null

PlusExclusief

Cindy Hoetmer schreef over haar leven tijdens de pandemie: ‘Ik ben nooit echt een vrolijk persoon geweest’

Beeld Valentina Vos

Er gebeurde al niet veel in het leven van Cindy Hoetmer (54) en toen kwam ook corona nog. Over haar leven tijdens de pandemie schreef ze het boek Goed, naar omstandigheden. ‘Ik miste vooral mijn vage kennissen uit de kroeg.’

Peter van Brummelen

U schrijft in uw nieuwe boek dat u nog nooit een interview hebt gegeven waarin niet ter sprake kwam dat u vrijgezel bent. Zullen we daar maar mee beginnen dan? Dan hebben we dat gehad.

“Ja, dat is zo raar. Iedereen wil het daar altijd maar over hebben. Journalisten, maar ook mensen die ik tegenkom in de kroeg.”

Terwijl Amsterdam – ik heb het even opgezocht – toch voor 54 procent uit eenpersoonshuishoudens bestaat.

“Precies. Ik vind het zelf helemaal niet gek. Andere mensen willen erover praten omdat ze denken dat het zielig is of zo. Ik ben er nooit mee bezig, heb er geen last van en vind het ook zeker geen groot onrecht dat ik alleen ben.”

Oké, afgehandeld. Uw vorige boek had een luiaard op de cover, dit keer zien we een kat in een makkelijke stoel. Dat lijkt een soort promotie.

“Een kat is een actiever dier, ja. Maar het is wel een chagrijnige kat, hè. Ik ben ook een soort van vormgever, niet heel erg goed, maar ik bemoei me wel met zo’n omslag. Zelf houd ik het meest van omslagen met alleen maar letters, maar dat zou de mensen niet aanspreken. De uitgeverij wilde een hond voorop. Er komt inderdaad heel nadrukkelijk een hond voor in het boek, maar dat verhaal is nogal een trauma, daar wil ik niet de hele tijd aan worden herinnerd. Dus ik heb uitonderhandeld dat er een kat op de cover kwam. De tekening is gemaakt door een Griekse vrouw die werkt in de tattooshop van een vriendin van me.”

Dat vorige boek had wel een onmogelijke titel: Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar.

“Ik had al jaren niet meer geschreven toen ik mezelf voornam elke dag een gebeurtenis van de dag ervoor op Facebook te zetten. Het waren belevenissen van niets, maar ik noemde die stukjes wel ‘De opmerkelijkste gebeurtenis van de dag’. Ik schreef die stukjes voor mijn ­vrienden, maar een uitgever zag er wel een boek in. Hoe noem je een boek waarin niets gebeurt? We kwamen uit op die lange titel, die ik zelf meestal afkort tot ‘Opmerkelijke gebeurtenissen’, maar dat slaat nergens op, want er gebeurt in het boek niets.”

Gebeurt er inmiddels meer in uw leven?

“Nou ja, mijn leven is iets interessanter geworden doordat ik weer schrijf. Ik ben op de radio geweest. En als Lowlands niet twee keer zou zijn afgelast, had ik daar voorgelezen. Er is toch een heel klein ­beetje een artiestenbestaan bij gekomen. Verder ben ik nog steeds iemand die heel veel niks doet en het liefst een biertje drinkt met vrienden.”

Dat niks doen, hoe ziet dat er uit?

“Ik werk ook wel en ik schrijf, maar ik doe heel vaak helemaal niks. Dan zit ik gewoon thuis op de bank, televisie aan, laptop op schoot. Op tv kijk ik naar alles: van verbouwingsprogramma’s tot kook­televisie. Ik kan goed alleen zijn, houd er ook van. Er hoeft van mij ook niks te gebeuren. Maar laatst was ik in quarantaine en dacht ik na een een dag of vijf: nu wil ik toch wel weer eens een mens zien.”

Was u altijd al zo?

“Ja. Maar vroeger leidde ik een super­interessant leven. Toen wist ik niet dat ik zo goed alleen kon zijn, omdat ik altijd veel te doen had.”

Wanneer was dat superinteressante leven?

“Vanaf dat ik van de middelbare school kwam tot zo ongeveer mijn veertigste.”

U bent nu 54...

“Ik leid dus al veertien jaar een tamelijk saai leven.”

Hoe is dat gekomen?

