PlusExclusief

Bert de Vries, directeur Stadsarchief Amsterdam: ‘Wij zijn het Ajax onder de stadsarchieven’

null Beeld Elmer van der Mare
Beeld Elmer van der Mare

Hij woonde er nooit, maar Bert de Vries (61) voelt zich al jaren Amsterdammer. Nu is hij directeur van Stadsarchief Amsterdam, waar zijn fascinatie voor de stad, bijzondere verhalen en geschiedenis samenkomen. ‘Archiefwerk is niet stoffig, dat woord heb ik verbannen.’

Eveline Stoel

De portretten van fotostudio Merkelbach, een 19de-eeuws ontwerp voor een brug over het IJ of alles over Ajax: gevraagd naar zijn favorieten uit de collectie van Stadsarchief Amsterdam kan directeur Bert de Vries maar moeilijk kiezen. Na een korte denkpauze komt dan toch het antwoord: het archief van de sociale dienst uit de jaren dertig van de vorige eeuw.

“Die archieven zijn bijna overal vernietigd, maar Amsterdam heeft ze nog,” verklaart hij zijn keuze. “Het is een schatkamer voor de Joodse gemeenschap, want veel mensen uit de Jodenbuurt waren toen straatarm en kwamen voor steun bij de sociale dienst. Je kunt er het Amsterdam uit die tijd mee terughalen. Ook op persoonsniveau, want we hebben veel persoonsdossiers. We krijgen hier mensen die zeggen: ‘Ik weet niet wie mijn opa en oma zijn.’ Die help je dan bij het vinden van hun voorouders, dat heeft grote emotionele waarde. Dit specifieke archief zet aan tot nadenken: wat bewaar je en wat gooi je weg?”

Het is een vraag die hem al dertig jaar bezighoudt en zijn vakbroeders onderling nogal eens verdeelt. De Vries is voorstander van streng selecteren. “Daar sta ik vrij eenzaam in. De meeste archivarissen zeggen: er is nog ruimte in het depot, dus het kan er nog wel bij.” Wat ook niet alle collega’s doen: laten zien wat je als stadsarchief in huis hebt middels tentoonstellingen, bijvoorbeeld over honderd jaar Tuindorp Oostzaan of, zoals nu, over Gerrit Lamberts (1776-1850), wiens tekeningen in vrijwel ieder geschiedenisboek over Amsterdam staan terwijl hijzelf onbekend is.

“Als archivaris ben je de hoeder van het materiaal, een ander gaat daar vervolgens iets mee doen. Sommige archivarissen beschouwen een expositie al als een interpretatie van de bronnen, maar ik ben niet zo rechtlijnig. Het Stadsarchief is van de Amsterdammers, dus moet je ze daar op alle mogelijke manieren toegang toe bieden.”

Zes jaar geleden vertrok u als directeur van het Historisch Centrum Overijssel. Waarom?

“Omdat Amsterdam vrijkwam. Ik had het enorm naar mijn zin in Zwolle, maar Stadsarchief Amsterdam behoort tot de wereldtop. In 2019 ging ik met burgemeester Halsema en een Amsterdamse delegatie mee naar New York. Daarbij bezochten we ook het stadsarchief en dat is, met alle respect, een vrij kleine instelling. In de Verenigde Staten zijn veel archieven particulier en slechts beperkt toegankelijk.”

null Beeld 2022 Elmer van der Mare
Beeld 2022 Elmer van der Mare

“Ook als ik andere buitenlandse archieven bezoek, denk ik vaak: wij mogen in onze handen knijpen met wat we hier hebben. Een prachtig gebouw, ja, maar dat hebben Marseille, Ottowa en Sevilla ook. Het is de mix. Ons monumentale pand aan de Vijzelstraat, een veelzijdige collectie, onze betekenis voor de stad... Echt, wij zijn het Ajax onder de stadsarchieven.”

Hoe blijf je dat?

“Onze medewerkers hebben een netwerk dat reikt tot in de haarvaten van de stad. Het centrale Leger des Heils-archief ligt bijvoorbeeld in Utrecht, maar toen het huisje van Majoor Bosshardt op de Wallen werd opgeruimd, is haar archief bij ons terechtgekomen. Dat moet ook: Bosshardt ís Amsterdam. Dat netwerk heeft gelijk een nadeel wat betreft nieuwere Amsterdamse groepen. Als je niet in hun haarvaten zit, mis je essentiële dingen. Daarom hebben we sinds kort iemand in dienst die ons netwerk gaat uitbreiden.”

