PlusKerstverhaal

Kerstverhaal over Ben de Dood en zijn teckels Koopmans en Van Dissel

Ben de Dood was allergisch voor prietpraat en kwam in deze tijd van het jaar zijn vale ochtendjas niet uit. Tot er op een dag een pakketje ter grootte van een rugbybal voor zijn deur lag.

Viktor Frölke
null Beeld Lotte Dijkstra
Beeld Lotte Dijkstra

1.

Toen Ben de Dood – sorry, maar zo heette hij echt, daar kon hij ook niets aan doen; hoewel, lang speelde hij met het idee om zijn naam te veranderen, maar uiteindelijk weigerde hij een knieval te maken, zo noemde hij het, voor de kleingeestigheid – toen deze Ben de Dood dus, zuchtend en steunend bukte om de weekendkrant van de deurmat te rapen van zijn ruime, matig onderhouden herenhuis aan de Emmalaan, staken Koopmans en Van Dissel, zijn kortharige teckels, zo ongeveer hun spitse neuzen onder de deur door.

Lag er een dronken toerist op het bordes? Een adresloze dan misschien?

Ter inspectie tuurde De Dood door het luikje in de voordeur. Een zonnige, te warme herfstdag. Aan de overkant van de straat stond Fresemann van der Linden met een blower de weinige bladeren in zijn voortuin bij elkaar te vegen. Om niet diens aandacht te trekken – De Dood was allergisch voor prietpraat, hij had zelfs geen zin om te groeten, en niet alleen omdat hij zijn vale ochtendjas nog aanhad – deed hij langzaam de voordeur open, met zijn wollen slof de teckels tegenhoudend.

Op het bordes lag een pakketje ter grootte van een rugbybal, gewikkeld in een vieze witte handdoek; aan de zijkant kleurde de stof rood.

In een reflex gooide De Dood de weekendkrant op de grond, nam de bundel op en haastte zich terug naar binnen, de deur achter zich dicht trappend. Van Dissel en Koopmans keken hem verbaasd aan, teleurgesteld ook wel, en volgden hem naar de bibliotheek.

De Dood schoof de boeken opzij die in stapeltjes op de leesbank lagen – uitsluitend negentiende-eeuwse klassiekers, die hij allemaal tegelijk aan het lezen was; veel werk van Dickens, maar hoeveel Dickens kon een mens aan? – en legde zijn buit neer. Voorzichtig duwde hij de ruwe badstof opzij. Een onwaarschijnlijk klein, krom voetje piepte tevoorschijn. Aan de andere kant zat het hoofdje, niet veel groter dan zijn vuist, dat meteen ongecontroleerd begon te bewegen. Het rood aangelopen gezicht, de dichtgeknepen oogjes: het had iets verkrampts, iets geobstipeerds.

“Sakkerloot,” mompelde De Dood.

Het liploze mondje ging trillend open, de tong schoof als een vlezig hekje tegen het verhemelte, en er klonk gehuil. Hoewel, gehuil kon het nauwelijks worden genoemd, eerder een paniekerig piepen en hijgen. Ondertussen drupte er bloed op de leren bank. De Dood vloekte binnensmonds. “En dan te bedenken dat ik nog niet eens koffie heb gehad.”

In de keuken maakte hij een dubbele espresso. Op de achtergrond gingen de geluiden door, geluiden die om aandacht vroegen, geluiden die smeekten dat iemand, maakt niet uit wie, iets deed, wat dan ook, en wel onmiddellijk. In de ijskast vond hij volle melk, verdunde deze met warm water en deed een heel klein beetje in een borrelglas.

Terug in de bibliotheek wees hij Koopmans en Van Dissel, die hun voorpoten op de bank hadden gezet, hun plaats, en knielde. Voorzichtig pakte hij de pasgeborene helemaal uit, zoals je een kristallen vaas uitpakt, en zag dat de navel bloedde. Terwijl hij die droogdepte met een stukje handdoek, ontrolde het geslacht zich. Er kwam een straaltje plas uit. “Wel ja,” bromde De Dood, niet ontevreden.

Toen De Dood een pleister op de navel had geplakt en het lijfje strak in een schone handdoek had gewikkeld, probeerde hij het jongetje wat melk te geven, maar die draaide zijn hoofd steeds weg. “Hallo,” zei hij. “Contact?” In een la vond De Dood een Unoxmuts, en drapeerde die over de schedel. Goddank ging het huilen over in een zacht kermen, dat uiteindelijk ook bijna ophield, nadat hij zijn pink met de nagel naar beneden bij de baby in de mond had gestoken, iets wat hij ooit eens iemand in het park had zien doen. Een penetratie.

