PlusInterview

Guus Luijters over zijn nieuwste roman Hoe Tarzan de Tour de France won: ‘Voor een kind ligt de wereld nog helemaal open’

Schrijver-dichter Guus Luijters (78) beschrijft in zijn nieuwste roman het jongetje Tom, dat opgroeit in het Amsterdam-West van de jaren vijftig en droomt van zijn wielerheld Tarzan. ‘Het gaat over de kracht van verbeelding.’

Maarten Moll
Guus Luijters: 'Wat? Wie zegt dat Tarzan de Tour niet gaat winnen? Heb je dat opgezocht?' Beeld Jakob van Vliet
Guus Luijters: 'Wat? Wie zegt dat Tarzan de Tour niet gaat winnen? Heb je dat opgezocht?'Beeld Jakob van Vliet

“Het is geen boek over wielrennen,” zegt Guus Luijters meteen als hij nog maar net op een stoel op het terras van Wildschut is gaan zitten. “Dat dachten ze bij de uitgeverij heel lang, maar dat is dus een misverstand.”

Het boek waar hij het over heeft is zijn nieuwste boek, de roman Hoe Tarzan de Tour de France won. Het is het verhaal over een gewoon jongetje, Tom, dat in de buurt De Krommert in naoorlogs Amsterdam-West opgroeit. Hij beleeft kleine avonturen, fantaseert over een geheimzinnig huis in zijn straat, en droomt over zijn wielerheld Hein van Breenen.

Die Hein van Breenen wordt Tarzan genoemd. Maar nergens in de roman wordt uitgelegd hoe de wielrenner – hij reed vier keer de Tour de France – aan zijn bijnaam komt.

“Om dat uit te gaan leggen vond ik niet echt nodig. Je moet ook wat aan de fantasie over laten. Maar ze hebben het wel op de achterflap gezet, haha.”

Van de achterflap: ‘Zijn favoriet is Hein van Breenen, die Tarzan wordt genoemd omdat hij zichzelf spectaculair wist te behoeden voor een val door zich aan een boomtak vast te grijpen. Tarzan was een gewone jongen die het geschopt heeft tot de Tour: een held.’

Spel met de werkelijkheid

“Me Tarzan, you Jane,” zegt Luijters. “Ach jongen, die films met Johnny Weissmuller als Tarzan. Schitterend. Ik vond laatst nog een tekening terug die ik als kind van Tarzan had gemaakt…” Die met dat panterbroekje uit de boeken van Edgar Rice Burroughs, om misverstanden te voorkomen.

In de roman plakt Tom foto’s van Tarzan in wielrenbroek en ander renners in een schrift, om daar vervolgens bij weg te dromen.

“Het boek gaat over fantasie, verbeelding, het spel met de werkelijkheid. De Tour de France en dat fietsen is een metafoor om het verhaal draaiende te houden. Er wordt bijna niet gefietst in het boek. Ja, Tom en zijn vrienden gaan kijken bij De Ronde van de Markthallen. Die koers heeft echt bestaan, maar die is dan weer niet gewonnen door Piet van Heusden, zoals in het boek.”

“Tarzan heeft heel weinig gewonnen. Twee keer de Ronde van Midden-Nederland, en dat was het zo ongeveer. Maar hij was een waanzinnig goede knecht. En hij was bevriend met de grote Gino Bartali. Gino Bartali! Voor ons jongens sprak hij zeer tot de verbeelding met die bijnaam. Tarzan was een cultheld. Na zijn carrière was hij barkeeper en had hij een groentewinkel achter de Nieuwmarkt.”

Ontzag

Luijters grinnikt. “Ik heb hem twee keer ontmoet. De eerste keer…” Daarop begint hij zo hard te schateren, dat mensen verderop omkijken.

Dan, uitgelachen: “Hij heeft me een keer in mijn kraag gepakt en aan de onderkant bij mijn broek, en zo café Hans en Grietje uitgeflikkerd. Ik had me ernstig misdragen aan de bar. Fantastisch hoe hij me beetpakte, echt zo’n beer van een kerel, twee keer zo groot als ik. Ik was vervelend, dronken, ik stootte iets om. Toen kwam ie zo, ‘godverdomme’ roepend, achter de bar vandaan en gooide me op klassieke wijze het café uit, de Nieuwe Spiegelstraat op. Dat was in 1962, achttien was ik.”

“Later ben ik nog wel eens in die groentewinkel van hem geweest. En dan zei ik als ik binnenkwam: ‘Hé, Tarzan.’ Vond ie geweldig. Ja, Tarzan… Ik kwam toen ik in de twintig was ook vaak langs de assemblagezaak van Henk Faanhof in de Jordaan, ook zo’n beroemde Amsterdamse renner. Maar daar durfde ik nooit naar binnen te gaan. Toen ik hem later ontmoette, heb ik dat tegen hem gezegd. ‘Ach jongen, wat jammer nou, was toch gewoon binnengelopen. Hadden we kunnen praten.’ Maar je keek zo op tegen die mannen. Ik heb voor dat soort lui nog altijd een ongelofelijk ontzag.”