Aan welke groepen denkt u dan?

“Wij zijn een wit instituut en daar proberen we wat kleur in te brengen – al was het maar via de programmering. Het erfgoed van Marokkaanse Amsterdammers is nog niet optimaal vertegenwoordigd in onze collectie. Vorig jaar bezocht ik een bijeenkomst over vijftig jaar Marokkaanse migratie. Daar bleek dat die groep niet veel archief heeft. De Marokkanen die in de jaren zestig naar Nederland kwamen, hadden weinig geschreven bronnen. Maar veel van hen gingen ’s zomers terug naar familie en spraken dan cassettebandjes in. Ik ontmoette die avond iemand die vertelde dat hij een heleboel bandjes heeft, dus ik zei: ‘Jeetje man, moeten we die niet digitaliseren? Dat is een hartstikke mooie bron.’ Hij wilde er zelf een project mee doen, maar je hoopt natuurlijk dat hij op een dag toch met die bandjes naar het Stadsarchief komt.”

Is het lastig om de koers te bepalen in een samenleving waarin de gemoederen snel verhit raken?

“Dat is soms best ingewikkeld. Een tijd geleden hield ik een praatje bij de opening van de expositie Amsterdam Regenboogstad, over 25 jaar Pride. Na afloop zei iemand me dat ik het woord ‘normaal’ niet had moeten gebruiken. Maar ik had juist gezegd: ‘Het nieuwe normaal is dat iedereen anders is.’ We hebben de juiste intenties, maar sommige onderwerpen liggen heel gevoelig.”

“Dat zag je ook bij Het verraad van Anne Frank. Wat interessant was in dat coldcaseverhaal, was dat recherchedossier dat via een particulier boven water kwam met daarin het befaamde briefje over de mogelijke, Joodse verrader, dat Otto Frank anoniem ontving en overtypte. Het coldcaseteam heeft ook bij ons onderzoek gedaan, en gefilmd, en de boekpresentatie zou hier worden gehouden. Maar er ontstond wereldwijd zoveel commotie dat we daar in overleg met de uitgever van hebben afgezien.”

“Ik probeer altijd rust te brengen in discussies, een situatie eerst te analyseren. Dat is ingewikkeld in deze zaak, omdat de storm nog niet is gaan liggen. De Amerikaanse manier waarop de conclusie van het boek naar buiten werd gebracht, inclusief verzoek tot geheimhouding, was bepaald onhandig. Daardoor werd de spanning enorm opgevoerd. Ik vind het knap hoe Emile Schrijver, directeur van het Joods Museum, zich opstelde. Genuanceerd. Ik ben ervan overtuigd dat het laatste woord er nog niet over is gezegd. En wellicht duiken in de toekomst nog meer nieuwe bronnen op. Dat briefje is nu trouwens onderdeel van onze collectie.”

Jullie verwerven ook hedendaags materiaal. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘trends’ en ‘hotspots’.

“Een hotspot is een eenmalig incident met grote maatschappelijke impact, zoals wat er met Abdelhak Nouri is gebeurd of het overlijden van Eberhard van der Laan. Na zijn dood zijn we – in overleg met de familie – meteen begonnen met het verzamelen van condoleancekaarten en dertigduizend tweets.”

“Een trend is een beweging die geleidelijk ontstaat en veel aandacht krijgt, zoals Black Lives Matter of de discussie rond de sinterklaasintocht. Maar ik moet eerlijk zeggen: ik vind die termen de zoveelste loot aan de boom. Ons hoofddoel is dát bewaren waardoor je later kunt zien wat er gebeurde in de stad en hoe de gemeente daarin functioneerde. Daarnaast verwerven we van particulieren. Veel van het aangebodene wijzen we af, maar het is toch nog zo’n honderdvijftig meter per jaar.”

Wat is uw beste aanwinst tot nu toe?

“De collectie documenten en objecten van Jan van der Heyden, de Leonardo da Vinci van de Lage Landen. Ook Van der Heyden was een homo universalis – uitvinder, kunstenaar, zakenman – en hij is in de 17de eeuw heel belangrijk geweest voor Amsterdam. Hij bedacht de brandslang, waardoor houten huizen vaker gespaard bleven. Ook ontwierp hij vierkante, glazen lantaarns die onder alle weersomstandigheden helder bleven branden. Voor die collectie hebben we trouwens wel moeten betalen.”

