PlusInterview

Autobiografische roman over een alcoholistische en depressieve moeder: ‘Ik begreep al jong dat ze mijn hulp nodig had’

Journalist en schrijver Paul Teunissen (56) schreef een autobiografische roman over zijn moeder, die 23 jaar geleden overleed. In Moeder wist niet beter brengt hij een ode aan haar en schrijft hij openhartig over haar alcoholverslaving en zijn rouwverwerking.



Kim van der Meulen
Paul Teunissen: ‘Ik was mijn geloof in geluk verloren.’ Beeld Sophie Saddington
Paul Teunissen: ‘Ik was mijn geloof in geluk verloren.’Beeld Sophie Saddington

Drie maanden nadat zijn moeder was overleden, probeerde Paul Teunissen al over haar te schrijven. Het lukte niet: het verdriet was nog te vers. Bovendien had hij veel vragen. Waarom was ze depressief geworden? Waarom was ze gaan drinken? En misschien wel de moeilijkste vraag: wilde ze misschien niet meer leven? Hij ging op zoek naar antwoorden.

Waarom lukte het schrijven u na al die jaren pas?

“Het is een rotwoord, maar het overlijden van mijn moeder was traumatisch. Het haalde mijn leven helemaal overhoop. Ik ging bij mijn vrouw weg, terwijl we een goede relatie en een zoontje van één hadden. Pas vier jaar later zijn we weer bij elkaar gekomen. In die periode zag ik ook mijn vrienden zo min mogelijk. Ik stopte ook met journalistiek werk en ging bij het Leger des Heils werken, in een daklozenpension. Daar was ik omringd door mensen die zichzelf kapot maakten, maar op een of andere manier voelde ik me daar thuis.”

“Ik leefde met mijn rug naar het leven. Als je er zo aan toe bent, kun je niks behoorlijks opschrijven. Ik had werk, een huis, zorgde deels voor mijn zoon, maar inwendig was ik gebroken. Ik was mijn geloof in geluk verloren.”

Wat voor band had u met uw moeder?

“Die was symbiotisch. Ze toonde overweldigend veel liefde en voerde serieuze gesprekken met mijn broer, zus en mij. Daardoor voelde ik me heel belangrijk, wat als kind fantastisch was. Maar dat betekende ook dat ik op mijn elfde al verhalen hoorde over haar liefdesleven. Ze vertelde me over haar huwelijksproblemen en over haar minnaar – in die tijd misschien niet zo raar – die haar de mooiste vrouw vond die hij ooit had gezien. Ik begreep al jong dat ze mijn hulp nodig had, emotioneel. Eigenlijk was onze relatie te hecht, te intens. Ze had ons nodig voor haar geluk. Voor haar bleef er weinig over toen wij uit huis gingen. Dat heeft volgens mij een rol gespeeld in haar drankgebruik.”

Wanneer ontdekte u dat uw moeder een alcoholverslaving had?

“Daar kwamen we pas laat achter; ik was een jaar of zeventien. Pas toen ik al op kamers woonde in Amsterdam kreeg ik echt in de gaten dat ze dronk. Als ik belde, klonk haar stem soms anders. En als ik naar ons ouderlijk huis in de Achterhoek terugging, lag ze weleens vier dagen op bed. Maar mijn broer, zus en ik zeiden tegen elkaar: ze heeft dit nou eenmaal nodig, daarna knapt ze weer op.”

“Soms werden verdriet, spanningen en ruzies haar te veel – mijn vader had een heel succesvol modeschoenenbedrijf, dat failliet ging. Eén week drinken en daarna was ze weer zeven weken goed. Zo ging het nou eenmaal, dachten we. Maar ja, als je dat een jaar of tien doet, ga je daar natuurlijk aan kapot. Uiteindelijk ging iemand van wie ik veel hield langzaam voor mijn ogen dood.”

Van buitenaf leek er niks aan de hand, schrijft u.

“Nee. Toen mijn vader de zaak nog had, was ons leven fantastisch. We hadden het grootste huis, paarden, honden en de duurste auto’s, gingen op de verste reizen en onze moeder was het knapst. Als mensen het over gezinsgeluk hadden, wezen ze naar ons gezin. Na het faillissement gingen mijn ouders in een klein rothuisje wonen. Ik denk dat mijn moeder toen al ernstig depressief was.”

“Na een jaar dacht ik: we moeten iets doen om deze situatie te verbeteren. We zijn op vakantie gegaan naar Curaçao, waar een vriend woonde. Het moest een nieuwe start worden. Maar wij waren allemaal eind twintig, en zij was 58 en zwaar depressief. Het verschil tussen ons en haar was veel te groot. Ik heb haar gevraagd het me te vertellen als ze zich slecht voelde, dan zou ik meteen komen en haar helpen. Dan zou ze niet zo destructief hoeven te drinken. Dat beloofde ze.”

