PlusReportage

Hoe Kabier uit Zuidoost de Hindoestaanse Hazes werd: ‘Niets kan mij zo helen als zijn muziek’

Kabier Noor Mohamed in café Het Wapen van Amstelveen. Beeld Dingena Mol
Kabier Noor Mohamed in café Het Wapen van Amstelveen.Beeld Dingena Mol

Kabier Noor Mohamed (49) uit Zuidoost wordt wel de Hindoestaanse Hazes genoemd. Hij worstelde net als de volkszanger met depressies en drank, maar vond altijd steun in de muziek van zijn idool.

Hans van der Beek

In de hal, best koud, van Cultureel Educatief Centrum in de Bijlmer hangen ballonnen. Er staan statafels met zwart doek en een tafel met soep. Uien en groente, gratis.

Dit is de South East Parade, een kleine parade van helden uit Zuidoost, alweer een tijdje geleden, vlak voor de laatste lockdown. Salto TV maakt opnames. De uitzending duurt ruim twee uur, dus dan moet er ook muziek tussendoor, artiesten uit Zuidoost uiteraard.

Een van hen is Kabier, de zanger uit de Bijlmer die ook wel de Hindoestaanse Hazes wordt genoemd, en iedereen die hem hoort zingen, snapt meteen waarom.

Hetzelfde bereik, dezelfde snik, ook dat droevige.

“Ik moet eigenlijk daar zitten,” zegt hij, en hij wijst naar twee picknicktafels achter het podium, met kokers thee en koffie, en ook broodjes en een fruitschaal, en een chromen tafel met wijn, bier en wodka-ice. Dit is de artiestenruimte.

“Maar ik ga daar niet zitten, anders ben ik bevroren voordat ik op moet treden.”

Hij loopt naar een binnenruimte. Een broodje hoeft hij ook niet. “Nee, ik heb eerder al thuis gegeten. Anders komt alles eruit vlak voor het optreden.”

Altijd weer die zenuwen.

Kabier doet een spelletje op zijn telefoon. Als hij inademt, gaat een balletje omhoog. Als hij uitademt, gaat een balletje omlaag. Het is eigenlijk een ontspanningsoefening, de gratis versie, dus er komt wel af en toe reclame tussendoor.

“Ik ben een zenuwachtig type, je moest eens weten,” zegt hij. “Of ik nou voor twee mensen optreed, voor twintig, tweehonderd of tweeduizend – altijd hetzelfde. Altijd.”

Hij heeft ermee leren leven. “De hele groten hebben het ook. Ik denk dat het ook niet goed is als je het helemaal niet hebt. Dat je denkt: ik doe het wel even. Maar bij mij is het wel wat overdreven.”

Op zijn telefoon gaat weer een golfje omhoog en omlaag. Het werkt, een beetje.

Zijn eigen, eerste single helpt ook. Kabier zingt Een leugen mee op Spotify, maar zonder woorden, in tonen, als een zangoefening en ontspanningsoefening ineen.

Nog een slokje thee maar.

Hij is bijna aan de beurt. Nog snel even facetimen met zijn zangcoach, Setske Mostaert, maar daar blijkt het te rumoerig voor, dus dat wordt appen voor de laatste geruststellende woorden.

Kabier wordt op het podium geroepen, onder sympathiek applaus. Uiteraard zingt hij Een leugen, geschreven door Billy Dans, de zoon van de eigenaar van café De Twee Zwaantjes, die ook schrijft voor René Froger, Tino Martin, Danny de Munk en noem maar op.

‘Een leugen, alles wat we hadden lijkt nu gelogen.’

De geest van de grote Hazes waart door dit lied. Het publiek deint tevreden met Kabier mee.

Het volgende lied (‘Voor alle betrokkenen/een bloemetje voor jouououou’) is misschien iets té Jordaan voor Zuidoost, maar meeklappen doen ze wel.

Bij Basic-Fit op de eerste verdieping van het Cultureel Educatief Centrum trappen ze op het ritme mee op de fitnessapparaten bij het raam.

Luid applaus.

Kabier krijgt een fles whisky in een paarse tas. “Toe maar, dankjewel,” zegt hij.

Dan: “We hebben het weer overleefd.”

Nu is het tijd voor een biertje, even die eerste prikkels weghalen, en ondertussen stromen de berichten op zijn telefoon binnen, van zijn vrienden thuis voor de buis. Hij heeft het goed gedaan. Ook zijn zangcoach is tevreden.

Uit het publiek komt Ellen Brudet, van de Black Doll Giftshop, naar hem toe: “Mijn beste vriend zei net: ik wil hem op mijn bruiloft. Heb je een kaartje?”

“Nee,” zegt Kabier, “maar ik ben makkelijk te vinden. Kabier.”

Het is inderdaad een uitstekende artiestennaam.