Hoeveel?

“Ehm, ik geloof niet dat het bedrag ooit bekend is gemaakt. Maar het was om en nabij een miljoen. Niet iets wat ik iedere dag uitgeef. Of dat veel commotie opleverde? Ach, het is op het achtuurjournaal geweest, maar wij zijn toch meer low profile dan het Rijksmuseum. Dat zij onlangs kritiek kregen op de uitgave van 175 miljoen voor Rembrandts De Vaandeldrager begrijp ik ergens wel; het is veel geld. Maar erfgoed beheren is soms ook gewoon kruidenieren. Sommige dingen móét je veiligstellen. Toen wij contact kregen met nazaten van Jan van der Heyden ging het daarom niet zozeer om de hoogte van het bedrag, maar meer om de vraag: hoe krijgen we het bij elkaar? Dan ga je om de tafel zitten met allerlei culturele fondsen en regel je het.”

Dat Bert de Vries zich in academische kringen zou gaan begeven, lag niet voor de hand. Hij groeide op in Blokker (West-Friesland), als nakomertje van een vrijzinnig protestants tuindersechtpaar met zes kinderen. Als eerste van de familie zou hij gaan studeren. “Op mijn tiende liep ik al met kratten te sjouwen. Dat verheerlijkte ik ook wel een beetje, ik vond het stoer, werken en intussen met mijn broer naar de radio luisteren. We hadden alles: fruit, kassen... Het hele gezin hielp met druiven krenten. Ik heb een fantastische jeugd gehad, maar er waren ook spanningen, want die tuin was toch een zorg – zeker toen de EU werd overspoeld met goedkoop Grieks fruit. Mijn vader hoopte dat ik ging studeren, dat was bijna een soort levensdoel voor hem, maar ik werd altijd boos als hij erover begon. Bij mijn broers en zussen deed hij dat namelijk niet.”

null Beeld Elmer van der Mare
Beeld Elmer van der Mare

“Je hoort nu veel over klassenongelijkheid, nou, dat bestond toen natuurlijk ook al. Op de lagere school was ik altijd de slimste van de klas, maar bij de Cito-toets kwam ik erachter dat ik hopeloos ouderwets onderwijs had gehad. Ik wist bijna niks en kreeg mavo-advies. Gelukkig zag het schoolhoofd meer in me en hij regelde dat ik naar het vwo kon. Dat ging prima, maar ik miste wat intellectuele bagage. Dat heb ik allemaal moeten inhalen, in die zin ben ik een selfmade man: ik heb mijn eigen weg moeten zoeken.”

“In de bovenbouw had ik zo’n klassieke geschiedenisdocent die fantastisch kon vertellen. Ik stond een 9 en ben daarom maar geschiedenis gaan studeren, aan de UvA. Dat werd eigenlijk pas leuk toen ik bij mevrouw Fuks-Mansfeld de werkgroep 19de-eeuwse Joodse geschiedenis ging volgen, een onderwerp dat me altijd heeft gefascineerd. Mijn medestudenten waren heel aardig, maar ik heb me nooit helemaal senang gevoeld in het intellectuele klimaat. Zij zag me en stimuleerde me.”

Voldeed u aan het cliché van een dorpsjongen in de grote stad?

Lachend: “Ja, toch wel. Vanaf mijn tiende was ik fan van Ajax en voelde ik me Amsterdammer. Maar als student kwam ik erachter dat Amsterdam een andere wereld was dan mijn geboortedorp. Een vriend woonde boven een kroeg in de Damstraat, ik keek mijn ogen uit. En ik ben eens het portiek van een winkel in gedoken omdat er een ME-peloton de straat in kwam. Dat was wel even schrikken.”

“Ik voelde me vrij in Amsterdam, ging als Ajacied natuurlijk weleens naar De Meer, maar West-Friesland bleef mijn biotoop. Vlak voor ik ging studeren, had ik Ancolet ontmoet, mijn vrouw, en ik wilde bij haar blijven. Ik had wekelijks maar iets van zes uurtjes college, dus ik kon prima op en neer met de trein. In het weekend voetballen bij De Blokkers, naar de dorpsdisco waar Kiss en Van Halen werd gedraaid, en als het seizoen ernaar was, liepen mijn vrienden en ik alle kermissen af. Dat was mijn leven toen.”

Volgens uw vrouw werd u min of meer toevallig archivaris omdat u na uw studie militaire dienst weigerde.