“Normale mensen hebben drukke banen en dan krijgen ze kinderen. Dat ken ik allemaal niet. Er kwam ook bij dat ik het niet zo interessant meer vond om uit te gaan. Bij mij kwam er na mijn veertigste gewoon een saaie tijd. Die ook prima is.”

null Beeld Valentina Vos
Beeld Valentina Vos

U bent ook wel somber geweest, toch?

“Ja, maar de laatste tijd is dat eigenlijk niet meer zo.”

Was u gewoon somber of echt depressief?

“Ik heb een paar flinke depressies gehad. Nou ja, flink, ik kon nog wel ­werken. Ik heb er pilletjes voor geslikt en toen ging het wel weer. Ik ben gewoon nooit echt een vrolijk persoon geweest, als kind al niet. Als anderen een spelletje gingen doen, ging ik een boekje lezen.”

Ze woont op een benedenwoning in het centrum. Klein maar fijn, en leuk aan het water. “Een sociale huurwoning,” zegt ze. “Maar inmiddels heel veel waard natuurlijk, dus de huisbaas zou de boel best willen verkopen.” Er hangen een foto van Paul Blanca en een tekening van striptekenaar Typex aan de wand. Poes Joetje komt het bezoek even inspecteren, maar houdt het al snel weer voor gezien.

Praten met Cindy Hoetmer is een licht verwarrende ervaring. De schrijfster komt wat nors over, maar veel van wat ze zegt is erg grappig. Dat geldt ook voor haar columns: weerbarstig en komisch tegelijk. In de jaren negentig debuteerde ze in het toen hippe blad Blvd. Er volgden columns in diverse andere tijdschriften, er verschenen ook twee romans van haar, maar nadat ze in 2012 werd ont­slagen bij Nieuwe Revu schreef ze naar eigen zeggen jarenlang alleen nog boodschappenlijstjes.

Vorig jaar keerde Hoetmer terug als schrijver. Het toen verschenen Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar krijgt nu een vervolg in Goed, naar omstandigheden. Het verslag van haar leven gedurende de coronapandemie is een combinatie van columns en stukken die verschenen in onder meer Volkskrant Magazine, de Uitkrant, JAN en Trouw, aangevuld met nieuw materiaal.

Goed, naar omstandigheden staat voor een groot deel in het teken van de pandemie. Is uw leven veranderd door corona of keutelde het gewoon door?

“Het is toch wel veranderd, hoor, hoe saai het daarvoor ook al was. Ik kon niet naar de kroeg, niet naar de film, niet naar mijn ouders, die een huisje in Spanje hebben. Maar mijn stemming werd er niet slechter door, waar ik eigenlijk wel verbaasd over was. Toen die eerste lockdown inging, dacht ik: ik kan niet drie weken zonder kroeg, dat kan gewoon niet. Maar drie weken werden drie maanden en ineens dacht ik: wat maakt het uit?”

Was u bang ziek te worden?

“Neuh. Het was niet dat ik dacht onkwetsbaar te zijn, het was eerder een beetje fatalistisch, zo van: als ik het krijg, dan krijg ik het. En van de dood merk je verder niets. Ik ben voorzichtig geweest, maar vooral voor anderen. Ik was wel bang dat mijn ouders ziek zouden worden, maar die zeiden: ‘We hoeven niet aan de beademing, hoor.’ En: ‘Als we nu doodgaan, worden we tenminste niet dement’.”

Lijkt u op uw ouders?

“Ja, die zijn ook heel raar. Ze kunnen ook altijd alles maar verdagen en hebben nooit uitschieters in emoties. Ze kennen geen grote vreugde of verdriet of momenten van grote twijfel. Ze zijn altijd een beetje hetzelfde, net als ik.”

U bent geboren en getogen in Amsterdam, uit welke buurt komt u?

“Ik ben geboren op een woonboot aan de Jacob van Lennepkade. Een soort drijvende hut was het. Geen gas en licht, water moesten mijn ouders op de kant halen. Later verhuisden we naar het IJsbaanpad, waar veel woonboten liggen. Hartstikke leuke buurt. De Nieuwe Meer vlakbij. Heel veel sportverenigingen ook, mocht je daar zin in hebben.”

Laat me raden: u was geen sportief ttype.

“Nee, totaal niet. Maar ik heb wel alle sporten een half jaar geprobeerd.”

U was tiener in de jaren tachtig, niet de vrolijkste periode in Amsterdam.

