PlusExclusief

Hoe Go-Tan Nederland veroverde met woksauzen én borrelnootjes – en alles dankzij Oma Go

De opening van het fabriekspand in Kesteren, 1975. 3e van links: Oma Go. Groen shirt, achterom kijkend: Bing Go (de oudere broer van Han). Met bloemen: tante Poppy. Vader Frans Go daar rechts naast. Groene spencer: Cliff Go (oudste broer van Han). Op de knieën, met oranje shirt: Han Go.

 Beeld
De opening van het fabriekspand in Kesteren, 1975. 3e van links: Oma Go. Groen shirt, achterom kijkend: Bing Go (de oudere broer van Han). Met bloemen: tante Poppy. Vader Frans Go daar rechts naast. Groene spencer: Cliff Go (oudste broer van Han). Op de knieën, met oranje shirt: Han Go.

De geschiedenis van de woksauzen en kroepoeks van Go-Tan voert naar Singel 498: de familie Go begon daar in 1955 het Chinees-Indonesische restaurant Hok-Kie. Met échte foe yong hai. ‘Iedereen heeft een mentaliteit van niet lullen maar poetsen.’

Charlotte Kleyn

‘Voor degenen die willen rijsttafelen brengt de firma Go-Tan in Rhenen ­complete instantrijstschotels: nasi gurih, nasi kebuli en nasi kuning. Ze kunnen worden opgesierd met tal van sausjes, vleessoorten, of wat al die geheimvolle, rijkgetinte spijsjes uit het verre Insulinde ook mogen wezen.’

In krant De Tijd gaat het in 1968 over de nieuwe trend van kant-en-klaarmaaltijden, voor ‘de gastvrouw die haar gasten een glorieuze maaltijd wil voorzetten, en die daar geen schort en zelfs geen pan voor vuil wil maken’. Want: ‘Wie eet uit pakken, blikken en ­potten houdt tenminste tijd over om zich met zijn gasten te amuseren.’

Kort hiervoor was Go-Tan ontstaan uit een bedrijfje voor Indische hapjes van de familie Go, die ook ruim tien jaar het ­Chinees-Indonesisch eethuis Hok-Kie in Amsterdam runde. Nu, 54 jaar later, bestaat het Aziatische voedingsmiddelenbedrijf nog steeds en is het nog altijd in handen van de familie Go.

Een nicht vond vorig jaar in het Amsterdamse Stadsarchief een foto van Hok-Kie – voor oom Hans Go (1928-2021) aanleiding om de geschiedenis van de familie en het restaurant op te tekenen, die hij vervolgens publiceerde op de ­website van het Chinese Indonesian ­Heritage Center.

Pangsit vouwen

Chinees-Indonesisch eethuis Hok-Kie was gevestigd op het Singel 498 – de bloemenmarkt – van 1955 tot 1965. ‘Oma Go’ (1908-2006) was de eigenaar en kok. Ze was de grootmoeder van de broers Han, Cliff en Bing Go, de huidige eigenaren van Go-Tan. “Hok-Kie was een van de belangrijkste activiteiten van mijn familie na aankomst in Nederland. De basis van Go-Tan is er gelegd; iedereen deed er ­ervaring op,” ­vertelt Han Go (53), creatief directeur.

Dat kan Elly Go (88), Han Go’s tante, beamen. Ze is een van de zeven kinderen van echtpaar Go en werkte tijdens haar studietijd – ze studeerde eerst voor medisch analist, later ­deed ze farmaceutische wetenschappen – als ­vanzelfsprekend in het restaurant. Net als al haar familieleden trouwens. “Mijn moeder, broers, zus, tantes. Vriendinnen van mijn moeder hielpen ook vaak mee in de keuken; loempia’s en pangsit vouwen. Ik heb meegeholpen met koken, in de bediening gestaan, de koffiemachine bediend, en afgewassen. Hónderden borden, afschuwelijk. En dan tussendoor een uurtje studeren in de Universiteitsbibliotheek om de hoek.”

Familiebijeenkomst, 1984. Van links naar rechts: oom Louie, oom Joop, oma Go, vader Frans Go, tante Evie, tante Poppy, tante Elly, oom Hans. Beeld
Familiebijeenkomst, 1984. Van links naar rechts: oom Louie, oom Joop, oma Go, vader Frans Go, tante Evie, tante Poppy, tante Elly, oom Hans.

De familie was in de vroege jaren vijftig van Bandoeng, Java, naar Naarden gekomen. In de garage maakten ze Indische ­hapjes, die ze bij toko’s in de buurt verkochten. Het eethuisje op de Amsterdamse bloemenmarkt openden ze met een lening van bierbrouwerij Oranjeboom, aldus Hans Go in zijn artikel.

“Er moest geld op tafel komen, daarom openden mijn grootouders het restaurant. Met succes: alle kinderen hebben door Hok-Kie kunnen studeren. De gedachte dat er in het eethuis elke dag te eten zou zijn voor alle zeven kinderen, was trouwens ook een belangrijke reden,” zegt Han Go.

