Jigal Krant: ‘Ik zeg mensen niet dat ze vegan moeten worden.’

PlusExclusief

Kookboekschrijver Jigal Krant: ‘Het is maar goed dat ik niet beroemd ben, anders was ik allang gecanceld’

Jigal Krant: ‘Ik zeg mensen niet dat ze vegan moeten worden.’Beeld Jonathan Herman

Jigal Krant (48) vindt zichzelf geen kok. Toch werd zijn kookboek TLV over Tel Aviv uitgeroepen tot Gouden Kookboek 2018 en lanceerde hij onlangs een veganistisch vervolg: TLV Vegan. Als persoon roept hij vaak weerstand op. ‘In Tel Aviv voel ik me thuis omdat iedereen daar doet zoals ik.’

Els Quaegebeur

Jigal Krant legt uit waar hij woont met een spottend lachje: “In Zuid. Net buiten het Vondelpark bij de vierde Range Rover naar links en dan is het na de derde Porsche aan je rechterhand.”

Daar staat een mooi maar vooral erg gezellig huis, met een keuken vol potjes specerijen en kruiden, veel boeken en een tuin waarin kippen rondscharrelen.

Krant is bezig koriander te hakken. Een focaccia met olijven en zongedroogde tomaatjes staat klaar om gebakken te worden. Op het vuur staan messabecha van limabonen en olie voor de falafel. In de ­ijskast Israëlische rosé. De eerste honger moet gestild met zoetscherpe pul biber-amandelen. Hij schuift een bakplaat met gehakte walnoten de oven in. Dan giet hij een mengseltje over het brood. “Een mix van knoflook, za’atar en Israëlische olijfolie – die koop ik in Tel Aviv. Dit is focaccia zoals je het nooit eerder at. Heel anders dan in Italië. Luchtiger, minder plat, goed om hummus mee te swipen.”

Op een compliment over zijn behuizing reageert hij met de opmerking dat hij altijd veel moeite heeft gehad met de rijkdom van zijn ouders. “Mijn vader wilde sportjournalist worden, maar klom uiteindelijk via een zomerbaantje als papierversnipperaar bij de bank van de buurman in Bussum op tot succesvol bankdirecteur. Ik was 13, 14 toen hij rijk werd. Het geld was er dus niet altijd. Misschien dat ik er daardoor moeilijk aan kon wennen. Na de middelbare school ging ik gewoon op kamers, niks bijzonders. Tot mijn vader een mooi huis kocht en zei: ga daar nou maar wonen. Waarom moet ik wachten tot mijn dood om je iets te geven? Ik gaf gehoor aan zijn wens, maar ik hield gevoelens van verzet. Omdat ik het zelf wilde doen, en ook uit schaamte. Ik zat in die tijd bij een alternatieve rockband en daar paste een huis van papa niet bij.”

“Ik vind het nog steeds ingewikkeld. Mijn vrouw en ik werken hard en zijn ­succesvol, maar we zouden hier niet kunnen wonen als we de gebruikelijke hypotheek in deze straat moesten betalen. Het type mens dat hier woont, strookt niet met wie ik ben. Maar ja, misschien heb ik een verwrongen zelfbeeld.”

Dan gooit hij zijn handen in de lucht. “O, kak!” De walnoten. Haastig haalt hij ze uit de oven. “Iets te gekleurd. Nou ja, we doen het er maar mee.” Hij grinnikt. “Dat was totaal geveinsde nonchalance.”

Het is tijd om falafel te maken en bloemkoolroosjes te roosteren.

“Ik begon aan TLV Vegan als alleseter. Of alleseter, dat kun je niet zeggen als Joodse jongen die geen varken en garnalen eet, maar in principe als alleseter. In mijn ijskast staan nog wel boter en kaas, maar ik doe er weinig meer mee. Me zo lang intensief verdiepen in de vegan wereld heeft een impact. Als wij straks klaar zijn met eten, hebben wij hopelijk een volkomen voldaan gevoel zonder dat er een dier voor is gedood of gekweld. Dat vind ik waanzinnig tof.”

De rosé gaat open en de tafel wordt gedekt. “Ik zal nooit van tevoren borden en glazen klaarzetten. Dat staat zo: nou, je komt eten, het is allemaal voorbereid.”

De tafel staat inmiddels vol met schaaltjes. Het is alsof we lunchen in Tel Aviv. “Hier zullen we het mee moeten doen. Vind je het veel? Stel je voor dat het te weinig is. Mijn Jiddische oma zou zich dertig keer omdraaien in haar graf. Dit, dit en dit zijn de warme gerechten. Het is een vrij land, maar ik zou daarmee beginnen. Jij eet en ik praat, dat is de deal.”

