null Beeld Sjoukje Bierma
Beeld Sjoukje Bierma

Een prachtig gebaar waarin zich de niet-Amsterdammer liet zien

Plus

Maarten Moll

Soms kun je enorm genieten van iets kleins. Van een gebaar bijvoorbeeld.

Je ziet het niet zo vaak meer, gebarende mensen, behalve zij die anderen die ordinaire ‘vinger’ geven.

Het zegt wat over de persoon die dat gebaar maakt. (De boze vuist: schitterend, maar wat oubollig en helaas uit het straatbeeld verdwenen.)

Het gebeurde deze week.

Hij droeg een oranje shirt met Molteni in witte letters op een zwarte balk achterop. Het shirt van Eddy Merckx. De Belg won in het shirt van de Italiaanse ploeg drie keer de Tour, drie keer de Giro en een keer de Vuelta.

De man in het wielershirt – een pensionado zo te zien – had een rond brilletje met blauwe glazen en indrukwekkend pezige kuiten. Hij fietste kalm voor me uit langs de Hortus en de Filmacademie.

Toen remde hij af voor het verkeer dat over de Valkenburgerstraat raasde.

Ik stopte vlak achter hem.

Mooi shirt. Bijpassende broek en sokjes. Een helm, niet te vergeten, over grijzende krullen geperst. Het stond hem allemaal heel goed.

(Ik weet nog dat ik lang, lang geleden aan vrienden vertelde over die ‘stoere’ afdaling van de Alpe d’Huez ’s avonds in de schemer. In een opwelling hadden we nog snel een late beklimming gedaan. Zonder licht, ik op de dunne, wat versleten bandjes van mijn Raleigh. Zonder helm ook, natuurlijk, wie droeg er een helm in die tijd? We zaten toch niet op een bromfiets? Het ging ook nog regenen. Wij, mijn broer BJ en ik, naar beneden. We haalden auto’s in. Ik was begin twintig en als je jong bent doe je stomme dingen. Misschien dat ik nog werd ontdekt als wielrenner. Vrienden tikten met vingers op voorhoofden, en ik lachte ze weg.)

De op en top gesoigneerde Molteni zag er niet uit alsof hij risico’s nam. Hij zocht niet naar een gaatje tussen de auto’s om snel over te steken. Hij wachtte.

Het fietsersstoplicht telde af: 45, 44, 43, 42...

Molteni keek eens rustig om zich heen. Dronk een slokje uit zijn hagelwitte bidon.

Bij 15 zag ik hem controleren of zijn schoenen nog goed in de pedalen waren geklikt.

10, 9, 8, 7, 6...

Bij 5 stopte de countdown.

De teller zweeg.

Iedereen die voor een stoplicht staat te wachten, weet dat. Die paar seconden zwart voor het licht op groen springt.

Elke Amsterdammer.

Maar Molteni niet.

En toen volgde het gebaar.

Hij stak geërgerd een hand op. Zo’n gebaar dat je maakt als iets niet gaat zoals je dat verwacht. Hij keek er ook geïrriteerd bij. Hij dacht dat het stoplicht het begeven had.

Prachtig gebaar. Ook omdat zich hier de niet-Amsterdammer liet zien die niet op de hoogte is van de mores in de stad.

Om hem heen niemand die er aanstoot aan nam, ik denk dat bijna niemand het gebaar had gezien.

Toen het licht toch op groen sprong gooide Molteni zich in de drukte van de Jodenbreestraat.

Ik volgde hem nog een stuk. Ik zag hem de Geldersekade op fietsen. Ik zwaaide hem na.

Ik denk dat hij op weg was naar het pontje achter CS.

En dan door Noord naar huis.

Waar de stoplichten geen rare fratsen vertonen.

Maarten Moll schrijft over dagelijkse beslommeringen in de stad. Lees al zijn columns terug in het archief.

Reageren? m.moll@parool.nl.