“Aan het IJsbaanpad was alles schattig en gezellig. Maar ik kwam ook wel in het centrum. Als je dan heel toevallig de Zeedijk overstak, belandde je echt in de hel. Allemaal junks, een soort zombies, dood­eng. Terugkijkend denk je: hoe kon dat bestaan? Ik verbaas me ook over foto’s van Amsterdam uit die tijd: zo smerig. Overal lag hondenpoep, overal was graffiti. Maar ik vond dat toen ook mooi, hoor, want ik was een beetje alternatievig. We gingen uit in een voormalige fietsenstalling op wat nu het Max Euweplein is. Echt een hol was dat, geweldig.”

Waar zat u op de middelbare school?

“Eerst op de OSB in de Bijlmer. Ik kon niet zo goed leren en mijn moeder dacht: dat gaat helemaal mis met haar op een school met klassikaal onderwijs. Op de OSB hadden ze een krankzinnig systeem met een vierjarige brugklas, alle niveaus zaten er door elkaar. Je zat wel zes keer per dag in de kring. Ik kon niet leren, maar ik was verder best slim. Als mij iets werd uitgelegd, snapte ik het uiteindelijk wel, ik deed alleen mijn huiswerk niet. Maar je had er ook van die echte domkoppen, die na vijf keer uitleggen nog steeds totaal leeg uit hun ogen keken. Na twee jaar ben ik er weggegaan.”

null Beeld Valentina Vos
Beeld Valentina Vos

En toen?

“Naar het Spinoza. Waar ik er, zoals mijn moeder al vermoedde, niets van terechtbracht. Ik had er wel een betere tijd. Ik zat op de havo. Omdat we met z’n allen heel vervelend waren, zijn we met zo ongeveer de hele klas teruggezet naar de mavo. Dat diploma heb ik gehaald.”

U was toch dyslectisch?

“Ja, een beetje. Ik haalde de letters door elkaar, de v en de f en zo. Maar ik kon ook nooit links en rechts uit elkaar houden. Het duurde heel lang ik voor ik kon schrijven en nog langer voor anderen ook konden lezen wat ik schreef. Ik heb inmiddels de conclusie getrokken dat ik ADD heb, onderzocht is het niet.”

U bent wel schrijver geworden. Tegenwoordig van ‘autobiografische non-­fictie’, zoals u het zelf noemt. U verzint echt niets?

“Nee. Ik heb in mijn nieuwe boek wel geprobeerd iemand onherkenbaar te maken. Bij het vorige boek heb ik toch wel problemen gehad met mensen omdat ik tamelijk traumatische gebeurtenissen uit hun leven nogal lollig had opgeschreven. Een van hen zei: ‘Ik dacht leuk een boek van Cindy te lezen, tot ik daarin mijn eigen grootste nachtmerrie tegenkwam.’ Daar ben ik nu wel voorzichtiger mee geweest.”

U roddelt graag, schrijft u.

Ja, ik ben een roddelaar. Maar ik heb vrienden die nog veel erger zijn, gewoon niet normaal. Ik wil hier ook wel even het idee de wereld uit helpen dat vrouwen de grootste roddelaars zijn. Echt wel dat mannen daarin erger zijn.”

Vroeger schreef u wel fictie.

“In 2005 verscheen mijn roman Het beest in Daisy. Gewoon een schattig boek, dacht ik, niet heel slecht. Maar het is tot op het bot afgekraakt, in álle kranten en opiniebladen.”

Hoe kwam dat?

“Ik heb er wel een theorietje over. Ik denk dat het kwam doordat ik als columnist een beetje al te grote mond had. Dan krijg je klappen terug.”

Raakte het u?

“O ja, zeker. Ik was er kapot van. Ik ken nogal wat mensen die schrijven. Die krijgen meestal goede recensies. Maar als er dan eens één zinnetje in staat dat niet zo positief is, schreeuwen ze daar meteen moord en brand over. In de recensies die ik kreeg, leek echt iedere zin erop uit mij kapot te maken. Alsof ik met de grond gelijk gemaakt moest worden. Boven de recensie in De Groene Amsterdammer stond als kop: Brrrrr.”

Was het door die negatieve recensies dat u lang niet schreef?

“Nee. Na Het beest in Daisy heb ik nog een roman geschreven, maar er was gewoon geen belangstelling voor. Ik kreeg ook steeds minder opdrachten van bladen. Nou, dat was het dan, dacht ik. Ik was effe in de mode, nu is het voorbij. Mensen ­vonden het gek als ik zei: ‘Vroeger was ik schrijver.’ Maar hoe vaak gebeurt het wel niet dat een schrijverscarrière strandt?”

Een comeback zoals u hebt gemaakt is wel uitzonderlijk.