“Klopt. Ik ben niet antimilitaristisch, maar ik dacht: ik laat een ander niet bepalen wanneer ik moet schieten. Mijn broer had tijdens zijn diensttijd constant in de clinch gelegen met een kapitein, dat zal ook hebben meegespeeld. Als iemand begint te blaffen, gaat deze jongen niet lopen.”

null Beeld Elmer van der Mare
Beeld Elmer van der Mare

“Voor mijn vervangende dienstplicht kwam ik terecht bij het Rijksarchief in Haarlem, tegenwoordig het Noord-Hollands Archief. Met twee jongens uit Enkhuizen, met wie ik ontzettend heb gelachen, moest ik daar alles doen: nieten, inpakken, inventariseren. Er gingen documenten van bisdommen, ingenieursbureaus en wetenschappelijke instituten door mijn handen. Prachtig. Daar is het vuur ontbrand en heb ik besloten naar de Archiefschool te gaan.”

Archieven hebben een stoffig imago. Wat was voor u de aantrekkingskracht?

“Het woord ‘stoffig’ komt niet in het interview, hoor! Bij het Stadsarchief heb ik dat verbannen. Daarmee bevestig je zo’n beeld alleen maar, terwijl archiefwerk juist zo spannend kan zijn.”

“De lol van het vak is de confrontatie met de geschiedenis. De opleiding archivistiek bestond uit één schooldag per week, de overige dagen moest je meedraaien in een archief. Toevallig kwam ik terecht bij het voormalige Gemeentearchief Amsterdam, het huidige Stadsarchief, dat toen nog op de Amsteldijk zat. Voor mijn eindopdracht moest ik 700 meter Amsterdams politiearchief inventariseren. Nou, de hele 19de eeuw trok aan me voorbij; pure historische sensatie. Als je rapporten over het Palingoproer of buitenlandse anarchisten leest, is het net alsof je bij de politie werkt.”

Nu bent u daar de baas. Had u dat ooit gedacht?

“Nee, maar een oud-studiegenoot zei: ‘Je riep vroeger al dat je dat wilde.’ Kennelijk was het een diepgewortelde wens.”

“Dertig jaar geleden heerste bij het Gemeentearchief de sfeer uit Voskuils Het Bureau. In de personeelskantine zaten allemaal solistische mensen die allemaal een eigen gebruiksaanwijzing hadden. Het was een vreemd instituut, maar ik voelde wel een soort beroepstrots, zo van: ‘Wij zijn het Gemeentearchief.’ Amsterdamse bluf, zeg maar.”

null Beeld Elmer van der Mare
Beeld Elmer van der Mare

“Toen ik aantrad als directeur, zei ik tegen de negentig medewerkers: ‘Wij gaan het beste stadsarchief ter wereld worden.’ En iemand antwoordde: ‘Goh, dat zeiden we vroeger ook weleens.’ Maar ik maak er echt een missie van. Johan Cruijff was een goede leider omdat hij een visie had, en motivatie begint met visie. Je moet weten welke kant je uit wil. In die zin is hij een voorbeeld voor me.”

Een van uw speerpunten is digitale innovatie. Volgens uw zoon is dat een persoonlijke fixatie: u speelde vroeger mee op zijn PlayStation en heeft altijd de nieuwste apps.

Hij schiet in de lach. “Ik vind digitalisering razend interessant, ja, maar het vak vraagt er ook om. Sinds de pandemie hebben we een chatbox en we doen scanning on demand, zodat klanten documenten gewoon thuis kunnen inzien. De wachttijden zijn nog te lang, maar die dienst is enorm populair. We hebben inmiddels 10 kilometer archief digitaal gemaakt en zijn nu bezig met handschriftherkenning door computers, die inmiddels 95 procent kunnen herkennen. Dus dat gaat snel.”

Er gaat ook iets verloren: de geur van oud papier, het bladeren in een broos boek...

“Absoluut. Technisch gezien zou ik de studiezaal kunnen sluiten, maar daar komen jaarlijks vierduizend mensen, dus dat doe ik niet. Voor veel bezoekers is het Stadsarchief ook gewoon een dagje uit, vooral onze genealogische informatie wordt bij wijze van spreken stukgelezen. We hebben ook nog lang niet alles gedigitaliseerd, maar dat is wel ons doel. Het gemak daarvan is ongekend.”

Speurt u privé ook weleens in archieven?