Heb je jeugdherinneringen liggen in Tel Aviv?

“We gingen er vaak heen op vakantie, maar dan zaten we in hotels aan het strand. Tel Aviv was verder een vieze, grauwe stad met een stugge, opvliegerige bevolking. Er waren nauwelijks restaurants, alleen La Place-achtige cafetaria’s met plastic stoelen. De culinaire apotheose van een vakantie in het heilige land was de vliegtuigmaaltijd, staat in mijn kookboek. Midden jaren negentig begon de omwenteling van Oostblokdump naar de leukste stad op aarde met fantastische restaurants. De mensen hebben nog steeds veel temperament, maar ze zijn er ook zo vriendelijk en relaxed.”

De voordeur gaat open en dicht. Zoon Meijer (12) komt binnen. Hij stelt zich voor en neemt plaats aan het hoofd van de tafel. “Kom er even bij en neem een falafeltje. Waar was ik? O ja. Wat je in Amsterdam nu constant hebt – die boosheid, dat chagrijn, het drenzende ongeduld, klaar om een ander op zijn plek te zetten – dat zit er daar helemaal niet in.”

Terwijl Meijer het ene na het andere falafeltje naar binnen schuift, pakt Krant zijn nieuwste kookboek erbij om foto’s te laten zien van ontspannen Tel Aviv-inwoners die eten, praten en lachen in de zon.

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Ben jij anders als je daar bent?

“Absoluut. Ik erger me hier constant kapot. Ik kan slecht tegen asociaal gedrag.”

Jij bent daar ook relaxed?

Hij grinnikt. “Nóg relaxter, bedoel je.”

Meijer, lachend: “Mijn vader is totaal niet relaxed.”

Krant gaat onverstoorbaar door met bladeren naar foto’s van vrolijke mensen. “Leven en laten leven, dat is voor mij Tel Aviv. Ik heb nu the best of two worlds. Ik ben daar thuis, maar ik zou er nooit kunnen wonen, ook omdat taal voor mij heel belangrijk is. Ik spreek een redelijk woordje Ivriet, maar niet vloeiend. Het idee een tweederangsburger te zijn wat taal betreft, vind ik erg. Bovendien, ik voel me toch in eerste plaats Amsterdammer.”

Hij wijst op het warme bloemkoolgerecht. “Dit is al koud. Je bent te laat.”

Krant verhuisde met zijn ouders en broertje op zijn dertiende van Bussum naar Amsterdam, waar hij vanaf zijn zesde al bijna dagelijks kwam omdat hij er naar de Joodse basisschool Rosj Pina ging. “Mijn kinderen hebben ook allebei op Rosj Pina gezeten. Mijn dochter nog. Meijer is overgestapt naar een reguliere middelbare school. Die past bij hem, maar ik vind het ook wel jammer. In het Joodse onderwijs krijg je als kind veel cultuur en geschiedenis mee. Dat verrijkt je, ook als je later niet religieus leeft. Ik kan bijvoorbeeld makkelijk in discussie over de Joodse wetten met een rabbijn, ik spreek aardig Hebreeuws, en ik denk dat ik meer Joodse vrienden heb dan Meijer zal hebben.”

Is dat belangrijk?

“Niet per se. Het liep zo, en nu ik ouder ben, vind ik het waardevol dat ik veel Joodse vrienden heb overgehouden aan mijn schooltijd. Maar er zijn ook periodes in mijn leven geweest dat ik niets met het Jodendom te maken wilde hebben. En ook nu denk ik: let’s change the subject, straks gaat het hele gesprek over de Joodse identiteit. Er zijn al genoeg Amsterdammers die ermee dwepen.”

Toch zal het geen toeval zijn dat je zo verknocht bent geraakt aan Tel Aviv en niet aan, ik noem maar iets, Marseille.

“Ik werd verschrikkelijk verliefd op Tel Aviv omdat het bij uitstek een areligieuze stad is. Het ingewikkelde in het Jodendom is dat religie en het zijn van een volk door elkaar lopen. Omdat we hier nog maar met zo weinig zijn, manifesteert het zich bijna altijd in religieuze zin. Tel Aviv is een supertoffe stad waarin iedereen Joods is zonder met religie bezig te zijn. Daar wilde ik meteen bij horen.”

