null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Ik zou het in de wilde natuur nog geen dag volhouden

PlusMaarten Moll

Maarten Moll

Het was warm en de watermeloenen waren in de aanbieding.

Bij de bak met de grote, groene vruchten stond een man. Hij had zijn boodschappenmandje op de grond gezet en was met twee handen de watermeloenen aan het slaan. Met de vlakke hand, alsof hij bongo’s aan het bespelen was.

Het tafereel lokte nogal wat publiek. Over de schouder van een vrouw keek ik hoe de man de meloenen petsen verkocht. Hij had zijn hoofd licht gekanteld en luisterde aandachtig wat de meloenen hem vertelden.

“Ik heb er eergisteren ook een gekocht, maar die was helemaal niet rijp toen ik ’m doorsneed,” fluisterde een vrouw tegen een andere vrouw. “Deze man heeft er verstand van.”

“Wat heb je met die meloen gedaan?”

“Weggemieterd. Bobo lustte het ook niet.”

“En Bobo eet nog kattenstront.”

“Zo kan ie wel weer, hè. En nou even stil, want ik wil er eigenlijk weer een kopen.”

“Hij zit wel overal met z’n tengels aan, anders. Dat vind ik vies.”

Ik heb eens minuten staan wachten voor de bakken met avocado’s. Een mevrouw zat ze allemaal te bevoelen. Ze had waarschijnlijk die middag of avond rijpe avocado’s nodig voor een recept.

Af en toe ontsnapte haar een zachte vloek.

Ook toen een duim in een blijkbaar overrijp exemplaar verdween.

Bruinig kwam de duim weer uit de vrucht tevoorschijn.

Mij ontsnapte toen een nauwelijks ingehouden lach.

De vrouw keek kwaad om, haar duim afvegend aan een rode paprika.

Op mijn boodschappenlijstje streepte ik avocado’s door zonder ze in het mandje te hebben gelegd.

(Zelf heb ik een keer de wind van voren gekregen toen ik aan een trosje trostomaten rook.)

Onverstoorbaar ging de man verder met het meloenenconcert. Voor mij klonken ze allemaal hetzelfde, maar de man trok een wantrouwend gezicht bij een paar stuks, pakte er ten slotte met een grote lach op zijn gezicht een op, legde de watermeloen voorzichtig in zijn mandje en liep weg, richting de aardbeien.

Niemand die een meloen durfde te pakken.

Ik bleef bij de bak staan en rolde wat wezenloos met de vruchten heen en weer. Ik gaf er een een klap, en toen een andere. Ik zou het in de wilde natuur nog geen dag volhouden.

“Zal ik er een voor u uitzoeken?” hoorde ik achter me.

De watermeloenman.

Ik knikte.

Na een korte trommelsessie pakte hij er een op en gaf de meloen nog een flinke pets.

Ik wilde de meloen aanpakken, maar de man schudde het hoofd.

“Dat klonk als het dichtslaan van een autoportier. Dof. Niet goed.”

Hij pakte een andere meloen, en daar ging zijn hand weer.

“Hoor je dat? De meloen moet hol klinken, maar niet te hol, snap je? Als een high five. Dan is de meloen je vriend, dan is ie rijp.” Hij wees naar een gele vlek op de meloen. “En die moet niet in het midden zitten, maar aan de bovenkant. Alstublieft.”

Ik bedankte de man.

Buiten was het nog steeds heel warm, en ik sleepte met een zware tas. Maar ik liep verlicht naar huis, want mij was het geheim van de watermeloen onthuld.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.