“Als columniste heb ik een comeback gemaakt, ja. Maar met die boeken voelt het niet zo eigenlijk. Tussen die tweede roman en Opmerkelijke gebeurtenissen zit, wat is het, een jaar of tien. Komt wel vaker voor toch, dat je zo lang niets hoort van een schrijver?”

Vindt u het leuk, schrijven?

“Uh... ja. Columns schrijven vind ik leuk als er niet al te veel van me wordt ­verwacht. Ik schrijf een column voor de Uitkrant. Dat is wel fijn om te doen: anything goes, als het maar met Amsterdam te maken heeft. Bij mijn columns voor de Volkskrant voelde ik veel meer druk. En bij de twee stukken die ik voor Vrij Nederland schreef, kreeg ik het benauwd. Ik ben niet echt een intellectueel, het voelde wat hoog gegrepen.”

null Beeld Valentina Vos
Beeld Valentina Vos

Uw werk leest heel makkelijk. Schrijft u ook zo makkelijk of geldt hier ‘easy reading is hard writing’?

“Ik ben een enorme uitsteller, maar als ik eenmaal begonnen ben, schrijf ik net zo makkelijk als ik praat. Als ik een column moet inleveren, wacht ik tot de allerlaatste dag. Dan zet ik de wekker op vijf uur ’s ochtends en rolt het er in één keer uit. Ik ben geen perfectionist.”

U citeert in Goed, naar omstandigheden een van uw kroegvrienden die zegt dat hij het zo leuk vindt dat hij aan uw werk kan aflezen dat u er niet echt uw best op doet.

“Een beetje gelijk heeft hij wel. Ik houd van de boeken van A.F.Th. van der Heijden. Knap en mooi. Maar ik ben niet iemand die uren gaat zitten broeden op een alinea. Ik probeer wel om niet elke zin om dezelfde manier te beginnen. Van de columnisten vind ik Sylvia Witteman goed. Maar zij heeft echt verhaaltjes met een climax en een clou. Bij mij gebeurt er gewoon niks.”

U heeft een voorkeur voor eenvoudige, ongekunstelde woorden, maar schrijft wel dat uw ouders in een ‘urbanisatie’ in Spanje wonen.

“Ik ben bang dat het een letterlijke vertaling is van urbanización. Zo noemen ze daar het soort nieuwbouwwijk waar mijn ouder een tweede huis hebben. Het is een vallei met allemaal dezelfde huisjes. Er ­zitten Britten, Nederlanders, Duitsers, een enkele Belg, geen Spanjaard te bekennen. Mijn ouders erfden hun huisje begin deze eeuw en verblijven er de helft van de tijd.”

U komt er ook graag.

“Ja, dat zijn mijn vakanties. Mijn ouders zijn in Spanje enorme groepsdieren, en ik ook. Het ligt nu een beetje stil, maar normaal is hun hele dag gevuld met activiteiten. Ze zitten op twee koren, ze jeu-de-boulen, doen aan darten en zijn lid van de wandelclub. Als ik er ben, doe ik aan alles mee en ik vind het nog leuk ook. Best raar: als ik daar ben, is het of ik het leven van iemand anders leid. Ik doe wat mijn ouders doen, ik eet wat ze eten, ik kijk op tv wat zij kijken. Ik ga probleemloos om met hun vrienden, terwijl ik normaal best moeilijk ben in het kiezen van vrienden.”

U ziet uw vrienden vaak in Café de Pels. Hoe bent u daar terechtgekomen?

“Met een vriend had ik, in 2005 of zo, afgesproken elkaar elke week een keer te zien. De Pels werd ons vaste ontmoetingspunt, maar ik had al snel door dat hij het er niet zo leuk vond als ik. Ik bleef komen en zo’n clubje van oud-journalisten van HP/De Tijd zei: ‘Dan kom jij toch voortaan bij ons zitten?’ Eerst was dinsdag mijn ­vaste avond, daarna werd het de vrijdag. Tijdens de pandemie miste ik vooral mijn vage kennissen uit de kroeg, van die mensen met wie je na twaalven slap staat te ouwehoeren.”

In de Pels wordt stevig doorgedronken. Kunt u goed tegen alcohol?

“In welk café wordt er niet veel gedronken? Op een goede avond werk ik een bier of acht naar binnen, dan ben ik wel een beetje dronken. Soms is het minder, soms meer.”

Hoe bent u als u dronken bent?