“Tekenend en paradoxaal is dat ik traditioneel ben opgevoed door mijn ouders, en juist in Israël voor het eerst niet-koosjer at. Bijna alle restaurants in Tel Aviv zijn niet-koosjer. Ga je wel naar een restaurant dat zich er nadrukkelijk op laat voorstaan, dan zit je weer tussen die zestien vrome Joden die er wonen, dus daar kom ik nooit. Diezelfde stad zorgde er vervolgens voor, door het boek, dat ik nu per definitie koosjer eet omdat ik geen vlees of vis meer eet, en nauwelijks zuivel; koosjer heeft eigenlijk altijd met dierlijke producten te maken.”

Hij haalt een rol opgesteven deeg voor techina-chocoladekoekjes met macadamia uit de ijskast, terwijl het gesprek gaat naar hoe hij overkomt. “Op een of andere manier roep ik gemengde gevoelens op bij mensen. Of je houdt van me of je vindt me vreselijk. Terwijl ik juist graag een aardige jongen wil zijn, en daar ook echt mijn best voor doe. Ik denk na voor iets zeg, ik probeer empathisch te zijn, ik denk aan anderen. Desalniettemin roep ik vaak weerstand op.”

Hoe komt dat, denk je?

“Ik kan rare dingen doen en zeggen, soms een beetje over de fatsoensnormen gaan. Zeker als ik lekker in mijn vel zit maak ik veel grappen, en grappen zijn het leukst als ze op het randje zijn. Uitdagen is leuk, een beetje prikken, een beetje pesten. Niet iedereen kan dat waarderen. Het is maar goed dat ik niet beroemd ben, want ik was waarschijnlijk al van voor naar achteren gecanceld.”

“Daarom voel ik me in Tel Aviv zo thuis. Iedereen doet daar zoals ik. In New York, waar ik ook een tijdje woonde, heb ik ook dat gevoel. Zoals mensen praten in Seinfeld, dat herken ik. Iedereen lult er te veel en door elkaar heen, niemand trekt zich daar iets van aan.”

Hier word je vaak verkeerd begrepen?

“Laat ik het zo zeggen: ik krijg soms het gevoel dat ik bij anderen meer door de vingers zie dan zij bij mij. Vriendschap bestaat wat mij betreft bij de gratie van een buffer die je voor elkaar hebt. Het hoeft niet altijd perfect te zijn. Echte vrienden gunnen elkaar hun zwakheden en stommiteiten. Ik heb dierbare vriendschappen zien stuklopen omdat die buffer er blijkbaar niet in gelijke mate was.”

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Je loopt tegen de vijftig. Waar zit nog ruimte voor ontwikkeling?

“Ik heb niet het gevoel dat ik aan uitrollen ben naar het stoplicht, niet in mijn persoonlijke ontwikkeling, en niet in mijn werk. Ik voel me nog een jongen van 23. Als er een boek uitkomt, denk ik: wow, dat heb ik gewoon gemaakt! Ik zit nog boordevol plannen, maar ik ga geen kookboeken meer maken, denk ik.”

Waarom niet?

“Ik ben geen kok, zoals ik ook geen echte muzikant was en journalist of televisiemaker ben. Ik heb veel geldingsdrang. Of, geldingsdrang –dat heeft de connotatie dat ik mezelf onsterfelijk wil maken. Dat is niet zo. Ik bedoel meer dat ik een drang heb om te creëren, aan de gang te gaan met al het moois dat deze wereld te bieden heeft. In mijn band switchte ik van gitaar naar piano naar harmonium naar glockenspiel. Niet omdat ik een virtuoze multi-­instrumentalist was, maar omdat ik het allemaal maar een klein beetje kon.”

Hard ineens: ‘JE LUISTERT WEL HÈ?!’

Ja hoor, ik luister goed. Zat te denken: allemaal een klein beetje. Dat lijkt me ingewikkeld voor iemand met geldingsdrang.

“Ja, zie je, nu hoor ik het mezelf doen, zo hard dat zeggen. Ik zie dat jij schrikt. Terwijl het van mij een geintje is. Of, een geintje – zo grappig was het niet, maar het is wel mijn humor. Maar goed, waar was ik. Ja. Allemaal een klein beetje. Daar kom ik best ver mee. De meeste muzikanten zijn veel beter dan ik en toch staat het merendeel van hen niet in Paradiso en op Noorderslag. En ik stond er wel. Tot het op was en ik weer iets anders ging doen. Zo ben ik ook een marathonloper geweest.”

Moeiteloos?

Wrevelig. “Niet moeiteloos natuurlijk. Wat ik bedoel is dat het allemaal voortkomt uit dezelfde creativiteit. Dit werkt voor mij omdat ik niet één ding heel goed kan. Ik ben geen Yvette van Boven die acht recepten op een dag schrijft. Ik schrijf er in de beste tijden één in acht dagen.”