En hij begint een verhaal te vertellen over hoe hij en collega-schrijver Tim Krabbé ooit met Tourwinnaar Jan Janssen stonden te praten in het Olympisch Stadion, vijftig jaar nadat de Tour daar van start was gegaan. Luijters staat op van zijn stoel en gaat staan, handen in zijn zakken, iets achterover leunend. “We stonden er heel cool bij, Luijters en Krabbé, jongens uit de grote stad, weet je wel. Zo, meneer Janssen, nou, nou, meneer Janssen, echt waar meneer Janssen? En toen liepen we weg, de hoek om, en stonden we in de catacomben. Daar begonnen we te gillen: ‘Jan Janssen! We stonden met Jan Janssen! Jan Janssen! Hij praatte tegen ons!’ Een held. We waren nog steeds die jongetjes van vroeger.”

Kinderen

Jongens, meisjes. Guus Luijters schrijft vaak en veel over de kindertijd, over de jeugd. Kees de jongen is een favoriet boek van hem, en hij schreef zelf een roman over het vriendinnetje van Kees: Het korte leven van Rosa ter Beek. “Alles is nog nieuw als je kind bent. Dat vind ik aantrekkelijk om over te schrijven. Sinds ongeveer 1990 heb ik eigenlijk alleen maar boeken over kinderen geschreven. Mijn eigen herinneringen aan mijn eerste zeven jaar, in Lege stad. Poëzie over mijn schoolklas, in De glazen school, en over het in Auschwitz vermoorde elfjarige meisje Sientje. In Memoriam, over de in de oorlog gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen, De hongergoochelaar… en nu dit boek.”

Hij verlangt er niet naar terug, naar zijn jeugd. “Het was een wonderlijke, maar niet echt makkelijke tijd. Als gezin waren het, vooral toen mijn vader redelijk begon te verdienen, tamelijk onbezorgde jaren. Maar overal hing altijd die wolk van oorlog boven. Daar kon je niet aan ontsnappen. Er was iets vreselijks gebeurd. Dat wist iedereen, maar niemand zei er ooit iets over, er werd omheen gepraat. Dat heeft me altijd gefascineerd, en ik heb geprobeerd die sfeer – want als jongetje weet Tom natuurlijk nog niet van de hoed en de rand – in dit boek te stoppen.”

“Maar waar het me uiteindelijk allemaal om ging, is de kracht van de verbeelding, de wereld die voor een kind nog helemaal openligt. De verbeelding van Tom, die als hij gaat voetballen en heeft gezegd wie hij is, die voetballer ook echt ís, en later Tarzan. Maar ook die van mij als schrijver. Ik kom zelf niet uit die buurt waar het verhaal zich afspeelt, ik ben ook niet Tom, mijn vader had geen Buick, en ik ben nooit in Dax geweest. Het is helemaal geen autobiografisch boek, al heb ik wel de sfeer van de jaren vijftig, hoe ik het beleefde, over het verhaal gestrooid.”

(Zonder iets te verraden: de verhaallijn over Dax, waar een Touretappe zal eindigen, is het hoogtepunt van de roman.)

Wel waar

Met verbeelding eindigt het verhaal ook, toch? Met Tarzan op weg naar Parijs om de Tour te winnen. “Wat? Wie zegt dat hij de Tour niet gaat winnen? Heb je dat opgezocht? Kijk, ik was het als kind nooit met de uitslagen eens. Ik geloofde het gewoon niet. Als Feyenoord met 1-0 van Blauw-Wit had gewonnen, schreef ik in mijn schrift Feyenoord-Blauw-Wit 0-1. En wat in mijn schrift stond, was wel waar. Ik vond het zo’n flauwekul dat het anders was. In een van mijn boeken staat achterin het eindklassement van de Tour de France: 1. Jan Nolten. 2. Fausto Coppi. Dus Jan Nolten heeft de Tour de France gewonnen.”

Eerst had Guus Luijters als uitgangspunt dat Jan Nolten, ook een held van hem, in zijn roman de Tour zou winnen. “Maar daar kon ik niets mee, want hij kwam niet uit Amsterdam, maar van over de rivieren uit een ver vreemd land waarvan ik de taal niet verstond. Dus ik moest iemand anders hebben, en dat werd de enige echte mythische wielrenner in de stad: Hein van Breenen. Tarzan.”

En volgens de titel van de roman heeft Tarzan dus de Tour de France gewonnen. Luijters: “En zo is het.”

Guus Luijters: Hoe Tarzan de Tour de France won, uitgeverij Nieuw Amster­dam, 176 blz., €21,99

Romancyclus in coronatijd

Guus Luijters (1943) was lange tijd verbonden als recensent aan Het Parool. Hij publiceerde romans, novellen, poëzie en het indrukwekkende In Memoriam. De afgelopen twee coronajaren schreef hij in een lange sessie negen romans. Zes daarvan vormen een soort cyclus, Hoe Tarzan de Tour de France won is het eerste deel daarvan. En dan is hij ook nog bezig met zijn memoires, al heeft hij daarvan nog maar 30.000 woorden geschreven. Er komt dus nog heel veel Luijters op de lezer af.

Meer over