PlusReportage

Jan Dippell Ritzinger (75) runt al 50 jaar Flowershop Ivy aan het Leidseplein: Geen lelies. Geen chrysanten. En vooral: geen geel

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Jan Dippell Ritzinger (75) bestiert al vijftig jaar Flowershop Ivy aan het Leidseplein, die hofleverancier is van het Hilton en Cartier. Hij is ook de trotse maker van de 4 meikransen op de Dam. ‘Dit is het mooiste wat ik kan maken voor wat er is gebeurd.’

Vera Spaans

Sommige klanten weten het meteen. Die komen met hele moodboards aanzetten van thuis bij elkaar gegoogelde plaatjes, of vragen juist gewoon om een bos tulpen. Andere klanten hebben nog geen idee. Die komen binnen en weten hooguit wat ze niet willen. “Die mensen laat ik gewoon even rustig rondkijken. Als ze ergens wat langer blijven hangen, kom ik naast ze staan en zeg ik: mooi hè?”

Zestig jaar in het vak zit hij nu, bloemist Jan Dippell Ritzinger, en in januari werkt hij vijftig jaar bij Flowershop Ivy aan het Leidseplein. Op een schilderachtig hoekje bij de Singelgracht, recht tegenover American Hotel. Het zijn niet de minsten die bij hem hun bloemen bestellen. Het Hilton, Guerlain, alle vestigingen in Noord-Europa van Cartier. Maar ook de bewoners van om de hoek, zoals de meneer – begin vijftig, zuidelijk accent – die deze donderdagmiddag binnenkomt. Een flinke bos mag het zijn, zegt hij, voor een euro of vijftig. Maar ­verder? Hij weet vooral wat hij níet wil. Geen lelies. Geen chrysanten. En vooral: geen geel.

“Dan heb ik mooie rozen,” zegt Jan ­Dippell. De klant deinst achteruit. “Nee, geen rozen! Zij is niet mijn geliefde!” Hij zoekt een boeket voor zijn buurvrouw. De oudere dame heeft in september een feest gegeven. Om te voorkomen dat ze op één avond twintig bossen bloemen in ontvangst moest nemen, hebben de gasten ingetekend in een boekje en brengen zij beurtelings, een per week, een bosje langs.

Dippell haalt links en rechts wat bloemen uit de grote vazen waar de winkel mee vol staat. Paarsblauwe, roze en witte lisianthus, gekleurde amaryllissen. Uiteindelijk wordt het de zachtroze lisianthus, met wit en groen. “Ik asocieer poederroze altijd met oudere dames,” fluistert Dippell samenzweerderig. “En ik kan je zeggen: de meesten vinden dat ook gewoon heel mooi.”

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Kleur van de haat

Geel, daarentegen, wil bijna niemand. Dat verkoopt het hele jaar niet. Oké, de gele vlinderorchideetjes doen het nu goed, en gele tulpen en narcissen worden ook best verkocht – maar zelden om cadeau te doen. “Geel is de kleur van de haat,” zegt Dippell. “Nou ja, dat zit tussen je oren, hè. Maar dat idee maakt het een moeilijk te verkopen kleur. Tot Dior en Chanel ermee komen, dan moet iedereen opeens geel.”

Hij had een keer het Van Gogh Museum aan de lijn voor een boeket. “‘Absoluut geen zonnebloemen,’ riepen ze.” Hij grinnikt. “Ik denk dat ze die een beetje zat zijn.”

Rood? De kleur van de liefde. En wit staat voor de oorsprong van de mens, maagdelijkheid en onschuld – uitstekend dus voor geboortes en als rouwboeket.

Zeg het met bloemen. Daarmee kun je de plank ook behoorlijk misslaan. Met anjers, bijvoorbeeld. Die brengen ongeluk, zo wordt gedacht in de theaterwereld. En in bepaalde Joodse kringen brengen ze nieges. Misschien, denkt Dippell, heeft het iets te maken met de anjers die prins Bernhard altijd droeg – toch een Duitser. Hij heeft bijna 28 jaar lang voor al zijn bloemen gezorgd. Als Bernhard in Rio liep met een witte anjer in zijn borstzakje, kwam ie van het Leidseplein. Liep hij in Tokio, kwam de anjer van het Leidseplein. Timboektoe? Leidseplein. Ook de anjers bij Bernhards begrafenis kwamen van Ivy.

