid en autonomie. Dat zorg ons heeft gemaakt wie we zijn, en dat we zijn gemaakt om te zorgen – voor én met elkaar.

Dit is een voorpublicatie uit het boek Zorg: een betere kijk op de mens, dat 12 juli verschijnt bij De Correspondent

Journalist Lynn Berger zag dat ook zorg geen eindeloze bron is. Maar: ‘zorgen is net tennissen, als je oefent, word je er beter in.’

In de zomer van 2019 sprong ik in de Loosdrechtse plassen en haalde ik mijn voet open aan een stapel betonplaten op de bodem. Dat ging ontsteken en na een week werd ik opgenomen voor een infuus met antibiotica. In het ziekenhuis zag ik spandoeken van het personeel voor een beter salaris. De mensen die voor mij zorgden, werden dus onderbetaald. Eenmaal beter besloot ik de oorzaken en effecten daarvan uit te zoeken door mee te lopen met mensen die zorgen.

Ziekenhuizen, mantelzorg, ouderschap: alle zorg werkt volgens hetzelfde principe. Je moet je kunnen inleven in wat een ander nodig heeft en je gedrag daarop aanpassen. Daar heb je tijd voor nodig. Door de aanmaak van oxytocine en dopamine geeft zorgen een prettig gevoel; het stresshormoon cortisol ondermijnt onze zorgvaardigheden juist.

Extra verantwoordelijk

Aanvankelijk bemoeilijkte corona het meelopen met professionele zorgverleners, maar ik kon beginnen in eigen huis. Nu we de zorg voor onze kinderen niet konden uitbesteden aan school, bso, opa en oma werd in één klap duidelijk hoeveel wérk zorgen is. Te veel voor één gezin. En waarom voelde ik me als vrouw extra verantwoordelijk? Want ook dat verbindt alle zorg: vrouwen doen het leeuwendeel, informeel én professioneel.

Ik wil laten zien dat zorg voor kinderen, net als mantelzorg, ook werk is. Belangrijk werk, dat eerlijk moet worden verdeeld – als last, maar ook als lust. Werkgevers en overheden kunnen dat stimuleren, bijvoorbeeld met volledig betaald vader- en ouderschapsverlof. Want zorgen is net tennissen, als je oefent, word je er beter in.

Veel professionele zorgverleners die ik vervolgens ontmoette, vertelden me dat ze niet alleen te weinig geld, maar ook te weinig tijd kregen om hun werk te doen. We kunnen niet zonder zorg, maar ondermijnen het ook. En we schuiven de hete zorg-aardappel alsmaar door. Voor personeelstekort in de zorg wordt voorgesteld dat verpleegkundigen meer uren moeten maken, maar vaak zijn zij óók moeder of mantelzorger. Dan wordt de druk op kinderopvang en thuiszorg groter. En mantelzorgers kunnen het ook niet oplossen als ze daar niet de tijd en middelen voor krijgen. Alles is met elkaar verweven. Zorg is geen eindeloze bron, is mijn boodschap, we moeten er zuinig mee omgaan.

Lynn Berger. Beeld Frank Ruiter
Lynn Berger.Beeld Frank Ruiter
Meer over