PlusInterview

Interviewbundel ‘Ik ben renner’ geeft rechtstreeks toegang tot de wielerziel: ‘Wielrenners voeren constant een mentaal gevecht’

Hoe voelt een wielrenner zich bij een afdaling? Of een massasprint? Schrijver Nando Boers (51) probeert in zijn interviewbundel Ik ben renner – gesprekken met wielrenners uit het peloton tot de kern van hun bestaan te komen. ‘Ze zitten de hele tijd in hun eigen hoofd.’

Thomas Sijtsma
Schrijver Nando Boers: 'Het gesprek is geslaagd als de sporter denkt: nu zijn we op een plek gekomen in mezelf waar ik nog niet eerder ben geweest.' Beeld Jakob van Vliet
Schrijver Nando Boers: 'Het gesprek is geslaagd als de sporter denkt: nu zijn we op een plek gekomen in mezelf waar ik nog niet eerder ben geweest.'Beeld Jakob van Vliet

Als Nando Boers iemand interviewt, heeft hij altijd twee dringende verzoeken: hij wil onbeperkte tijd en een schone agenda. De klok en afspraken aan de achterkant van de dag mogen nooit een belemmering vormen in het gesprek. De wielrenner moet met hem in het hier en nu zijn, ontspannen en geconcentreerd. Wanneer hem slechts een uur wordt gegeven, bedankt Boers vriendelijk voor de eer.

Als Boers op tijd binnenloopt bij Bar Bistro Belleami in West, verontschuldigt hij zich. Zijn agenda is niet schoon. Nu het nog kan – met de nieuwe maatregelen op komst – gaat de Amsterdammer buiten de deur eten met zijn vriendin, sportpresentator Dione de Graaff.

Een-op-een

Hij haalt zijn nieuwste werk van bijna 800 pagina’s uit zijn rugzak en legt het op tafel: het eerste exemplaar, net opgehaald bij uitgever Ambo-Anthos. Ik ben renner - Gesprekken met wielrenners uit het peloton is een vuistdikke bundeling van 35 interviews uit literair wielertijdschrift De Muur met op dat moment actieve profrenners. Van Annemiek van Vleuten tot Steven Kruijswijk, en van de Belgische klassiekerspecialist Tom Boonen tot de Duitse topsprinter Marcel Kittel.

Boers is aangenaam verrast dat de wielrenners vrijwel allemaal instemmen met zijn voorstel. De meesten waarderen zelfs het vragenvuur van soms vier of vijf uur lang. “Ik ben dan echt met iemand, een-op-een. Daar stellen ze zich ook op in. Zo’n interview geven ze in principe maar één keer in hun leven. Het is intensief, ik ben moe aan het eind van het gesprek.”

Het idee, dat ontstond in 2010, komt van Bert Wagendorp, columnist bij de Volkskrant en hoofdredacteur van De Muur. Het is gebaseerd op The Paris Review, waarin de grootste auteurs ter wereld als – ooit – Ernest Hemingway en William Faulkner wordt gevraagd naar hun vak. Hoe beginnen ze? Hoe bereiden ze zich voor? Tegen welke problemen lopen ze aan? Schrijven is een tijdloos vak. Hetzelfde geldt voor wielrennen. De afdalingen, massasprints, demarrages en het nomadenbestaan zijn van alle tijden.

Het juiste gevoel

Na de formele beginfase van het interview begint Boers met het knijpen en masseren van de geest. De schrijver stelt alleen maar vragen, meestal honderden per keer. Als een psycholoog, die een cliënt op de sofa heeft liggen, probeert hij tot de kern te komen.

“Als lezer kruip je in het hoofd van de wielrenner,” zegt Boers. “Wielrennen is een fysieke sport waar het uiteindelijk om het hoofd gaat. Voetbal gaat om vaardigheden. In het wielrennen voer je constant een mentaal gevecht, vier tot zes uur lang. Ze zitten de hele dag in hun eigen hoofd: ‘Ik voel me goed, ik voel me klote, hoe voelt de concurrent zich, hoe voelen m’n teamgenoten zich.’ Dat vind ik heel interessant. We willen altijd weten waarom mensen de dingen doen die ze doen. In de interviews krijg je meestal toch wel antwoord.”