Hij heeft hem in al die jaren goed leren kennen. Toen in de kranten stond dat de prins ongeneeslijk ziek was, kon Dippell ook iets van zich laten horen.

“Ik maakte een boeket van honderd anjers, met het groen erbij van de asparagus plumosus, de sierasperge, want dat vond ie altijd zo mooi. Anjers hebben verdikkingen in de steel en die breken vaak. Maar goed, ik maakte een enorm boeket en er brak er af en toe ’s één. Met zo veel anjers, so what. Toen de bos werd bezorgd, kwam Bernhard al niet meer uit zijn bed, zo ziek was ie. De vaas werd naast zijn bed gezet. Een week na zijn overlijden kwam er een brief van paleis Soestdijk, getypt door zijn secretaris. De prins bedankte mij voor de 96 anjers.”

Flowershop Ivy, sinds 1901 aan het Leidseplein. Beeld Dingena Mol
Flowershop Ivy, sinds 1901 aan het Leidseplein.Beeld Dingena Mol

Uiterst matige leerling

Het is begin december. De kerstgekte heeft in de zaak van Dippell Ritzinger nog niet toegeslagen. Als het aan hem ligt, blijft die ook zoveel mogelijk buiten de deur. Hij heeft geen goed woord over voor al die bloemisten die in december veranderen in ‘Villa Kakelbont’ en zich zo verliezen in de kersthysterie dat ze allemaal op elkaar gaan lijken, met hun namaaktakken en zijdebloemen. “Die komen er bij mij niet in. Ik ben een natuurmens. Ik ben niet zomaar dit vak ingegaan.”

Dippell wist op zijn vijftiende dat hij bloemist wilde worden. Hij zat op de mulo, net als zijn grote zus, en was het zat dat hij bij alles te horen kreeg: ‘Vraag maar aan je zuster, zij was altijd zo goed!’ Hij was zelf een uiterst matige leerling en besloot, drie maanden voor zijn eindexamen, het bijltje erbij neer te gooien. Een leven als kantoorklerk bij een bank of ergens anders vegeteren achter een bureau, dat benauwde hem.

Wat wil je dan wel, vroeg zijn vader. “Toen zei ik, out of the blue: ‘Ik wil bloemist worden.’ Ik kon nog geen tulp van een roos onderscheiden, maar ik was toch enorm gefascineerd door bloemen en planten.” Zijn vader vond het goed. Dippell mocht naar de tuinbouwschool. “En toen was ík het opeens die negens en tienen haalde.”

‘Normaliter doe ik twintig bruiloften per jaar. In 2020 had ik er geeneen, dit jaar pas vier.’ Beeld Dingena Mol
‘Normaliter doe ik twintig bruiloften per jaar. In 2020 had ik er geeneen, dit jaar pas vier.’Beeld Dingena Mol

Hij wilde ook altijd al alles weten. Eind jaren zestig spaarde hij een reis bij elkaar naar de Amazone. “Ik wilde zien waar onze natuur, waar wij van leven, vandaan kwam. Bizar was het. Ik zag de victoria regina, de waterlelie met die bladeren waar je een kind op kunt zetten, in het echt. Hele velden met anthuriums” – de meeste mensen zullen dat de penisplant noemen, Dippell niet – “en de meest waanzinnige orchideeën.”

Hij is altijd op zoek naar de verhalen achter de plant. Achter dat van de strelitzia, bijvoorbeeld, de paradijsvogelbloem. “Die is vernoemd naar de baronesse Von Strelitz. Zij had een domein in Duitsland. In het fin de siècle hadden the rich and famous allemaal een woudloper in dienst: een meneer die naar de Amazone werd gestuurd of naar de oerwouden in Oeganda met de opdracht om met bijzondere planten en bloemen terug te komen. Die werden dan opgekweekt in de orangerie van hun landgoed. De baronesse of gravin nodigde vervolgens haar vrienden uit om te laten zien wat zij voor nieuwigheden hadden. Strelitzia regina, want Von Strelitz was regerend vorst. En die waterlelie werd gehaald voor koningin Victoria: victoria regina.”