Op het menu stonden onder andere bami goreng, tjap tjoy en babi pangang, maar ook tahoe telor, saté lontong (kleefrijst) en nasi goreng met kreeft, meldt een menukaart die bewaard is gebleven. “Mijn moeders specialiteit was foe yong hai,” zegt Elly Go. “Geen omelet in saus, zoals je nu altijd ziet, maar frikadelletjes van ei, vlees en groenten in saus. Mijn favoriete gerecht? Ik at alles. Dat hadden we zo geleerd: niet zeuren, maar eten.”

Er waren weinig vergelijkbare restaurants te vinden in Amsterdam, vertelt ze. “De meeste Aziatische eethuizen waren in handen van Chinezen die de gerechten vaak aanpasten aan de Nederlandse smaak. Mijn moeder kookte écht Chinees-Indonesisch, in de eerste jaren vooral voor Indische mensen. Die waren het niet gewend altijd aardappelen te eten en wilden rijst en smaken van thuis. Later kwamen de Nederlandse gasten, die vroegen dan om bami zonder knoflook – daar hielden Nederlanders toen helemaal niet van, kun je het je voorstellen?”

Ingrediënten voor de gerechten waren destijds nog niet makkelijk algemeen verkrijgbaar, aldus Elly. “Kokosmelk moesten we zelf maken van gedroogde kokos. Of je moest koemelk nemen, maar dat wilden we niet. Voor rijst en tahoe gingen we naar de Zeedijk.”

Studievrienden van de zeven kinderen Go hadden bijbaantjes in het restaurants of kwamen er regelmatig eten. “Het eten was voor hen te duur, dus bedacht mijn moeder een ‘studentenpot’. We hadden een apart hokje voor de studenten, waar het vaak tot ver na sluitingstijd nog heel ­gezellig was.”

Buffet

De studentenhap haalde het Jaarboek der Universiteit van Amsterdam 1961-1962: ‘Hok-Kie, voor uw Indische en Chinese diners, voor studenten speciale dagschotel.’ In een artikel in de Volkskrant uit 1960 over eettenten voor de nieuwe lichting Amsterdamse studenten werden Hok-Kie en het speciale studentenhokje ook genoemd. ‘Evenals op de Mensa moet men er zelf z’n maaltijd aan het buffet halen en later het gebruikte bestek terugzetten. Voor de prijs van 1,35 kregen we er een beslist smakelijke schotel. Voor een kwartje kan men beneden een kopje expresso-koffie halen.’

Hok-Kie, Singel 498. Beeld stadsarchief
Hok-Kie, Singel 498.Beeld stadsarchief

Die ‘expresso-koffie’ was nieuw en hip in het Amsterdam van de jaren vijftig en zestig, net als de ‘café cappuccino’ en ‘café con panna montata’ die je bij Hok-Kie kon ­krijgen. De eerste espressobars waren in 1955 geopend in de hoofdstad, in onder andere de Bijenkorf en op het Damrak. Sommige restaurants zetten de nieuwe koffie ook op de menukaart. Volgens Het Parool in 1955 waren die ondernemers ‘gedwongen geweest om zich het peperdure apparaat aan te schaffen waarmee zij tegemoet konden komen aan de wens van het publiek expresso te drinken.’ Of gasten speciaal naar Hok-Kie kwamen voor de espresso, durft Elly Go niet te zeggen, wel dat men de koffie altijd ‘heerlijk’ vond.

De grootouders Go hadden een liefde voor koffie en voor avontuur, en gaven dat door aan hun (klein)kinderen. Han Go: “Tijdens skivakanties in Zwitserland in mijn jeugd staken we vaak de grens over naar Italië om er koffie te drinken – de familie had dertig jaar lang een chalet in de bergen. In die tijd had niemand op mijn basisschool van wintersportvakanties gehoord, maar mijn familie ging al vanaf 1956 jaarlijks skiën. Gepropt in Kevertjes en Mini’s op reis naar de sneeuw.”

Skivakantie in Zwitserland. Van links naar rechts: Cliff Go, Bing Go, tante Yang, Christine Go (hurkend, moeder van Han), ipo (oudtante) Nini. Beeld
Skivakantie in Zwitserland. Van links naar rechts: Cliff Go, Bing Go, tante Yang, Christine Go (hurkend, moeder van Han), ipo (oudtante) Nini.

Even later: “Misschien gek om over mijn eigen familie te zeggen, maar ik denk dat we een bijzondere geschiedenis hebben; niet iedereen die hier met niets van ver aankomt, bouwt uit het niets in twee generaties een groot bedrijf op. Iedereen in onze familie heeft een mentaliteit van ‘niet lullen maar poetsen’. We vinden het leuk om te werken en om met eten bezig te zijn. En we vinden onszelf steeds opnieuw uit. Nieuwe, avontuurlijke dingen proberen en ervan overtuigd zijn dat iets kan lukken; dat typeert mijn familie.”