“Jij wilt natuurlijk dat ik je een naam geef, Remy of zo, maar daar begin ik niet aan. Dan ontstaat er een band en dat wil ik niet. Wat ik wil is ongestoord een boek lezen op de bank, elke avond een Bordeaux en drie keer daags met de teckels een rondje door het Vondelpark, dat is alles.”

null Beeld Lotte Dijkstra
Beeld Lotte Dijkstra

2.

Maandagochtend, aan de koffie in de keuken, met op zijn arm de verloren zoon, zo noemde hij hem dan maar, in een eigenhandig van een klein formaat Jumbotas vervaardigde luier, had De Dood nog niemand het blijde, of niet zo blijde, nieuws verteld. Wie zou hij moeten bellen?

Zijn ex, die zou opgetogen zijn geweest, trots misschien eindelijk een keer, maar die was er niet meer. Zijn zus zat met haar man in het Zwarte Woud, en zijn oud-collega van de faculteit was een depressie ingedreven door zijn zwaar-autistische zoon. Fresemann van der Linden, ja, die was vast geïnteresseerd, net zoals die twee melkblonde hockeydochters van hem, met hun perfecte gebitten, maar De Dood peinsde er niet over om die erbij te betrekken.

Moest hij de instanties verwittigen? Zo ja, welke, en wat voor gevolgen zou dat hebben? Het liefst hield hij de vondeling helemaal voor zichzelf alleen. Hij voelde plotseling een sense of purpose, alsof het leven zin had. Twee nachten had hij uitstekend geslapen – met oordoppen in, dat wel. De volgende ochtend kirde het jongetje, alsof er niets aan zijn bestaan ontbrak. Zijn navel was keurig opgedroogd.

Op de keukenklok liep het tegen elven. “Dat is waar ook,” riep hij uit. “Martina en João komen vandaag!”

In de verte hoorde hij al een sleutel in het slot steken, behoedzaam als gewoonlijk, aarzelend bijna. Bij binnenkomst deed het Braziliaanse schoonmaakechtpaar meteen hun tennisschoenen uit en ze tippelden de gang door. De Dood probeerde vanuit de keuken de opgewonden teckels tot kalmte te manen.

Ik ben erbij, dacht hij, en misschien maar goed ook.

Bom dia,” zei hij droogjes, toen Martina en João hun blije hoofden om de hoek staken. Waar haalden ze die blijdschap toch vandaan? Martina en João waren zijn contact met de buitenwereld, sinds zes jaar alweer, toen ze als vluchtelingen naar Nederland kwamen. Hij betaalde ze royaal, vond hij.

“Olà!” gilde Martina in een hoge versnelling. Van haar kon hij het hebben.

“Sorry dat ik niet heb opgeruimd… Jullie zullen om de troep heen moeten poetsen.”

Toen Martina zag wat hij op zijn arm had, slaakte ze een gilletje. Ze stormde op hem af, als een magneet aangetrokken tot de kleine, die op zijn beurt op haar reageerde met een juichende piep die hij nog niet eerder had laten horen. “Que fofinha! Meneer Ben, en dat op uw leeftijd! Tsss…” Haar gulle glimlach was onbeantwoordbaar voor iemand als De Dood, die tot gelaatsexpressie nauwelijks in staat was, maar dat betekende niet dat hij geen gevoel had. Hij zocht de blik van João; die zat alleen nog maar op zijn telefoon sinds hij hem voor zijn verjaardag een piepklein stukje bitcoin had gegeven.

Martina nam het jongetje over van De Dood en stak haar neus in zijn haartjes. “Hmmm, wat ruikt hij lekker! Maar aan deze kant…” Ze trok een vies gezicht.

“Weet jij wat hij moet eten?”

“Eten?” Martina schoot in de lach. “Wat dacht u van pão de queijo? Kaasballetjes?”

Een tel dacht De Dood dat ze het meende. “Heb ik niet. Wat nog?”

“Melk, meneer Ben, alleen maar melk. Moeder of poeder.”

Hij durfde niet te zeggen dat hij zijn nieuwe huisgenoot volle melk had gegeven. Met behulp van het kaviaarlepeltje uit de servieskast, een erfstuk, was dat er prima ingegaan.

“Zal ik hem boven een badje geven?” vroeg Martina.

Voordat De Dood had kunnen antwoorden, nam ze hem al mee, de krakende trap op.