Wow-stuk

De bloem als statussymbool. Dat is ­eigenlijk door de eeuwen heen nauwelijks veranderd. Hij moet, stelt hij vast, heel vaak nee zeggen. “Soms willen mensen voor hun bruiloft een overdaad aan bloemen, maar hebben ze al een prachtige locatie. Dan zeg ik tegen die klant: er is hier heel weinig nodig, de ruimte doet het zelf al. Soms zeggen klanten dan: we willen veel, veel, veel! Dan antwoord ik: is het uw huwelijk of gaan we voor u een bloemententoonstelling maken?”

Uiteindelijk is dat de kunst. Kijken wat er nodig is om de bloem te laten zijn wat ie moet zijn: van toegevoegde waarde. Dus geen bloemen neerzetten waar je ze niet ziet. Bloemstukken op de balie van hotels? Die staan het personeel vaak alleen maar in de weg. “Soms zegt een trouwlocatie: we willen een groot bloemstuk aan weerszijden van de deur. Dat is natuurlijk te maken. Maar het bruidspaar en het gevolg lopen door. Die hebben dat tweede bloemstuk dus helemaal niet gezien, want daar staan ze met hun rug naartoe. Dat kun je dan beter laten zitten. Ik zoek naar de plek waar de zichtlijnen samenkomen. En daar zet ik dan een enorm stuk neer. Dat ­mensen meteen denken: wow.”

Daarvoor moet je wel weten waar je bloemen komen te staan. Dippell gaat altijd op locatiebezoek. “Voor de verbouwing hebben we 25 jaar het Rijksmuseum bediend. De afdeling Events zei: ga maar naar Jan Dippell, want die man begrijpt ons gebouw en het formaat van ons gebouw. Toen de toenmalige Franse president Mitterand op staatsbezoek was in Nederland, mochten we onder meer het Rijksmuseum versieren. Toen meldde de vrouw van de Franse ambassadeur zich. ‘Er staat niets op de trappen,’ zei ze. ‘Dat mis ik! Daar moet iets!’ Toen zei ik: mevrouw, de nationale garde uit Frankrijk komt. Op elke tree staat straks zo’n prachtige soldaat met een helm. Die zou dan pal voor dat bloemstuk staan dat je niet ziet.’ Toen was ze gerustgesteld.”

Dippell bij zijn vaste groothandel De Ruyter in Aalsmeer (‘Daar begint de kwaliteit van mijn bloemenzaak’). Beeld Dingena Mol
Dippell bij zijn vaste groothandel De Ruyter in Aalsmeer (‘Daar begint de kwaliteit van mijn bloemenzaak’).Beeld Dingena Mol

Met een business die draait om internationale bedrijven, hotels en het aankleden van bruiloften was hij de afgelopen twee jaar onverwacht kwetsbaar. Eventjes, aan het begin van de eerste lockdown, kreeg de bloemenbranche een kleine opleving. Als je de hele dag thuis zit, wil je je huis gezellig maken. Maar daar heeft zijn zaak niet echt van kunnen profiteren – de meeste bestellingen werden online gedaan, en Ivy had nog geen webshop. En daarna zakte voor iedereen de markt in. De hotels waren dicht, trouwerijen werden uitgesteld. “Normaliter doe ik twintig bruiloften per jaar. In 2020 had ik er geeneen, dit jaar pas vier.”

Het geeft hem de tijd om na te denken over vernieuwing. Over duurzaamheid, onder andere. Zo lokaal mogelijk, of uit de volle grond, en zoveel mogelijk zonder bestrijdingsmiddelen gekweekt. De klant wil wel een assortiment zien, dus als hij of zij om iets vraagt wat niet hier gekweekt wordt, wordt het ingevlogen.

