PlusAchtergrond

Amsterdamse honingbijen drijven wilde bijensoorten in het nauw: ‘Iedereen wil tegenwoordig imker worden’

De populaire honingbij dreigt de wilde bij in Amsterdam te verdrukken. Bijen houden – op daken, achter heggen en in volkstuinen – wordt steeds populairder. Het stadsbestuur denkt na over maatregelen, imkers willen meepraten. ‘Er zijn veel cowboys onder de imkers.’

Patrick Meershoek
Dorinde de Tempe, op het dak van Hotel The Grand. 'Ik werk niet met de superbijen die tegenwoordig wel worden ingezet om maar zo veel mogelijk honing te produceren.' Beeld Nina Schollaardt
Dorinde de Tempe, op het dak van Hotel The Grand. 'Ik werk niet met de superbijen die tegenwoordig wel worden ingezet om maar zo veel mogelijk honing te produceren.'Beeld Nina Schollaardt

Het gonst in de Amsterdamse bijenwereld sinds de gemeente eerder deze maand een alarmerend rapport naar buiten bracht over de bijen in de stad. Door de groeiende populariteit van het imkeren met honingbijen komt de wilde bij in het gedrang. Om de meer dan honderd verschillende wilde-bijensoorten in de stad te helpen, komt de gemeente later dit jaar met een plan dat waarschijnlijk voorziet in onder meer een registratieplicht voor imkers en een betere spreiding van de honingbijen over de stad, zodat ook voor de wilde bij voldoende voedsel te vinden is.

Want het draait, ook in het leven van de bij, allemaal om voedsel en voortbestaan. “Het is een landelijk probleem,” vertelt stadsecoloog Florinda Nieuwenhuis. “Sinds de jaren zeventig neemt het aantal insecten dramatisch af. Er is veel minder voedsel te vinden, onder meer door het verdwijnen van ruige akkers met bloemen en kruiden. In Amsterdam voeren we sinds 2012 speciaal beleid om de insecten een handje te helpen. We planten bloemen, zorgen voor meer groen, gebruiken geen bestrijdingsmiddelen meer en maaien alleen daar waar het nodig is.”

Dat beleid werpt zijn vrucht af. Sommige bedreigde soorten van de wilde bij doen het in de stad zelfs beter dan daarbuiten. Nieuwenhuis: “We hebben in Amsterdam 25 soorten van de zogenoemde rode lijst met bedreigde bijen. Voor hen is de stad een refugium.” In die stad moeten de wilde bijen wel de concurrentie aan met de honingbij. “Die is enorm in opmars. Het imkeren is momenteel een populaire vorm van stadslandbouw. Dat is prima, maar het moet niet ten koste gaan van de natuur. Het evenwicht moet worden hersteld.”

In de komende maanden wil de gemeente onderzoeken welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Het EIS Kenniscentrum Insecten in Leiden deed in een rapport al enkele aanbevelingen, zoals een registratie van honingbijvolken en een vergunningplicht voor imkers. Als vuistregel voor een betere spreiding van de honingbijen over de stad, stelt het rapport voor om drie volken per vierkante kilometer toe te staan. Rond favoriete plekken van de wilde bij, zoals het Diemerpark, het Gaasperpark, het Westerpark en de Noorder-IJplas zou een buffer van een kilometer kunnen worden ingesteld. Scheer je weg, honingbij!

Imker Ko Veltman (72)

Ko Veltman, in de schooltuin aan de Schaap Schooltuin in Noord. 'Er zijn onder de imkers heel wat cowboys. Amateurs die een internetcursus volgen en met twee of drie volkeren aan de slag gaan.' Beeld Nina Schollaardt
Ko Veltman, in de schooltuin aan de Schaap Schooltuin in Noord. 'Er zijn onder de imkers heel wat cowboys. Amateurs die een internetcursus volgen en met twee of drie volkeren aan de slag gaan.'Beeld Nina Schollaardt

Kort na de oprichting in 1955 van de Schaap Schooltuin aan de Heggerankweg in Noord, maakte een 16-jarige Amsterdammer daar voor het eerst kennis met het houden van bijen. Ko Veltman is inmiddels 72 jaar, werkte ruim twintig jaar in de Vlindertuin van Artis en is sinds zijn pensioen weer enkele dagen per week te vinden op het schooltuinencomplex. Meer precies: in de vlinder- en bijentuin, een klein paradijs voor mens en dier waar Veltman schoolklassen vertelt over koninginnen, bijen en honing. Veltman: “Ik leer ze ook de bijendans: een achtje draaien en schudden met de kont.”

Veltman geldt als een autoriteit in de Amsterdamse bijenwereld. Vanwege zijn uitputtende kennis, vanwege de cursussen die hij geeft aan beginnende imkers, en vanwege zijn voorzitterschap van de Amsterdamse Vereniging tot Bevordering van de Bijenteelt (AVBB). Die vereniging bestaat al meer dan honderd jaar, maar door de enorme groei van het aantal imkers in de stad wordt de bijenteelt vandaag de dag niet zozeer bevorderd als wel afgeremd. “We leiden bewust niet meer dan tien mensen per jaar op. De rest gaat op de wachtlijst. Twintig jaar geleden wilde iedereen molenaar worden, nu imker. Het is geen oude-mannenberoep meer, zoals vroeger.”