De koekjes zijn klaar, en zijn verschrikkelijk lekker. Krant maakt er een espresso bij.

“Gaaf van het maken van dit boek was dat het me de mogelijkheid gaf zoveel te combineren. Recepten bedenken, koken, fotograferen, journalistieke verhalen schrijven, vormgeven. Nu is het op. Ik heb mezelf bovendien in de veganhoek gemanoeuvreerd, ik kan niet ineens aankomen met Het grote bitterballenboek. Ja, kan wel, maar dan is dit boek niets meer waard. Al ben ik geen activist of moralist als het gaat over eten. Ik zeg mensen niet dat ze vegan moeten worden. Ik leg uit hoe Tel Aviv de vegan capital of the world werd. Ja, en er staan motto’s voorin het boek die misschien een spiegel voorhouden.”

Ik vind die van Jonathan Safran Foer goed: While it is always possible to wake a person who’s sleeping, no amount of noise will wake a person who is pretending to be asleep.

“Dat citaat geeft uiting aan mijn diepe respect voor vegans, want ga er maar aan staan. Ze worden geen vegan omdat ze niet van een gebraden kippetje of oude kaas houden. En ze worden het ook niet om bij een clubje te horen, want daar zijn veel makkelijkere manieren voor. Ze ontzeggen zichzelf ontzettend veel en zitten voor de rest van hun leven vast aan ‘kaas’ van cashewnoten, omdat ze waarachtig iets goeds willen doen. Zij zetten daarmee een stap voor de hele wereld. Dat afdoen als een linkse hobby is dom. Er ligt een kind te verzuipen in de vijver. Zij zijn degenen die met kleren en al in het water springen terwijl de rest staat te kijken. In het boek heb ik verhalen verzameld van mensen die allemaal een eigen verklaring hebben voor de opkomst van Tel Aviv als vegan hoofdstad. Ik heb mijn best gedaan ze te doorgronden. Nu moet ik daar iets mee, thuis. Wat ben ik anders waard.”

Tevreden kijkt hij toe hoe de koekjes verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Is koken voor jou een manier om liefde of vriendschap te tonen?

“Ja! Ik heb altijd gekookt voor mensen. Van jongs af aan. Als ik een vriendinnetje op het oog had, was mijn manier van versieren: een cassettebandje opnemen à la High Fidelity en haar uitnodigen voor een dinertje. Als ik nieuwe vrienden maak, wil ik voor ze koken. Het is een van de intiemste vormen van contact maken, als je erover nadenkt. Om het plastisch te omschrijven: ik bedenk wat ik zal maken – wat al raar is, ik bepaal wat jij eet – ik maak het met mijn eigen handen en vervolgens gaat het letterlijk bij jou naar binnen. Dat was voor mij altijd een logische stap om iemand de liefde te verklaren.”

Ik snap het wel, men vergeeft jou veel zolang jij maar die goddelijke hummus blijft aanvoeren, om maar niet te spreken over deze koekjes.

“Dat werkt alleen als iemand gretig is, hè. Daarom zeg ik altijd van tevoren: kom hongerig. Ook een van mijn valkuilen, dat ik daar niet te dwingend in ben.”

null Beeld Jonathan Herman
Beeld Jonathan Herman

Maar uren in de keuken staan voor iemand die alleen maar in de sla zit te prikken, dat is pas echt irritant.

“Je liefde wordt dan niet beantwoord, bij wijze van spreken. Daarom is Tel Aviv zo leuk. Ik sta vaak op plekken waar ik eten uitdeel, presentaties en zo. De meest gehoorde opmerking in Nederland is: “Nee, dankjewel, ik heb al geluncht.” Who cares? Alsof je een kruisje bij je naam hebt: die mag niet meer. In Tel Aviv zal nooit iemand dat zeggen. Ook typisch, als ik ­tijdens een uitzending van Koffietijd een cake maak, snij ik die na afloop in stukjes en ga ik rond met een dienblad. Vooraan leg ik de grootste stukken, achteraan de kleinste. Dan zie je hier dus mensen altijd reiken naar het kleinste stukje, dan naar het een na kleinste, enzovoort. Ga je in Tel Aviv rond met een dienblad, dan gebeurt het omgekeerde. Ik vind dat laatste veel leuker. Die calvinistische gedachte over bescheidenheid, wie doe je daar een plezier mee? Niet de kok. Die wil dat je ­onbescheiden bent, gulzig.”

Ik neem nog een koekje.