“Van de stoffen hondenmand, waar ze toch nooit in liggen, maak ik een bedje in de naaikamer,” riep ze naar beneden. “Die staat toch leeg.”

’s Middags haalde ze luiers, een rompertje en biologische poedermelk, in een tuitflesje.

Het voelde als valsspelen.

null Beeld Lotte Dijkstra
Beeld Lotte Dijkstra

3.

Op 24 december, zo rond borreluur, werd er aangebeld. Van Dissel en Koopmans sloegen onmiddellijk aan.

“Stil!” De Dood liep met tegenzin achter de blaffers aan naar de deur. In deze tijd van het jaar kwam hij überhaupt zijn ochtendjas niet uit. “Toch niet weer een pakje voor Fresemann mag ik hopen, of een van zijn dochters… Ik moet dat bord op de deur hangen.”

Daadwerkelijk had hij een bord laten maken, GEEN DEPOT, maar hij had het nooit naast de deur geschroefd, vanwege de bekrompenheid. Bovendien had hij geen gereedschap.

Hij was nog niet bij de deur of er werd nog een keer aangebeld. De teckels zetten een tandje bij. Fresemann zelf, dacht De Dood, die komt met kerstverlichting voor bij die boom die hij eerder bracht en zogenaamd over had. Toen hij de deur opende stond niet de olijke vijftiger met gaatjesschoenen voor zijn neus, maar een meisje met een hoody op, haar handen in de zakken van een leren jas. Hele lappen waren uit haar broekspijpen gescheurd, alsof ze achter een auto had gehangen en haar benen had geschaafd.

“Zeg het eens,” zei De Dood. Uit verveling tikte hij met zijn zegelring tegen de deurpost. “Goede doelen? Groene energie?”

Het meisje bleek een jonge vrouw van in de twintig, minstens, en obees. Vroeger zou je dik gezegd hebben. Trouwens, als De Dood genadeloos was, en dat wilde hij graag zijn, dan had hij met zijn coronapens ook flink wat overgewicht.

Haar lippen waren gebarsten. Om haar schouder hing een halfopen rugzak. “O, hallo,” zei ze, niet verlegen, wel ongemakkelijk.

In de verte lag het park er, in een Hitchcockiaanse, mistige schemering, droefgeestig bij. Het beetje sneeuw was weggesmolten. Met weemoed dacht De Dood terug aan het ijs van vorige winter, hoe hij daarvan had genoten, ook al schaatste hij niet. Zijn mijmering werd ruw verstoord door Koopmans en Van Dissel die langs zijn benen naar buiten glipten. De jonge vrouw ging door haar knieën om ze uitgebreid te aaien, iets wat de teckels zich lieten aanleunen, hoewel ze bleven blaffen.

“Hou nou toch eindelijk eens je waffel!” baste De Dood.

Toen ze eindelijk stil waren, zei de jonge vrouw: “Ik kom voor mijn baby.” Haar toon was zakelijk, alsof het ging om een telefoonoplader.

“Je baby?” De Dood schrok van zijn eigen stem. Als Fresemann van der Linden in de tuin was, en daar was hij maar wat graag, ook in de winter, had hij hem misschien wel gehoord. Wat zou hij denken? Misschien wist hij alles al, zo’n man was het. Of nee: zijn dochters hadden het hem verteld.

“Lester,” voegde de jonge vrouw er strijdvaardig aan toe.

Er ging een siddering door De Doods wervelkolom. Als levenslange jazzliefhebber kende hij maar één Lester. The Prez. “Wat een mooie naam. Hoe heet jij dan?”

“Billie,” zei ze.

De Dood wist niet hoe gauw hij haar binnen moest laten. Hij nam haar tas aan en haar jas, leidde haar naar de bibliotheek en installeerde haar op de leesbank. Toen het geblaf van Koopmans en Van Dissel weliswaar in frequentie, zij het niet in intensiteit, afnam, pakte hij ze één voor één op, als opgerolde yogamatjes, en sloot ze op in de televisiekamer, met ieder een klein bot uit de bouillon die al de hele dag op het vuur stond te trekken.

“Billie,” zei hij opgeruimd, misschien iets te opgeruimd, “mag ik je wat te drinken inschenken? Ik zit aan de port.”

Voorovergebogen zat ze op de bank, haar polsen tussen haar benen geklemd. “Heb je toevallig muntthee?” Toevallig had hij dat. Nadat hij haar had bediend, leunde ze wat achterover, haar mollige handen warmend aan de mok. “Waar is ie?”

De Dood zette zich naast de al jaren niet meer gebruikte open haard in een versleten fauteuil. “Niet hier. Het spijt me.”

