PlusAchtergrond

De oudste vrouwenclub van Nederland: Tesselschade is méér dan ‘die handwerkwinkel’

De gevel van de Tesselschade-Arbeid Adelt-winkel op het Leidseplein. Beeld Nina Schollaardt
De gevel van de Tesselschade-Arbeid Adelt-winkel op het Leidseplein.Beeld Nina Schollaardt

Tesselschade-Arbeid Adelt, vooral bekend dankzij de handwerkwinkel op het Leidseplein, helpt al 150 jaar vrouwen die het minder breed hebben aan een studiebeurs. De vrouwenvereniging opereert in de schaduw, maar heeft heldere toekomstplannen. ‘Alle vrouwen moeten lid worden.’

Dylan van Eijkeren

Hoewel Tesselschade-Arbeid Adelt dit jaar haar 150-jarig bestaan viert, zullen de meeste Amsterdammers de organisatie kennen vanwege de in al haar bescheidenheid opvallende winkel aan het Leidseplein, min of meer ingeklemd tussen een Hard Rock Hotel en een Apple Store.

Zo komt het dat het plein naast een gitaar van Slash en een iPhone van 1500 euro ook zicht biedt op de iconische slaaphaas, de handige blokfluitzak en de geborduurde slabbetjes van Tesselschade. Breisels, naaisels en haaksels op het overigens naar hotdogs en pils geurende plein is in het licht van Tesselschades historie niets vreemds; de vereniging is al sinds de oprichting een buitenbeentje.

Toch is die faam puur vanwege een etalage onterecht. Mensen zouden de vereniging moeten kennen omdat die zich nu al anderhalve eeuw inspant voor vrouwen die het wat moeilijker hebben om de eindjes aan elkaar te knopen. Dat werkt zo: ­vrijwilligers breien een teckel, Tesselschade verkoopt de teckel in een winkel of tijdens een bazaar, de vrijwilliger krijgt een kleine vergoeding (plus het materiaal), en van de netto-opbrengst steunt Tesselschade een jonge vrouw die wil studeren, maar dat om financiële redenen niet kan.

Breisels uit de handwerkwinkel op het Leidseplein. Beeld Nina Schollaardt
Breisels uit de handwerkwinkel op het Leidseplein.Beeld Nina Schollaardt

Dorien Rookmaker (58), voorzitter van de landelijke Tesselschadevereniging, ontvangt in het recent gerenoveerde pand aan het Leidseplein. Ze vertelt dat over de ­studietoelagen op landelijk niveau wordt besloten. Maar: “Bij Tesselschade zit overal een nuancering, dat is misschien ook wel typisch vrouwelijk. Dus ja, we besluiten landelijk, want we willen dat iedereen op dezelfde manier wordt beoordeeld en we willen ook een beetje moderniseren. Maar er zijn ook afdelingen die zeggen: als bij ons iemand komt aanlopen en wij hebben de middelen, dan hoeft die niet door dat landelijke proces.” De studiebeurzen worden overigens niet alleen betaald uit de handwerkopbrengsten, ook contributie­gelden en donaties worden daarvoor gebruikt.

Tesselschade doneert 130 tot 140 ­studietoelagen per jaar; in totaal zijn in anderhalve eeuw inmiddels 12.000 vrouwen geholpen, met als enige dwingende voorwaarde dat de opleiding moet leiden tot betaald werk – dus, zeg, een ­borduurcursus bij Tesselschade valt daar niet onder.

Tesselschadevoorzitter Dorien Rookmaker. Beeld Nina Schollaardt
Tesselschadevoorzitter Dorien Rookmaker.Beeld Nina Schollaardt

Eenzame dames

Claartje de Kreuk (75) was tien jaar archivaris van Tesselschade, naaide een slordige 300 slaaphazen (“voorlopers ervan hoor”) en is nog altijd actief binnen de ­vereniging, bijvoorbeeld als vraagbaak tijdens het maandelijkse Handwerkcafé, dat ze boven de winkel aan het Leidseplein organiseert.

De Kreuk benadrukt dat er nog een andere reden is waarom de ‘handwerksters’ doen wat ze doen voor Tesselschade (want let wel: de genoemde studentes en de handwerksters zijn twee verschillende bloedgroepen binnen een lichaam, veel overloop is er tot dusver niet – daarover straks meer). “Onze handwerksters zijn voor een deel ook dames die niet zoveel contacten hebben, die wat eenzaam zijn. Zeker tijdens corona gaf het handwerken voor Tesselschade een aantal dames nog een lijntje naar buiten, als ik hun handwerk kwam ophalen en door het raam van het verzorgingshuis naar ze zwaaide.”