De rage leidt tot wildgroei en een hoop geknoei. “Er zijn onder de imkers heel wat cowboys. Amateurs die een internetcursus volgen en met twee of drie volkeren aan de slag gaan. Ik druk mijn cursisten op het hart: je leert het echt niet in één jaar. Ook met een diploma op zak kom je nog geregeld voor verrassingen te staan. Het is ook een kwestie van verantwoordelijkheid. Bijen zijn landbouwhuisdieren, maar niet te vergelijken met een paar schapen of geiten. Van een slechte imker worden bijen chagrijnig. Van twee steken heb je geen last, maar van tien kun je behoorlijk ziek worden. Een eerste vereiste voor imkers is een gedegen kennis van de natuur.”

Om die reden is Veltman ook voorstander van een registratieplicht. Een gevoelig onderwerp in de wereld van de imkers, weet hij uit ervaring. “Toen ik er als voorzitter van de AVBB een paar jaar geleden voor pleitte, kon ik bijna mijn sleutels inleveren. Maar de tijd van vrijblijvendheid is voorbij. De gemeente gaat uit van drie volkeren per vierkante kilometer. Ik denk dat het er wel tien zijn. Er staan heel wat kasten verstopt achter de heg. In het geval van een ernstige ziekte als Amerikaans vuilbroed (een voor honingbijlarven dodelijke bacteriële infectie, red.) moet een volk worden geruimd en imkers in de buurt worden gewaarschuwd. De bijen kunnen we niet laten registreren, dus moet het met de imkers gebeuren.”

Ook in het belang van de goede naam van de deskundige imkers in de stad. “We worden nu door de gemeente weggezet als honingboeren,” zegt Veltman. “Er is helemaal niets mis met het produceren van honing. Het is een mooi product en er is vraag naar. Maar honing brengt ook geld op. Er zijn imkers die twintig kasten hebben staan om maar zo veel mogelijk honing te kunnen produceren. We moeten concluderen dat het uit de hand is gelopen en dat dit een goed moment is om als imkers met de gemeente afspraken te maken over wat wel kan en wat niet kan. Maar dat moet wel in goed overleg gebeuren.”

Imker Dorinde de Tempe (49)

Hotel The Grand aan de Oudezijds Voorburgwal heeft 178 luxe kamers en suites met butlerservice, maar de meeste gasten logeren op het dak. In twee houten kasten leven sinds enkele maanden naar schatting 60.000 bijen die in ruil voor hun verblijf op deze A-locatie de honing produceren die het hotel serveert bij onder meer de thee en het ontbijt. De vooruitzichten zijn buitengewoon gunstig, zegt imker Dorinde de Tempe die de bijen verzorgt. “Het lijkt een fantastisch honingjaar te worden. Het druipt momenteel de kast in.”

Verspreid over de stad heeft De Tempe op negen verschillende plekken twintig bijenkasten staan. Uitvalsbasis is het volkstuinencomplex in het Westerpark. “Ik ben voor mezelf begonnen met één kast, tijdens mijn opleiding tot imker. Binnen een jaar werden dat er vier.” Toen kreeg de imker een verzoek van De Brakke Grond om daar een paar kasten op het dak te zetten en te verzorgen. Dat groeide uit tot een klein bijenbedrijf dat de imker combineert met een baan bij het Concertgebouworkest. “Het is geen vetpot, wel mijn lust en mijn leven.”

De Tempe ontvangt een vergoeding voor de verhuur van bijenvolkeren, maar, benadrukt ze, de liefde voor de natuur staat voorop. “De bijen hebben mij geleerd om anders naar de stad te kijken. Welke bomen en planten staan in de buurt waarmee ze zich kunnen voeden? En ik leer nog elke dag bij.” De imker gaat ook niet in op elk verzoek. “Een restaurant heeft me weleens gevraagd tien kasten neer te zetten. Dat slaat nergens op. Ik werk ook alleen met gewone honingbijen, en niet met de superbijen die tegenwoordig wel worden ingezet om maar zo veel mogelijk honing te produceren.”

Zo kijkt De Tempe ook naar het alarm dat de gemeente heeft geslagen over de concurrentie tussen de honingbij en de wilde bij. “Het rapport snijdt hout. Er is sprake van wildgroei als het gaat om honingbijen in de stad. Ik ben er voor dat alleen gediplomeerde lokale imkers hier bijen mogen houden en dat zij worden geregistreerd.”

Tegelijkertijd ziet ze de oprukkende honingbij als een bescheiden onderdeel van een veel groter probleem. “Het gaat gewoon ontzettend slecht met insecten. Dat geldt niet alleen voor de wilde bij en de zweefvlieg. Dat heeft te maken met klimaatverandering, maar ook met de intensivering van de landbouw.”

Grote kwesties die zich niet binnen afzienbare tijd laten aanpakken. “Het is voor de overheid makkelijker om maatregelen te nemen tegen de imkers in de stad, dan de boeren aan te pakken vanwege het verdwijnen van de natuur uit het landschap. Ik ga graag met iedereen het gesprek aan om naar een oplossing te kijken, maar de gemeente moet ook kritisch naar zichzelf kijken. Het volbouwen van de stad draagt ook niet bij aan een gezonde natuur. Insecten zijn dol op lindebomen, maar de gemeente kiest uit praktische overweging toch vooral voor de stoere iep. Daarmee bewijst de stad de wilde bij ook geen dienst.”

Meer over