“Iedereen die fietst heeft het idee dat hij het kan, dat hij goed is. Soms lijkt het alsof je in een peloton rijdt. Of denk je, als je bergop gaat: zo moet Peter Winnen zich gevoeld hebben. Maar we zijn helemaal geen Peter Winnen. Van anderen heb ik gehoord dat je bij het lezen van de interviews soms wel dat juiste gevoel krijgt: zo moet het zijn als prof.”

Tegenslag

Voor de serie zat Boers het meest tegenover Stef Clement, inmiddels oud-prof en wieleranalist bij de NOS. Vier keer spraken ze af, omdat de interviewer na elke keer voelde dat er nog meer in zat. Voor Tom Dumoulin maakte hij een uitzondering: de Limburger stelde slechts een uur beschikbaar, toch werd het een boeiend gesprek over de kunst van het tijdrijden. “Sommige personen zijn geschikter voor deze vorm van interviewen dan anderen. Clement en Dumoulin zijn daar voorbeelden van.”

“Het gesprek is geslaagd – en dat is ook het doel van deze verhalen – als de sporter denkt: nu zijn we op een plek gekomen in mezelf waar ik nog niet eerder ben geweest. Dat lukt vrijwel altijd. De renners voelen dat het anders is, en komen daardoor verrassend vaak tot nieuwe zelfinzichten. Uiteindelijk gaat het altijd over wie ze zijn.”

Boers wijkt in zijn serie af van de gemiddelde sportinterviews in kranten en tijdschriften. Die gaan meestal over winnen of verliezen, over emoties, over de tegenslagen die de sporter heeft moeten verwerken. Zoals Boers in het voorwoord schrijft: ‘Tegenslag heeft ook de neiging de andere kant van het verhaal te verhullen.’

Leesbaar

“Ik heb de tijd en kan daardoor in het interview afslagen nemen waarvan ik niet weet waar ze uit gaan komen,” zegt Boers. “Als je slechts een uur hebt met een renner, ga je er met verwachtingen heen. Je kunt je niet meer laten verrassen.”

Een oneindige nieuwsgierigheid is essentieel. Wanneer Boers dat gevoel niet meer heeft, zal hij stoppen met de interviewserie. Net zoals hij ooit zijn periode als journalist in de Formule 1 beëindigde toen het als werk en een verplichting begon te voelen.

Het maakt Boers niet uit waar of wanneer een renner af wil spreken. De gesprekken zijn altijd leesbaar. Locatie en tijd spelen uiteindelijk geen enkele rol in het uitgeschreven interview in vraag-antwoordvorm. “Die vorm werkt het beste vind ik, want dan zit ik er zelf niet tussen.”

Verleiding

Na het interview trekt de schrijver minstens drie dagen uit om de tekst te verwerken, te beginnen met het afluisteren van het ouderwetse opnameapparaat dat hij tussen de renner en zichzelf op tafel legde. Dit verwerkingsproces ziet hij als componeren. Het eindresultaat vormt een kraakhelder muziekstuk zonder ruis of omgevingsgeluiden in de zin van situatiebeschrijvingen of onnodige informatie. Los van de actualiteit krijgt de lezer rechtstreeks toegang tot de wielerziel.

Hoewel elk interview boeit, zullen waarschijnlijk weinig wielerfanatici de bundel met interviews van soms meer dan 10.000 woorden van voor naar achter doornemen. Het is meer bedoeld om tussen de bedrijven door te lezen, bijvoorbeeld in de trein of tijdens het wachten daarop. Maar de verslavingsgevoelige lezer is gewaarschuwd: de verleiding is groot om na een interview meteen de ziel van een volgende renner te doorgronden.

Nando Boers: Ik ben renner – gesprekken met wielrenners uit het peloton, uitgeverij Ambo|Anthos, 784 blz., €45.

Nando Boers (Heerhugowaard, 1970) is schrijver en journalist. Momenteel werkt hij onder andere bij Studio Sport, De Muur en Andere Tijden Sport. Daarvoor bij Trouw, Sportweek en Haarlems Dagblad. Daarnaast schreef hij de afgelopen jaren twee romans: Zandvoort en Breng me thuis. Boers woont in Amsterdam-West.

Meer over