Dippell trekt wel een grens bij bloemen die in Nederland gewoon verkrijgbaar zijn. “Een mooie roos die uit Ecuador moet komen terwijl de kwekers het hier fantastisch doen, dat zie ik niet zitten. En pioenrozen zijn enorm in de mode. Als het seizoen hier voorbij is, heb je prachtige exemplaren uit Nieuw-Zeeland en Australië. Maar daar begin ik niet aan, dat vind ik zo’n onzin. Ik ben een vierseizoenenmens.”

Dat seizoen is nu: tulpen, hyacinten, amaryllissen, narcissen. De hortensiatijd is net voorbij.

Salomonszegel

Soms, echter, worden bloemen juist met opzet ingevlogen. Flowershop Ivy maakt al tientallen jaren de kransen op de Dam voor de Dodenherdenking. Het blad dat dakpansgewijs in die kransen wordt gestoken is galax- en salalblad. Dat komt uit de Rocky Mountains, uit Canada en de Verenigde Staten. “Het land van onze bevrijders,” zegt Dippell. “Het bloemetje is een wit klokje, salomonszegel. Als je erin kijkt, zie je een davidsster. Die symboliek, dat heb ik nooit met het Comité 4 en 5 mei gedeeld. Dat is mijn gekte. Het was mijn geheim.” Hij schiet direct vol als hij praat over de kransen op de Dam. “Het is mijn grootste trots. Ik vind het het mooiste wat ik kan maken in mijn leven voor wat er is gebeurd.”

Dippels moeder vluchtte in 1935 uit het straatarme Oostenrijk naar Nederland, zijn ouders maakten twee wereldoorlogen mee. “Dat gaat in je zitten. Ik weet er ook ontzettend veel van. Mijn ouders zeiden tegen mij: goden zij dank zit er voor jou waarschijnlijk nooit een oorlog in.”

Zo’n krans – de cirkel staat voor de oneindigheid van het leven – is een dikke drieënhalf, vier uur arbeid. Ivy maakt er inmiddels elk jaar tien. Dippell laat stalen hoepels maken met handvatten, bindt er strokrans op en tapet het af met een groene, plastic band. De toef, de baan bloemen die erin worden gestoken, loopt met de ronding mee. Geen rare fratsen zoals andere bloemisten doen, met schots en scheef erin gestoken stelen. “Dan verlies je de vorm.”

Dippell schiet vol als hij praat over de 4 mei-kransen: ‘Het is mijn grootste trots.’ Beeld ANP
Dippell schiet vol als hij praat over de 4 mei-kransen: ‘Het is mijn grootste trots.’Beeld ANP

Die eenheid in de herdenkingskransen is er pas net. Sinds de oprichting van het Comité 4 en 5 mei, in 1987, mocht Ivy de kransen leveren namens het comité. Het koningshuis bracht een eigen krans mee uit Den Haag, de zes rechts ervan – voor de burgeroorlogsgetroffenen in Europa, in Azië, in de zeevaart, zes uniforme kransen in rood-wit-blauw met steeds een ander lint – kwamen van het Leidseplein. Ook die van de Staten-Generaal, links van de koninklijke, kwam altijd van Ivy, maar de andere kransen kwamen van andere leveranciers. “Het comité vond dat een rommeltje. Dat was altijd al voor één uniforme krans, omdat we als mensen allemaal gelijk zijn.”

Anderhalf jaar geleden, bij de dodenherdenking op een vrijwel lege Dam, werd de knoop doorgehakt. Geen geloop met verschillende kransen, ze moesten van Ivy komen. Dus nu maakt hij ze ook namens de ministers van Staat, de burgemeester en de militairen. Een kleine triomf voor de eenpitter aan het Leidseplein. Al kwam de echte erkenning pas dit jaar, toen alle partijen, nu uit zichzelf, weer bij hem bestelden. De oude man houdt het niet droog. “Ik vind het een waanzinnige eer dat ik dit voor mijn land kan doen.”