Ook bij de studentes gaat het niet alleen om het fourneren van collegegeld, het gaat er ook om, zegt voorzitter Rookmaker, dat er geloof in je wordt gesteld. “Tegen sommige vrouwen is nog nooit gezegd: ‘Jij kunt dit, jij gaat dit afmaken.’ Dat werkt, want als het persoonlijk tegen jou gezegd wordt, is dat ook weer een stimulans om achter de boeken te gaan zitten.”

Net als De Kreuk is Rookmaker al van jongs af aan bekend met Tesselschade: hun moeders waren lid en droegen dat over op hun dochters. Rookmaker: “De klassieke manier. Tesselschade is altijd een beetje een besloten wereldje geweest. Mijn moeder was lid, nam me twee keer per jaar mee naar een verkoopbijeenkomst, en na mijn afstuderen heeft ze me lid gemaakt. Ze zei: ‘Jij hebt zelf kunnen studeren, maar niet iedereen kan dat –noblesse oblige – en al doe je niets voor de vereniging, betaal gewoon je contributie.’”

Slapend lid

Tesselschade zit in een overgangsfase, zegt Rookmaker: de besturen van de plaatselijke verenigingen verjongen, en vaker dan vroeger gaat dat via het schoolplein of een netwerk en niet meer van moeder op dochter. Voor 1 euro per jaar kun je lang slapend lid zijn, en dat was Rookmaker dan ook, tot de afdeling Zwolle in 2012 een bestuurslid zocht. “Toen dacht ik: tja, hoe moeilijk kan een penningmeesterschap zijn, dat doe ik dan maar. Dan gaat het zoals bij veel verenigingen: je staat vier keer op tijdens een vergadering en je wordt gevraagd voor het landelijk bestuur.”

In 2019 trad ze toe tot het landelijk bestuur; een jaar later werd Rookmaker voorzitter. Een van haar doelen is om in de vier voorzittersjaren die nog komen (de termijn is maximaal twee keer drie jaar, “dus je kan je er met volle energie op storten”) de studentes, vrijwilligers en handwerksters tot een hechtere groep te smeden. “Dat mag meer door elkaar gaan lopen. Dat willen we graag. In een bestuur zit standaard iemand die de studentes begeleidt, en het is niet zo gek als dat een voormalige Tesselschadestudente zou zijn.”

Voormalig Tesselschade-archivaris Claartje de Kreuk. Beeld Nina Schollaardt
Voormalig Tesselschade-archivaris Claartje de Kreuk.Beeld Nina Schollaardt

Het pand van Tesselschade aan het Leidseplein – ooit een gift van warenhuis Hirsch & Cie, in ruil voor bouwgrond elders op het plein – huisvest boven de winkel een bibliotheek met veel patronen en handwerktechnieken en een grote, dubbele kamer waar De Kreuk het Handwerkcafé organiseert. “De afgelopen paar jaar niet, maar normaal komen daar vaak minstens een dozijn en soms wel dertig vrouwen op af. Daar helpen we elkaar met technieken.” De Kreuk zegt het nog eens: ook die bijeenkomsten hebben een sterk sociaal karakter.

Als oud-archivaris kent De Kreuk de geschiedenis van Tesselschade als geen ander. Ze vertelt over de fusie tussen ­Tesselschade en Arbeid-Adelt, die tot 1953 als twee aparte vrouwenverenigingen werkten (zie kader). Ook weet ze dat veel van de ontwerpen in het assortiment van ­Tesselschade oorspronkelijk niet van ­Tesselschade zijn; de slaaphaas komt uit patronenblad Burda, het aardbeimutsje is Zweeds en ook de smokjurkjes komen van elders.

Maar, benadrukt De Kreuk, alle ­bijzondere projecten zijn wél volledige Tesselschadeproducties: in 2002 kregen Willem-Alexander en Máxima een theemuts, servetjes en placemats als huwelijkscadeau, in 1937 bekleedden de handwerksters de koninklijke wieg, en bij het huwelijk van Juliana en Bernhard zorgde Tesselschade voor tafellinnen en Arbeid Adelt voor de knielkussens in de kerk. Momenteel werken acht van de meest begenadigde Handwerkcafé-­handwerksters aan gordijnen voor de ­Chinese Zaal in Huis ten Bosch. De Kreuk praat er handenwrijvend over: “Dat wordt zo mooi, en wat zo bijzonder is: de koningin ­borduurt er zelf ook aan mee.”

null Beeld Nina Schollaardt
Beeld Nina Schollaardt

Migratieachtergrond

Op 8 december vorig jaar kwam de commissaris van de Koningin naar het Leidseplein om de vrouwenvereniging in haar winkelpand te kronen tot de Koninklijke Algemene Nederlandse Vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt (u mag Tesselschade zeggen). Voorzitter Rookmaker: “Wij hadden altijd onze winkels en de verkoopbijeenkomsten, vijftig jaar hetzelfde. Twee keer per jaar, met kerst en Pasen, vaak in een landhuis van een lid. Dat gaan we anders doen in de toekomst, met inspiratieochtenden waar onze alumni komen spreken, maar waar ook onze bestuursleden hun licht kunnen komen opsteken. We merken dat we in het verleden te weinig hebben verteld waar we het allemaal voor doen. Als je hun verhalen hoort, weet je waar het bij Tesselschade echt om gaat.”

