PlusInterview

Acteur Nasrdin Dchar: ‘Die jongeren in Harskamp, we zijn gewoon weer terug in 2015’

Nasrdin Dchar: ‘Ik sta er toch als beste acteur. Daar gaat het nooit over.’ Beeld Marc de Groot
Nasrdin Dchar: ‘Ik sta er toch als beste acteur. Daar gaat het nooit over.’Beeld Marc de Groot

Tien jaar na zijn beroemde Gouden Kalf-speech staat Nasrdin Dchar (42) in de theaters met De familiekroniek. In deze vijf uur durende voorstelling speelt hij allebei zijn ouders, zijn zusje én zijn vrouw. ‘Ze zei meteen: ik wil het niet.’

Marcel Wiegman

Het voelt als zuurstof, zegt acteur Nasrdin Dchar. Eindelijk weer de planken op. Een zaal met toeschouwers van vlees en bloed. Hij maakte vorig jaar niet voor niets een voorstelling over de chaos van corona: Adem. Over de lockdown die hem de lucht ontnam – en over de politiemoord op George Floyd (‘I can’t breathe’) en de vloedgolf van verontwaardiging over racisme die daarop volgde.

“Die wilde ik spelen,” zegt hij. “Maar het ging niet. Dus probeer je andere manieren om de voorstelling aan de man te brengen. Dat is aardig gelukt. Via tv en een livestream, maar op een gegeven moment houdt ook dat op. Dat podium, als dat wegvalt en maar blijft wegvallen; ik werd diep ongelukkig, onrustig en gestrest. Ik ben niet zo gezellig geweest. Naar mijn gezin, naar mijn vrouw.”

Hoe staat het theater er momenteel voor?

Gepijnigde blik: “Ik hou mijn hart vast of mensen bereid zijn terug te komen.”

De voetbalstadions zitten weer vol.

“Dat soort dingen, ja. Ik ga daar heel slecht op. Ik vond het zo moeilijk om al die mensen bij elkaar te zien, terwijl de theaters nu pas weer open mogen. Terwijl ze er vanaf dag één alles aan hebben gedaan om het veilig te maken voor het publiek.”

Heeft de afgelopen periode u veranderd?

Hij denkt even na en zegt: “Het heeft me misschien bewuster gemaakt van hoe kwetsbaar we zijn. En dat er nog zoveel ­mensen zijn die het nog steeds over een griepje hebben, terwijl ik om mij heen toch echt mensen focking ziek heb zien worden.”

Een confrontatie met uw medemens?

“Ja, maar dat is ook niets nieuws.”

Fel: “Die jongeren in Harskamp, die demonstreren tegen de komst van gevluchte Afghanen. Dat ze letterlijk ­roepen: ‘Eigen volk eerst.’ Ik dacht: wow, we zijn gewoon weer terug in 2015, toen er tijdens een inspraakavond in Steenbergen werd geroepen tegen een vrouw die het voor vluchtelingen opnam: ‘Daar moet een piemel in.’ In mijn Steenbergen, de stad waar ik ben geboren.”

Uw eigen achtertuin.

“We zijn nu zes jaar verder en het gebeurt verdorie weer! Het komt allemaal terug.”

Dchar zit aan een stevig bord rijst met kip. Hij moet bij-eten, verontschuldigt hij zich. Voor een nieuwe rol – waarover hij verder niets kwijt wil. Bekend is hij geworden als boekhouder Potlood in de keiharde misdaadserie Mocro maffia. Beroemd was hij al: van de speech die hij precies tien jaar geleden hield toen hij als eerste Nederlands-Marokkaanse acteur een Gouden Kalf won voor zijn hoofdrol in de speelfilm Rabat.

“Ik ben Nederlander, ik ben trots op mijn Marokkaanse bloed, ik ben een moslim, en ik heb een fokking Gouden Kalf in mijn hand.” Heel het land zag hoe zijn ouders snotterend in de zaal zaten, terwijl hij het zware beeld met een arm de lucht in tilde. “Identiteit,” zegt Dchar, “is een onuitputtelijke bron van inspiratie.”

Hoe is het met uw ouders?

“Ze hebben het zwaar. Corona heeft enorme impact gehad, ook al doen we ons best om ze veel te zien. Mijn vader wordt in maart 80, mijn moeder is 72. Ik zie ze vereenzamen. Ik zie mijn vader struggelen met het feit dat hij ontworteld is. Dat Nederland niet zijn land is, maar dat hij na twee weken Marokko ook denkt: ik wil naar huis.”

“Ze zitten daar in Steenbergen. Vroeger waren er nog een paar Marokkaanse families waar ze mee optrokken, maar die zijn allemaal vertrokken naar de grote stad. We hebben het er best vaak over: kom naar Rotterdam. Ik woon daar en mijn zusje woont 500 meter van me vandaan. Mijn andere zus zou ook best naar Rotterdam willen verhuizen, maar mijn ouders willen niet. Ze krijgen in Rotterdam natuurlijk ook nooit wat ze nu hebben: een huis met een tuin en alles. Maar ik vind het een moeilijk ding, de vereenzaming.”