“Een beetje hetzelfde als wanneer ik nuchter ben, ik zeg alleen alles drie keer. O, en ik zit een beetje dom te grijnzen. Maar ik ben dus geen huiler. Ik ben ook geen ruziemaker. En ik ga mensen niet opeens vertellen dat ik van ze houd.”

U heeft uw eigen katerbeoordelings­systeem.

“Ja, ik geef ze sterren, van één tot vijf. Bij een kater van één ster voel je dat je de avond ervoor hebt gedronken, bij vijf sterren wil je dood. Zo’n heel erge kater overkomt me een keer of vijf per jaar. Dan is het echt huilen en overgeven, vreselijk. Het gebeurt ook wel dat zo’n heel erge kater gewoon dagen doorgaat. Als ik altijd zulke katers zou hebben, zou ik stoppen met drinken. Bij acht bier is het best te doen. Je voelt je ’s ochtends een beetje brak, ’s middag ben je er meestal overheen.”

We moeten het nog hebben over het trauma dat u eerder al noemde: uw hond Toffer.

“Ja. Ik wilde altijd al een hond. Ik ben een hondenmens, maar het leven zadelde me op met katten. Tijdens de pandemie dacht ik: dit is het moment. Via een stichting kreeg ik een zwerfhondje uit Griekenland. Vanaf het begin heb ik bewust een beetje afstand gehouden. Ik moest eerst maar eens kijken hoe het ging met Joetje, de poes. Joetje knuffel ik zo ongeveer dood, de hele dag door. Bij Toffer deed ik rustig aan.”

Het ging niet tussen die twee.

“Het was een ramp. Joetje zat het grootste deel van de dag doodsbang in de tuin, ik ging maar zoveel mogelijk wandelen met Toffer. Maar ’s avonds moesten ze wel samen in huis. En blaffen dat Toffer dan deed.”

“Het was geen leven voor die beesten, maar ik kon dit ook de buren niet aandoen, ik woon nogal gehorig. Dus na twee maanden heb ik moeten besluiten: dit kan niet langer. Het was zo erg, ik schiet nu ook meteen weer vol.”

In uw boek introduceert u het woord schreeuwhuilen.

“Toffer kon terecht bij heel lieve mensen in IJmuiden. Elke dag naar het strand. Er was ook al een andere hond, waarmee ze goed kon opschieten. Ze kreeg daar een veel beter leven dan bij mij, maar het was verschrikkelijk om haar achter te laten. Ik heb op straat echt lopen schreeuwhuilen: ‘Nee! Nee!’”

Heeft u Toffer nog wel eens gezien?

“Nee. Het had gekund, maar ik heb het niet gedaan. Er zijn twee mogelijkheden. Eén: ze herkent me niet, wat best logisch zou zijn. En twee, maar misschien is dit totale projectie: ze herkent me wel en denkt: o, daar heb je haar weer, nu moet ik weer naar dat vervelende huis met die kat en dat stomme Westerpark. Allebei is erg.”

Bent u verbaasd over uw eigen emoties als het om Toffer gaat?

“Ja, zeker. Ik heb nooit van die grote gevoelens. Toen mijn vorige kat dood-ging, heb ik een dagje gehuild en dat was het wel. Maar die kat had ik wel twintig jaar. Toffer is maar twee maanden bij me geweest, maar die hele toestand heeft me emotioneel in tweeën gebroken. Het is niet alleen dat ik Toffer mis, ik ben ook die droom kwijt ooit een hond te hebben. Ik knuffel nu veel met de hond van een vriendin, maar het is nog lang niet geheeld. Ik ben een watje geworden.”

Cindy Hoetmer: Goed, naar omstandigheden, Meulenhoff, €20 euro

null Beeld

Cindy Hoetmer
1967, Amsterdam

1984 Eindexamen mavo, Spinoza Lyceum in Amsterdam
1988 Eerste baan bij Art Unlimited, leert zichzelf vormgeven
1992 Afgewezen bij Rietveld Academie
1995-2004 Columns voor Blvd.
2004-2006 Columns voor HP/De tijd
2005 Eerste roman Het beest in Daisy
2006 Columns voor Nieuwe Revu
2007 Roman Schop me!
2012 Ontslagen door Nieuwe Revu, stopt met schrijven
2017 Begint stukjes over zichzelf te schrijven op Facebook
2019 Min of meer opmerkelijke gebeurtenissen uit het leven van een treuzelaar
2020-2022 Stukken voor de Volkskrant, Saar, Trouw, VN, Jan en de Uitkrant
2022 Tweede boek met autobiografische non-fictie Goed, naar omstandigheden

Meer over