Dat gaat trouwens verder dan Hok-Kie en Go-Tan alleen. Zo is nichtje Siang-Lan Go medeoprichter van de populaire ­restaurantketen De Pizzabakkers.

Behoorlijk verwend

Al in Indonesië zat het ondernemerschap de Go’s in het bloed: oma had een kledingwinkel in Bandoeng en later een winkeltje met koekjes, gebak en snoep. “Ze was echt het hart van de familie, en wilde dat ook zijn. Ze is opgevoed in een Chinees gezin en behoorlijk verwend toen ze jong was. Toen ik klein was moest iedereen haar op Chinese wijze masseren, langs de juiste energiebanen. Als je het goed deed, kon ze daar ontzettend van ontspannen,” aldus kleinzoon Han Go.

Tante Elly, Oma Go en tante Evie in het restaurant. Beeld
Tante Elly, Oma Go en tante Evie in het restaurant.

“Als kind gingen we met het gezin bijna elke zaterdag en zondag van Veenendaal naar oma in Amstelveen. Ze had een klein huisje, maar vijftig mensen pasten er wel in. Er was natuurlijk altijd veel eten. Oma was enorm gedreven om mensen welkom te heten en eten te geven. Ze was een nachtbraker, net als ik. Toen ik in Delft studeerde en naar feestjes in Amsterdam ging, reed ik daarna altijd nog even langs Amstelveen. Met honger natuurlijk – ik deed dit in plaats van naar de shoarmatent te gaan. Oma’s koelkast en diepvries zaten altijd vol, of ze kookte snel iets: bami, tjap tjoy, gado gado, rendang.”

Compagnon Tan

Terug naar de jaren vijftig. Terwijl oma Go kookte in haar restaurant, bleven opa en zoon Frans hun Indische hapjes maken. In 1956 verhuisden ze de productie van de garage in Naarden naar een pand in de Gerard Doustraat, met een loketje voor de verkoop van de loempia’s, lempers, seroendeng en meer. Vier jaar later automatiseerde Productie Go & Zoon de productie van Shanghainoten, de voorloper van de borrelnoot, en in 1962 kwam, voor enkele jaren, compagnon Tan erbij. Zo was de naam Go-Tan geboren.

De ondernemers begonnen in 1966 een fabriekje in Rhenen, waar ze onder andere boemboes, rempejek (gekruide pindakoeken), sambal goreng kentang en kroepoek maakten. Oma Go was inmiddels gestopt met eethuis Hok-Kie en kwam dagelijks in de fabriek om de kroepoek of rempejek te bakken. ‘Fabrikant van rijsttafelartikelen’ werd het bedrijf genoemd in krantenadvertenties waarin men vroeg om ‘flinke jongens voor een vijfdaagse werkweek’.

Toen zoon Frans in 1984 na ziekte overleed, werden zijn drie zoons met hun moeder aandeelhouder van Go-Tan. Han Go was 14 en zou later ook toetreden tot het bedrijf, net als broer Bing. Kroepoek was toen het belangrijkste product; de potjes gehakte knoflook, gebakken uitjes en ­santen (kokosroom) zijn een constante. Begin jaren nul introduceerde Go-Tan wok- en chilisauzen. “Op dit moment is de Vietnamees-Thaise chilisaus sriracha nieuw en heel populair. En je ziet ook dat met de trend voor plantaardig eten veel mensen naar de Aziatische keuken kijken. Chilisauzen, kokosmelk, sojasaus en ­ketjap – met veel umami – doen het ­daarom nu heel goed.”

Alle smaken die Amsterdammers voor het eerst bij oma Go op het Singel proefden, en waarvoor zij zo veel moeite deed om ze te krijgen, hebben haar kinderen en kleinkinderen voor het hele land ­verkrijgbaar gemaakt.

Eerste rij van links naar rechts: tante Poppy, oom Joop, vader Frans, tante Elly, oom Hans, tante Evie. Tweede rij: oma Go, oom Louie, opa Go. Beeld
Eerste rij van links naar rechts: tante Poppy, oom Joop, vader Frans, tante Elly, oom Hans, tante Evie. Tweede rij: oma Go, oom Louie, opa Go.

Shanghainootjes

In de garage in Naarden maakten opa Go en zoon Frans Go al ‘shanghainoten’: pinda’s met een knapperig, gefrituurd laagje van zetmeel en zout. Het was de vertaling van het Maleise woord katjang (pinda) Shanghai.

Toko’s en restaurants kochten de nootjes in, later waren ze ook te krijgen in de notenbar van de Bijenkorf. Dat liep als een trein: al gauw hadden alle Bijenkorfvestigingen de shanghainoten liggen. Frans Go wist de productie te automatiseren. Het waren de apothekers Elly en haar zus Evie Go die bedachten hoe: net als voor de dragees die ze kenden uit de farmaceutische fabriek was er een drageermachine nodig.

Het was later Calvé die de naam borrelnoot bedacht – ‘marketingtechnisch een geniale naam’, aldus Han Go – en Duyvis die er met iconische reclames het land mee veroverde.