PlusVoorpublicatie

Fragment uit Zwemmersgeluk, over zwemmen in open water: ‘Waarom deden we dit ook alweer?’

Met een wetsuit, brilletje, badmuts en boei, en vaak ook waterdichte schoentjes en handschoenen, trotseert Jim Jansen het koude water. Beeld Kjeld de Ruyter
Met een wetsuit, brilletje, badmuts en boei, en vaak ook waterdichte schoentjes en handschoenen, trotseert Jim Jansen het koude water.Beeld Kjeld de Ruyter

Journalist Jim Jansen (50) en grafisch vormgever Kjeld de Ruyter (49) maakten het boek Zwemmersgeluk, over de wetenschap achter zwemmen, met ervaringen van bekende (hobby)zwemmers en favoriete plekken. Zelf duiken ze graag het Nieuwe Diep in – weer of geen weer.

Jim Jansen

Mijn hele leven heb ik al iets met ‘de eerste keer’. Maandenlang kan ik uitkijken naar de eerste IJwit van de tap op een mooie lentedag op een terras. De eerste wedstrijd van Ajax in een nieuwe competitie, zittend aan de bar van mijn stamcafé met mijn voetbalvrienden die ik de hele zomer niet heb gezien. Of de eerste keer rammen op een nieuwe flipperkast, die ik tot dan toe alleen maar ken van foto’s en filmpjes van internet. Voor mij is het niet anders met zwemmen in open water. Naar die eerste keer kan ik soms dagen of zelfs weken uitkijken.

Zo ook in het voorjaar van 2021. Nederland en een groot deel van de rest van de wereld bevonden zich nog steeds in een lockdown, maar als Amsterdammer had ik het geluk dat het buitenbad bij mij in de buurt voor het eerst het hele jaar was geopend. Met mijn conditie zat het dus wel snor en ook qua temperatuur was mijn lichaam best wat gewend. Ik geef toe, het water in het De Mirandabad schommelde rond de twintig graden, maar het omkleden in regen, hagel en soms zelfs sneeuw, had me op een bepaalde manier wel gehard.

Een van mijn vaste openwaterplekken in Amsterdam is het Nieuwe Diep, een meer in Amsterdam-Oost, tussen het IJ en de Watergraafsmeer. Door een doorbraak van de Zuiderzee door de Diemerzeedijk, in 1422, ontstond het meer. In 1651, bij de Sint-Pietersvloed, was er een nieuwe doorbraak, waardoor via het Nieuwe Diep een deel van wat nu het Flevopark en de Indische buurt is, overstroomde.

Omgeven door het stille open water wordt de zwembeweging een mantra, terwijl Amsterdam langzaam ontwaakt. Beeld Kjeld de Ruyter
Omgeven door het stille open water wordt de zwembeweging een mantra, terwijl Amsterdam langzaam ontwaakt.Beeld Kjeld de Ruyter

Het is net voor zevenen in de ochtend als we vanaf de Indische Buurt een bijna verlaten Flevopark in rijden, hier en daar een enkele hondenuitlater passerend. Op een steenworp van de Amsterdamsebrug, met uitzicht op de prachtige graffiti die er van onder tot boven op is gespoten, kleden we ons zwijgend om. Een deel van het zwemmen gaat om goede voorbereiding. Mijn wetsuit, brilletje, badmuts, schoentjes, handschoenen en boei heb ik de avond ervoor al klaargelegd, terwijl ik Kjeld – zomer of winter en weer of geen weer – nog nooit in een wetsuit heb gezien.

“Waarom deden we dit ook alweer,” zegt hij met een halve glimlach als hij als eerste het water betreedt. De kou valt mee, denk ik in eerste instantie, maar dat is te danken aan de waterdichte schoentjes. “De kou valt helemaal niet mee,” herroep ik een paar seconden later mijn oordeel. We lopen stapvoets het water in op een bodem van slib en stenen, stiekem wachtend totdat de ander zich uitstrekt om te gaan zwemmen. Dat is Kjeld, natuurlijk, die vlak ervoor heeft voorgesteld om naar de verre boei nabij de doorgang van het Amsterdam-Rijnkanaal te zwemmen. In het water liggen drie boeien en een rondje op het meer is ongeveer vijftienhonderd meter.

Ik zwem rustig borstcrawlend achter hem aan, probeer mijn hoofd te ontspannen, maar door de kou is dat niet mogelijk. Sterker nog, de eerste minuten wissel ik borstcrawl af met schoolslag om mijn gezicht en vooral mijn wangen te laten wennen aan de temperatuur. Na een paar minuten begin ik te acclimatiseren en lijkt het binnenste van mijn lichaam getransformeerd te zijn tot een kachel die langzaam opwarmt. Ik concentreer me op de eerste bomen op de dijk die het meer en het kanaal van elkaar scheidt. En waar tot ver in de jaren zestig het ‘vijfcentenbad’ lag, dat in 1905 de deuren opende en de eerste twaalf jaar alleen voor mannen geopend was.

Na een minuut of vijf heb ik de slag te pakken en probeer ik mijn hoofd te ontspannen (‘loosen your head’) en lig zo stil mogelijk in het water om zo weinig mogelijk kracht te verspelen. Ik zwem in een vloeiende beweging en omringd door het water wordt die beweging een mantra, terwijl Amsterdam langzaam ontwaakt. In een mum van tijd is de verre boei binnen handbereik en wacht ik een seconde of veertig tot Kjeld arriveert. Samen zwemmen we naar het volgende ankerpunt. Links passeren we de watersportvereniging en bijna synchroon, vier slagen en een keer rechts ademen, tikken we boei twee aan. Dat aantikken is van psychologisch belang. Een jaar eerder was ik hier aan het zwemmen in de stromende regen, toen ik door een zwemster werd ingehaald die theatraal tegen de boei sloeg, ‘anders telt het niet’ zei en haar rondje voortzette.

Amsterdam vanuit het water gezien is zowaar nog mooier dan vanaf de wal. We zwemmen in gestaag tempo verder, het klappen op het water resoneert in de stilte, en de bomen en struiken op de voorgrond contrasteren met de hoogbouw van het verderop gelegen Science Park. We passeren de woonboot van Hans Sibbel, het oude cabaretmaatje van mijn broer Dolf en onbewust vraag ik me af of hij behalve een loper ook een zwemmer is. Want wat een ongekende voorrechtspositie heeft hij met dit prachtige water voor de deur.

Het is een meter of driehonderd naar de laatste boei en aan de kant verschijnen steeds meer mensen met honden, snelwandelaars en hardlopers. Met een boom als oriëntatiepunt, zwemmen we langs het riet in relaxed tempo terug naar de kant. Mijn handen en voeten zijn koud. De huid van Kjeld is rood, maar hij klaagt niet. We drinken koffie en zeggen niet veel. Blij. Blij dat de eerste tocht erop zit. Blij dat we langzaam weer warm worden.

null Beeld

Jim Jansen en Kjeld de Ruyter: Zwemmersgeluk – op zoek naar de wetenschap achter een frisse duik, Fontaine Uitgevers, €25.

Meer over