Even later haalt hij buiten in het donker zijn fiets van het slot. Met een tevreden en ook galmende lach: “De meeste artiesten gaan naar huis in een limousine. Nou, ik stap op een krakkemikkige fiets met losse spatborden en spaken. Jaja, lachen, ­gieren, brullen.”

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Een slok te veel

In zijn flat in de Venserpolder, die uitkijkt op de Amsterdam Arena, de plek waar de laatste eer aan André Hazes werd bewezen, vertelt Kabier over zijn band met Hazes. Die gaat diep.

“Vooral Kleine jongen,” zegt hij. “Dat is bijna mijn gebed. ‘Kleine jongen, je bent op deze wereld, dus zul je moeten vechten, net als ik. Het leven is niet makkelijk, er is tegenspoed op ieder ogenblik.’ Dat is mijn levensverhaal.”

Net als Hazes heeft Kabier periodes gekend van diepe depressie en een slok te veel.

“Ik denk dat ik de muziek van Hazes heel anders beleef dan de meeste mensen. Voor mij voelt het echt als een soort mediteren. Gewoon doordat ik mezelf zo in zijn stem herken. Een gevoelsmens. Dat depressieve, de eenzaamheid. Door die herkenning is er niks anders dat mij zo kan helen als de muziek van Hazes. Ik noem hem ook mijn geneesheer.”

Eén keer heeft hij Hazes ontmoet. In Paradiso, bij de 50ste verjaardag van Hazes. “Ik zoende hem op zijn voorhoofd en zei dat wat BB King voor hem was, hij voor mij was. Ik dacht: zeg het maar snel, want zo dadelijk pakken ze me in mijn nek, want ik was helemaal niet uitgenodigd.”

“Hij reageerde net zoals ik als iemand mij complimenten maakt. Heel bescheiden. Meent hij dit wel of neemt hij me in de zeik, weet je wel? Ik herkende ook meteen de eenzaamheid in zijn ogen. Depri’s herkennen dat van elkaar.”

Kabier is geen prater, nooit geleerd ook. Zelf noemt hij dat het MKB syndroom, waar wel meer Hindoestaanse Surinamers onder lijden. Manai ka boli. Wat zullen de mensen wel niet denken?

null Beeld Dingena Mol
Beeld Dingena Mol

Hij groeide op in de Stadionbuurt en later in de Bijlmer. School was geen groot succes en hij ging van baantje naar baantje, tot hij zo’n twintig jaar geleden in een zware depressie terechtkwam, inclusief zelfmoordpogingen.

Het was in die tijd dat hij karaoke ontdekte. In de Bulldog op het Leidseplein was dat, waar hij regelmatig kwam voor een jointje en een biertje. In het begin keek hij alleen toe, later durfde hij zelf achter de microfoon te stappen.

Hij weet niet meer zeker welk nummer, zeer waarschijnlijk Hazes.

Het sloeg aan, de mensen vonden het leuk, een liefde was geboren.

Tijdens een kroegentocht kwam hij in De Twee Zwaantjes terecht. “Ik voelde me daar meteen zo op mijn plek. Vrijdag, zaterdag, zondag, altijd zat ik daar te zingen. Ik was in die tijd nog depressief, maar het heeft me wel geholpen om me weer een beetje mens te voelen.”

Hij ontwikkelde zijn vaste ronde: café ’t Mannetje, Ondersteboven, De Blauwe Pan, De Twee Zwaantjes – en dan soms diezelfde route weer terug.

“Een mooie tijd.”

In De Twee Zwaantjes leerde hij André Vrolijk kennen, de Amsterdamse coryfee op accordeon. Samen maakten ze twee theatervoorstellingen, eerst De wonderbaarlijke genezing van een depressieve ­moslim, en later Het hart van een liefdesextremist.

De laatste tijd gaat het stukken beter met Kabier. Hij heeft regelmaat en een fijne baan bij de examendienst van het ROC in Zuidoost, op loopafstand van zijn huis.

Binnenkort wordt hij opa; zijn enige dochter van 27 is zwanger. Alleen de relatie met zijn ouders kon beter. “Kort samengevat: ze hadden liever gezien dat ik beter mijn best had gedaan op school.”

Hij kan nog wel eens somber zijn, maar hij blijft daar niet meer in hangen. Hij prijst zich gelukkig met alle leuke dingen die hij doet. Zijn muziek, de optredens, het theater en laatst dus nog zijn eerste single. Helemaal zelf betaald, de clip ook.

“Ik kom echt uit een diep dal, ik heb ook een paar jaar door mijn depressie niet gewerkt en in zware armoede geleefd. Bij de DWI hadden ze me al in de bak ‘Hopeloze gevallen’ gestopt. Dus dat ik nu al die leuke dingen mag doen: daar word je blij van.”