“Ja, natuurlijk. Ik heb online de overlijdensakte van mijn oudste, levenloos geboren zusje gevonden. Mijn moeder had daar weleens over verteld, maar als je daar dan ineens de handtekening van je vader ziet staan, denk je wel: godverdorie, hun eerste kind. Dat is de kracht van archieven: ze brengen het verleden dichterbij.”

Is dat belangrijk?

“Ja, omdat we onze identiteit spiegelen aan het verleden. Iemand die dement is, weet niet wie hij gisteren was en herkent zichzelf daarom niet meer. En dat geldt ook in algemenere zin. Als je de geschiedenis niet kent, kun je de tijd waarin je leeft niet duiden. Archieven gaan niet over papier, maar over verhalen van mensen. Die verschillen vaak helemaal niet zo veel van onze eigen verhalen en leren je hoe de wereld in elkaar steekt.”

Veel mensen gaan tegenwoordig op zoek naar hun wortels. Heeft u daar een verklaring voor?

“Omdat het kán. Het is een ongelooflijk leuke hobby. Wij werken regelmatig mee aan het tv-programma Verborgen Verleden. Harmen Snel, die daarvoor namens het Stadsarchief familiegeschiedenissen van bekende Nederlanders uitpluist, dacht dat in mijn stamboom enkel West-Friezen zouden voorkomen. Maar hij is gaan zoeken en wat blijkt? Ik ben verre familie van de stamvaders van Amsterdam!”

Lachend: “Dus ik zei: ‘Zie je wel! Ik ben hier de enige echte Amsterdammer’.”

Uw vrouw zegde haar baan in Zwolle op voor uw werk en jullie verhuisden naar een kleiner appartement in Haarlem. Best een offer voor een baan.

Licht verbolgen: “Niet voor een baan, voor elkáár. In het verleden zijn we vaker verhuisd omdat de ander een leuke functie kon krijgen, onder meer naar Hoorn, Lelystad en Delft. Als je jong van geest wil blijven, en dat willen wij, moet je iets doen waar je hart ligt. Ancolet is gek op haar vak, zij geeft les aan jonge kinderen en heeft het nu prima naar haar zin op een school voor speciaal onderwijs in Amsterdam-Zuid. Ik ben gek van archieven en zit daarvoor nu op de allermooiste plek. We gunnen elkaar een carrière die niet per se draait om geld, maar om het volgen van je passie.”

Waarom verhuisden jullie niet naar Amsterdam?

“De woningmarkt is natuurlijk oververhit, maar wat ook meespeelde is dat ik nog altijd iets heb van: doe maar gewoon. Ik hoef mezelf niet zo nodig ergens tussen te wringen. Haarlem is een leuke stad en doordeweeks werk ik in Amsterdam, dus ik krijg genoeg mee.”

“Zodra ik ’s ochtends het station uit loop, ben ik blij. De grachten, al die verschillende types. We vergaderen vaak in een fabrieksgebouw tegenover Gassan en tijdens de lunchpauze wandel ik graag door de voormalige Jodenwijk. Dan denk ik aan de mensen die daar woonden en zie ik de geschiedenis van de stad bijna voor me. Ook dat maakt mijn baan bijzonder: het gevoel Amsterdammer te zijn, is nu compleet.”

null Beeld

Bert de Vries

12 januari 1961, Blokker (West-Friesland)

1973-1979 Rijksscholengemeenschap West-Friesland (atheneum)
1979-1987 Studie geschiedenis, UvA
1988-1989 Docent geschiedenis Twents Carmel College, Oldenzaal
1989-1991 Studie archivistiek
1997-2001 Hoofd Collecties Nationaal Archief, Den Haag
2001-2007 Adjunct-directeur Nationaal Archief, Den Haag
2005-2007 Master of Business Administration, Hogeschool Den Haag
2007-2010 Bestuurslid kunstenfestival Zwart, Zwolle
2011-2014 Raad van Toezicht Cultuur Historisch Centrum Vollenhove
2007-2015 Directeur Historisch Centrum Overijssel
2015-heden Directeur Stadsarchief Amsterdam
2018-heden Voorzitter Koninklijke Vereniging van Archivarissen in Nederland (Brain)

Bert de Vries woont in Haarlem en is getrouwd met Ancolet Wester. Hun dochter Annemijn (22) woont tijdelijk weer thuis, zoon Pieter-Jelles (24) woont in Nijmegen.

Meer over