“Ik vind het vreselijk om afgewezen te worden. Mijn hele leven al. Ik wilde ook nooit meedoen aan bandjeswedstrijden, want ik ging niet een of andere jury ons laten beoordelen. De Keuringsdienst van waarde vroeg een keer of ik auditie wilde doen. Ze zochten een nieuwe presentator. Kreeg ik een afwijzingsmailtje waarin stond: ‘Bedankt voor de belangstelling. We kijken nog even verder.’ Bedankt voor de belangstelling?! Gast, jij belde mij, ik vroeg nergens om. Ik ga jou nu ook geen tweede glas rosé aanbieden, als de dood dat jij zegt: ‘Nee, dank je.’ Dus ja, ik doe toch aan schipperen, in mijn hele doen en laten probeer ik rekening te houden met wat anderen fijn vinden… Je kijkt me aan alsof ik gek ben.”

Niet.

“Dit boek gaat uiteindelijk over empathie. Dat is de reden dat Israëliërs vegan zijn.”

Een van de meer activistische vegans in het boek beweert dat zoveel Israëliërs vegan zijn door de Holocaust. Wij Joden weten als geen ander wat is het is om uitgebuit en uitgemoord te worden, zegt ze. Hoe zie jij dat?

“Dat is een ongelooflijk controversieel punt. Kunnen Joden zich door hun geschiedenis beter inleven in het leed van dieren? Goed, in Nederland halen vegans de procent niet, maar in Israël is het uiteindelijk ook nog maar bijna 6 procent. 94 procent van de bevolking eet dus wel dierlijke producten.”

Meer in het algemeen gesteld: Hebben Joden iets bijzonders met empathie?

I don’t know. Het is wel de eigenschap die ik mijn kinderen nadrukkelijk probeer mee te geven. Daarmee val je in deze buurt in elk geval soms behoorlijk buiten de boot.”

Hij gaat staan en pakt een paar kookboeken van een boekenplank.

“Dit boek is een geparkeerde auto en hier, tien meter verder, staat er nog een. Komt een Range Rover aangereden, wacht, even de koekjes opzij, anders kan ik niet achteruit inparkeren. Zooo, die gaat hier staan, precies in het midden. Bestuurder stapt uit, prima zo. Ik zit dan al in een intern gevecht: ga ik iets zeggen? Heb je meteen ruzie: waar bemoei je je mee, ben je van de politie of zo? Ja maar, als u hem iets naar voren zet, kunnen er nog twee mensen achter. Het is niet eens dat ze ­denken: ik sta lekker asociaal, kan mij het schelen. Nee, het ontgaat ze volledig. Gaat maar over parkeren natuurlijk, who cares, maar ik word daar zo boos van, omdat het eigenlijk over empathie gaat, of het gebrek daaraan. En dat doet ertoe. Als je empathie hebt voor een ander, val je namelijk een ander land niet binnen, steel je niet, doe je je best geen dieren te eten.”

Kortom: de wereld is dan fijner.

“Ja, en natuurlijk zijn wij gebouwd om niet ongebreideld empathisch te zijn, want dan gaan we kapot bij elke zwerver die we tegenkomen, kunnen wij hier niet praten over pietluttigheden terwijl een paar landen verderop kinderen worden aangevallen met clusterbommen. Het hele leven hangt van paradoxen aan elkaar; we willen zoveel wat we niet kunnen en we kunnen zoveel wat we niet willen.”

Hij pakt koekjes in en de rest van de amandelen: “Ik geef je nog wat eten mee.”

Meijer kijkt op van zijn telefoon: “Pap, mag ik die mevrouw eieren van onze kippen meegeven?”

null Beeld

Jigal Krant

8 oktober 1973, Bussum

1986-1993 Havo en vwo, JSG Maimonides, Amsterdam
1993-1994 Tussenjaar in Israël
1995-1997 Studie economie, VU (niet afgemaakt)
1998-2004 Studie communicatiewetenschap, UvA
1998-2003 Gitarist en liedjesschrijver in de britpopband Flemming
2005-heden Verslaggever BNR Nieuwsradio
2012 en 2015 Presenator en producent De Koosjere Hamvraag, De Joodse Omroep (2 series)
2012-2021 Columnist Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW)
2018 TLV – Recepten en verhalen uit Tel Aviv, winnaar Gouden Kookboek
2018-heden Tv-kok Koffietijd RTL4
2019 TLV – De Culinaire Stadsgids
2021 TLV Vegan – Land zonder melk en honing

Jigal Krant is getrouwd met Nienke Kok. Ze hebben samen zoon Meijer en dochter Ada.

Meer over