Geloofde u haar?

“Natuurlijk. Ik moest het wel geloven. Wat was het alternatief? Toen we weer in Nederland waren, belde die vriend vanaf Curaçao. Hij had ontdekt dat mijn moeder de hele vakantie had gedronken. Er is maar een manier waarop ik haar kan bewegen te stoppen met drinken, dacht ik: haar een brief schrijven en zeggen dat ik haar niet meer wil zien als ze haar leven niet verandert. Ik schreef die brief dus om haar te redden, maar zo eenvoudig was dat niet. Vijf maanden na die brief overleed ze.”

Uw boek is geschreven als een lange brief aan uw moeder.

“Ik heb allerlei vormen geprobeerd: een verhaal in de eerste, tweede en derde persoon en zelfs een in het Engels. Elf jaar geleden heb ik een boek geschreven waarin ik naasten van mensen met een psychische stoornis portretteerde. Dat was eigenlijk een voorstudie. Twee jaar geleden dacht ik ineens: het moet een brief zijn. Dan ben ik misschien het eerlijkst. Zo kon ik haar ook heel dichtbij halen, wat ik vanuit een gemis graag wilde. Ik vind het wel goed werken: ik kan me tot haar richten, maar haar soms ook even loslaten en iets vertellen.”

Waarom is uw verhaal deels gefictionaliseerd?

“Een roman biedt ruimte om dingen te beschrijven die niet echt gebeurd zijn, maar wel bijdragen aan het verhaal. Het gesprek dat de hoofdpersoon met zijn moeder voert als hij haar in een inrichting opzoekt, is bijvoorbeeld fictie. Ik ben wel in die inrichting geweest, maar was zo geschokt om mijn moeder daar te zien dat ik er bijna niets van heb onthouden. Maar ik heb alles zo eerlijk mogelijk opgeschreven.”

“Soms werd ik weer emotioneel om dingen die ruim twintig jaar geleden zijn gebeurd. Dat ze van de trap viel en haar voortanden kwijtraakte, bijvoorbeeld. Het kostte me veel moeite dat weer voor ogen te halen, omdat ik die gebeurtenis heel lang heb geprobeerd weg te drukken. Maar ik wist: als ik hierover ga schrijven, moet ik ook zulke dingen beschrijven.”

Bent u weleens bang geweest dat u ook met alcoholverslaving en depressies te maken zou krijgen?

“Dat heb ik me natuurlijk afgevraagd, zeker nadat mijn moeders jongste broer een einde aan zijn leven had gemaakt. Maar ik weet dat ik niet zelfdestructief ben. Soms probeerde ik me tijdens het schrijven voor te stellen hoe mijn moeder in die laatste periode was. Dan zette ik Miserere mei, Deus van Gregorio Allegri op, heel zware muziek met koorzang. Ik dacht: dan kan ik haar gevoel beter opschrijven en ben ik heel dicht bij haar. En dan snap ik misschien het gevoel dat je niet meer verder wilt. Heel ongezond, dus daar ben ik maar mee gestopt. Ik heb gelukkig ook de lichtzinnige eigenschappen van mijn vader.”

Uw journalistieke verhalen gaan ook vaak over kwetsbare mensen.

“Omdat ik altijd lange verhalen schreef, voor Vrij Nederland en Het Parool, vond ik dat er veel dramatische lading moest zijn, anders was het niet interessant. Dan kom je snel uit bij ernstige ziektes en dodelijk verlies. Dat heeft ook met mijn geschiedenis te maken. Maar ik wil nu ook verhalen maken die wat lichter zijn en goed aflopen.”

Heeft u antwoorden gekregen op de vragen die u had?

“Ja. Ik heb mijn moeders psycholoog gesproken, heb haar ziekenhuisdossier doorgenomen met een archivaris en heb gepraat met familieleden, vrienden en haar oude minnaar. Ik denk dat ze al een jaar of drie niet meer verder wilde leven. Dat gaf een heel ander beeld van mijn moeder. Het gemis blijft, en ik had mijn kinderen heel graag aan haar laten zien. Maar ik kan nu goed terugkijken op die geschiedenis. Ik heb geprobeerd een verhaal van mijn leven te maken om te begrijpen wat er is gebeurd. Nu kan ik daarmee overweg.”

Paul Teunissen: Moeder wist niet beter, Podium, €21,99. De auteur signeert zijn boek zaterdag om 16.00 uur bij Pantheon Boekhandel.

Meer over