Klassiek Jordaan

Het Wapen van Amstelveen, eind februari, de coronamaatregelen zijn losgelaten. Kabier heeft er zin. “Zeker. Zeker. Zeker. Zeker. Het dak gaat er straks af.” Eindelijk mag hij weer, in een volle kroeg, en die is dan ook meteen werkelijk stampvol. Er zijn er meer die eindelijk weer mogen.

Niet in De Twee Zwaantjes, jammer genoeg. Daar zijn momenteel wat problemen met livemuziek en klagende buren.

Maar hier in Het Wapen van Amstelveen is de Jordaan effectief nagebouwd. Ook de klandizie is klassiek Jordaan.

André Vrolijk treedt één keer per maand op zondag op, vanaf 17.00 uur, en dan neemt hij altijd een aantal gastzangers mee. Ook Kabier mag altijd komen zingen, twee of drie nummers, dat hangt ervan af.

“Het is altijd weer bijzonder, elke middag weer,” zegt Kabier. “De Jordanezen komen tegenwoordig naar Amstelveen. Die echte, oude Jordanese sfeer heb je in de Jordaan bijna nergens meer. Hooguit in De Twee Zwaantjes dan natuurlijk.”

André Vrolijk zingt over de voet van die mooie Wester, en de volle kroeg zingt mee, elk woord.

Kabier kijkt toe, handen in de zakken, grijs colbert en flat cap, borsthaar uit het zwarte shirt. Het ziet er goed uit.

Zenuwachtig weer? Kabier: “Vandaag iets minder. Normaal ga ik alleen, maar nu heb ik vrienden mee. Misschien dat dat scheelt. En André stelt me altijd op mijn gemak, dat speelt ook mee.”

Het normale tarief van Kabier is 350 euro voor een optreden van een half uur, maar hier zingt hij voor niets, als vriendendienst. Dat doet hij verder alleen voor goede doelen, als die goed voelen tenminste. En natuurlijk de eerste zondag van de maand bij zijn andere grote liefde, Café Chantant in Kapitein Zeppos. Daar zingt hij voor vier consumptiebonnen.

In Het Wapen van Amstelveen mag hij straks Zij gelooft in mij en Bloed, zweet & tranen zingen.

De classics!

Kabier: “Zeker! Het klinkt ook geweldig met accordeon.”

Hoe laat hij precies aan de beurt is, weet hij niet. Vrolijk wenkt hem zo vanzelf wel. Vooralsnog speelt die Besame mucho, en het ganse Wapen van Amstelveen is zijn koor.

Kabier gaat nog maar eens een rondje halen. Zo wordt hij van ook dit optreden niet rijk. Voor Kabier een 0.0’letje. Beter niet te veel alcohol voor een optreden.

Een van de andere gastmuzikanten is aan de beurt. ‘Ik hou van jou, mooi Amsterdam,’ zingt Dick de Jong, met een fraaie Jordanese bibber in de stem. De rest van de week staat hij op de Albert Cuyp. Dekbedden.

De Jong mag drie nummers, de kroeg is al goed opgewarmd.

Backstage bij de Southeast Parade. Beeld Dingena Mol
Backstage bij de Southeast Parade.Beeld Dingena Mol

Niet lang daarna: een knikje van ­Vrolijk.

Na de allereerste klanken van Zij gelooft in mij slaat de nostalgie meteen weer onverbiddelijk toe in de kroeg. Vlak voor het refrein roept Kabier nog snel: “Daar gaan we, met zijn allen!”

Dat komt helemaal goed, met zijn allen. Armen in de lucht, gelukzalige blikken, en: “Zij gelooft in mijijijijijij!”

Met Bloed, zweet & tranen kan het ook nooit misgegaan in een kroeg vol Amsterdammers waar al een slokje in zit. Al staat het echte Ajax uitgerekend op dat moment met 2-0 achter bij Go Ahead Eagles, maar daar kan Kabier niks aan doen.

Na afloop: “Dames en heren, applaus voor jezelf.”

Dat doen ze.

Ook Kabier mag een derde nummer. “Krijg toch allemaal de klere,” zingt hij – Ik voel me zo verdomd alleen van Danny de Munk, nog zo’n nummer dat op gepaste tijden in een kroeg nooit stoffig wordt.

Tijdens het refrein heeft Kabier opeens een vrouw aan de arm. “Had ik maar iemand om van te houden.” We mogen spreken van een geslaagd optreden. Kabier neemt de vele duimen en schouderklopjes verlegen in ontvangt.

Maar wie was nou die vrouw aan zijn arm zojuist?

Kabier, inmiddels met een echt pilsje: “Ze stond op, omdat ze erlangs moest. Ik dacht: ik sla meteen mijn arm om haar heen. Past wel bij dat liedje.”

Dan ben je een echte vertolker van het levenslied.

Meer over