Amsterdam is behalve vestigingsplaats van Tesselschade ook de plaats waar de grootste afdeling van Nederland zetelt. Met 564 leden – “en nog steeds groeiend,” zegt Rookmaker. “Dat neemt niet weg dat het natuurlijk nog veel te weinig leden zijn voor een stad als Amsterdam. Eigenlijk zouden alle vrouwen lid moeten zijn.”

“Onze bedoeling is dat wij – een kleine, elitaire club en de oudste en eerste Nederlandse vrouwenvereniging – de meest bekende en meest toegankelijke worden.”

De vereniging kan fungeren als een ontmoetingsplaats, zegt Rookmaker. “Wij zijn niet politiek of religieus, we zijn een algemene vereniging. Juist dat is tegenwoordig heel hard nodig. Mensen zitten in een bubbeltje, dat is jammer. Het is goed als je elkaar ontmoet, en een vereniging als deze biedt de mogelijkheid om andere mensen te leren kennen.”

Rookmaker verwijst naar het motto van Maria Tesselschade (zie kader): ‘Elck syn waerom’, ieder heeft zijn reden. “Dat moeten we veel meer voor het voetlicht brengen. Het is niet des Tesselschades om iemand te min te vinden. We willen veel meer vrouwen met een migratieachtergrond aantrekken. Zij zijn vaak al heel goed in handwerken, omdat ze dat van hun moeder leren.”

De gewetensvraag dan: handwerkt ze zelf ook? “Ja, ik doe het ook. Thuis brei ik een vestje voor een baby. Om ’s avonds mijn hoofd leeg te maken.” Ze lacht. “Al is dat maar voor een deel waar, want breien is opletten.”

Twee zusters

Binnen een jaar na de oprichting in 1871 splitste een deel van vrouwenvereniging Arbeid Adelt zich af, om verder te gaan onder de naam Tesselschade. Reden was een kwestie over het al dan niet ­borduren van de initialen van de maaksters op hun werkjes. Daarna ­bleven de twee ­verenigingen driekwart eeuw vrijwel exact dezelfde doelen nastreven. De Kreuk: “Tesselschade en Arbeid Adelt zijn door de tijd heen eigenlijk altijd net twee zusters geweest, die niet met en niet zonder elkaar kunnen.” Tot 1948, want toen ­zeiden Arbeid Adelt en Tesselschade opnieuw ‘ja’ tegen elkaar – al duurde de officiële fusie nog tot 1953.

Maria Tesselschade. Beeld Moses Eliasar Chen Tantaas de Vries
Maria Tesselschade.Beeld Moses Eliasar Chen Tantaas de Vries

Maria Tesselschade: een leven vol drama

De Amsterdamse verzekeraar, ­handelaar en dichter Roemer ­Visscher (1547-1620) leed als scheepsassuradeur in 1593 enorme schade toen bij Texel 44 volgeladen koopvaardijschepen in een storm vergingen en 500 opvarenden omkwamen. Als later zijn dochter wordt geboren, slaat de taalgrappenliefhebber in hem toe: hij noemt haar Marritgen (Maria) Tesselschade ­Roemers ­Visscher. Dochter Maria ­ontpopte zich als dichter, linguïst, zangeres en glasgraveerder. Haar leven was getekend door drama. Ze verloor twee dochters en daarna haar man, maar zat niet bij de pakken neer. Ze schreef brieven, verzen en gedichten en ondertekende die met haar motto ‘Elck syn waerom’ – ieder zijn reden. Ook ontwikkelde ze zich tot de muze van de Muiderkring, de hangplek van dichters en wetenschappers als P.C. Hooft, Vossius, Barlaeus, Bredero en Constantijn Huygens. Naar verluidt was Maria er vanwege haar ‘talenten, schoonheid, charme en wijsheid’ erg geliefd. Ondanks al haar aanbidders hertrouwde Maria nooit. Ze overleed in 1649 en ligt begraven in de Oude Kerk.

Waar Maria Tesselschade in de 17de eeuw een vreemde eend was, kwam in de 19de eeuw het feminisme op. De Delftse vrouwenrechtenvoorvechter Betsy Perk (1833-1906) richtte in 1870 vereniging Arbeid Adelt op; een splitsing later werd in 1871 zustervereniging Tesselschade gesticht. Bij de oprichting werd Maria gezien als creatief en erudiet, maar ook als een echte gezinsvrouw, aldus Tesselschadevoorzitter Rookmaker. “Ik zou haar omschrijven als heel zelfstandig. Ze is midden in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) van protestant naar katholiek gegaan. Haar Muiderkringvrienden waren not amused.”