Ze ging rechtop zitten. “Waar dan?”

“Dat kan ik niet zeggen.”

“Hoezo niet!” Er klonk woede door in haar stem, agressie zelfs, maar ook het besef dat die weinig zou uitrichten.

“Jouw baby is mij afgenomen door mijn schoonmakers.” De Dood vertelde over de keer dat Martina en João kwamen schoonmaken, en hij de honden zoals gewoonlijk extra lang uitliet – hij wilde niet in de weg lopen; in het licht van de noeste arbeid van zijn illegale werklui greep zijn eigen nutteloosheid hem steeds meer naar de keel. Lester was in diepe slaap. Maar bij terugkeer uit het park stond hij voor niets in de hal te wapperen met vers gepinde bankbiljetten.

“Fok man! Dat kan toch zomaar niet?” zei Billie, hoofdschuddend.

“Geloof me, ik was er ook kapot van. Die schoonmakers kon ik missen, die zijn vervangbaar, maar op Lester was ik echt gesteld geraakt. Ik, die zogenaamd niets heeft met kinderen, ontdekte in mezelf, ik geef toe wat laat: de troostende kracht van het ouderschap. Ik was verbluft hoe goed het me deed om met dit tere schepsel te lachen, te dansen, te foezelen. Alleen de huilbuien… nou ja…”

“U heeft toch zeker de politie gebeld?”

De Dood keek haar recht aan, nam een slokje port en zei: “Dan waren die Brazilianen het land uitgezet. Trouwens, ik zat ook fout.” Hij staarde naar het kunstig gestuukte plafond, alsof hij bad tot een niet bestaande God. “Ik denk dat het zo heeft moeten zijn. Sorry.”

Billie verborg haar gezicht en begon zachtjes te snikken. Dat duurde vrij lang. “Ik schaam me zo,” zei ze, schokkerig, door haar handen heen.

“Weten je ouders hiervan?”

Ze keek hem voor het eerst recht aan, onbewogen. Haar ogen waren rood en betraand, maar haar wangen bleven droog.

Hij overwoog naast haar te gaan zitten en een arm om haar heen te slaan, maar zag daarvan af uit angst dat ze dat verkeerd zou uitleggen. Bovendien was er nog altijd zoiets als besmetting.

Billie was student commerciële economie uit Almere. Ze was in het geheim bevallen, midden in de nacht, in de badkamer. Haar vriendje mocht absoluut nergens van weten, ze hadden alsmaar ruzie, eigenlijk vanaf het begin al was hun relatie gedoemd.

“Hoe is het mogelijk dat je zelf niet in de gaten had dat je zwanger was?”

Ze haalde een mondkapje uit haar broekzak en snoot haar neus. “Ik was aan de pil. Ik bleef ongesteld – onregelmatig, maar toch. Ineens had ik een keiharde buik en gebeurde alles tegelijk en dacht ik dat ik doodging.” Ze aaide zichzelf door haar korte haar.

“Waarom ben je naar Amsterdam gekomen, en dan ook nog naar mij?”

“Volgens Google is dit een luxe straat.”

De Dood kuchte. “Je had beter bij Fresemann van der Linden –” Hij maakte zijn zin niet af. “Zeg, ik ben bouillon aan het trekken. Mag ik je wat Franse uiensoep aanbieden?”

Ze knikte. “Ik moet nog iets opbiechten.”

“Je bent uit op mijn geld.”

Ze schoot in de lach, kort, hees. Even kreeg De Dood het idee dat ze stoned was. Hoe kwam hij daar nou weer bij? “Een vriendin van mij wacht in het park. Sarah.”

“Haal haar maar,” zei De Dood, “dan maak ik de haard aan, tenzij jullie daar iets op tegen hebben.” Op de schouw stond de kerstkaart die hij tot zijn verbazing van Martina & Joao en ‘hun’ baby had gekregen, Jesus. ‘Bedankt voor alles,’ stond erop, in kinderlijk handschrift. Moest hij die nu al de moeder onder de neus duwen? Misschien later.

Toen Billie de deur had opengedaan voor Sarah, die iets ouder was, blauwgeverfd haar had en die ook al commerciële economie deed, serveerde De Dood uiensoep, met een homp brood erbij gedoopt in olijfolie en zeezout. Zijn gasten wilden er nog wel een glas Saint-Émilion van hem bij aannemen. Op zijn oude pick-up legde hij de Complete Billie Holiday & Lester Young, en even leek het alsof alles klopte.

Meer over