Het ontworteld zijn?

“Ja, wat is je plek? Dat sijpelt ook door in mijn generatie, hoor. Dat je met je ­loyaliteit zit: naar Nederland, naar Marokko, naar je ouders. Waaah!”

De vraag is dan altijd: waar wil je ­worden begraven?

“Dat is een heel belangrijke vraag.”

Waar willen uw ouders worden ­begraven?

“In Marokko.”

En u?

“In Nederland.”

Dan is er tussen de generaties toch iets gebeurd.

“Zo’n vraag: het is iets wat al heel lang door mijn hoofd gaat. Je zou toch het liefst begraven willen worden waar je ouders begraven worden. Maar wat heb ik met Marokko? Los van dat ik het een prachtig land vind? Ik heb er nog familie wonen, maar verder weet ik niets van dat land, ­terwijl ik alles over Nederland weet. Dit is mijn plek, ook al zijn er mensen die tegen me roepen: ga terug naar je eigen land. Buiten dat – het klinkt misschien egoïstisch – maar als ik kom te overlijden wil ik nog wel worden bezocht. Mijn kinderen zijn hier. Als je in Marokko ligt, weet ik niet wie er dan nog langskomt.”

Kijkt u nog vaak naar dat filmpje met het Gouden Kalf?

“Totaal niet.”

Vindt u het vervelend om er nog steeds aan te worden herinnerd?

“Het is een moment dat ik koester. Dat filmpje wordt gebruikt op scholen, het is belangrijk en actueel. Alleen denk ik af en toe: wat moet ik er nog over zeggen? En soms is het vervelend dat de woorden meer belang hebben gekregen dan de prijs op zich. Ik sta er toch als beste acteur. Daar gaat het nooit over.”

De familiekroniek heet het stuk waarmee Dchar vanaf dit weekend in de theaters staat. Een combinatie van drie eerdere, veelgeprezen solovoorstellingen: Oumi (over zijn moeder), DAD (over zijn vader) en JA (over Amy, zijn Brabantse jeugdliefde uit Steenbergen die na jaren van touwtrekken eindelijk zijn vrouw werd). Een avondje bingewatchen in het theater, aldus de aankondiging. Van vijf uur ’s middags tot een uur of tien in de avond. Met tussendoor hapjes en drankjes.

Couscous?

“Gemaakt door de mama’s van de Couscousbar. Maar het menu verklap ik niet.”

Heeft u weleens eerder zo lang achter elkaar gespeeld?

“Niet in een solovoorstelling. Ik ga drie uur lang aan één stuk praten. Ik heb ervoor getraind, ook fysiek. We hebben in de teksten geschrapt, we hebben herhalingen weggehaald, maar de vraag blijft: houdt het publiek het vol? Hoe zal de spanningsboog zijn? Klopt het?”

Wilt u met deze voorstelling een nieuw verhaal vertellen?

“Het is vooral een bijzondere afsluiting van wat ik de afgelopen tien jaar heb gemaakt. Een verhaal over migratie en de vraag hoe we elkaar beter kunnen leren kennen. De generatie van mijn ouders is al vijftig jaar hier, maar altijd krijg ik weer de reactie: ik heb er nooit bij stilgestaan, dat verhaal van je moeder en je vader. Bij de offers die ze hebben gebracht, bij de ­bijdrage die ze hebben geleverd aan de opbouw van Nederland. Ze maken deel uit van het Nederlandse DNA, maar het wordt niet gezien of gehoord.”

U speelt uw moeder, uw vader en uw vrouw.

“En ik speel mijn beste vriend Mike, ik speel Harry, ik speel Zain, ik speel mijn zusje…”

Wie vindt u het moeilijkst?

Na een lange stilte: “Ik denk dat ik Amy het spannendst vond.”

Waarom?

“Het is het kwetsbaarst. De vrouw met wie je kinderen hebt. De wereld om haar heen: de vriendinnen, haar ouders, ­familie.”

Was u bang voor haar reactie?

“Amy heeft van de voorstelling JA alle versies meegelezen. Ze heeft feedback gegeven en ze weet hoe ik theater maak: ik verander niemand in een karikatuur.”

Het lijkt me confronterend om jezelf gespeeld te zien worden door je man.

“Wat vooral confronterend is zijn de verhalen over onze relatie. Toen ik haar voor de eerste keer vertelde dat ik een voorstelling wilde maken over onze liefde, zei ze meteen: ik wil het niet.”

Omdat er ook ruzie bij hoort?

“Omdat je in het theater zoekt naar ­conflict en in conflict zit pijn. En omdat ze weet dat ik werk vanuit persoonlijke verhalen – dan komt er veel naar boven. Het gevaar bij deze voorstelling was vooral dat het therapie kan worden. Dat het zo privé wordt dat je als kijker denkt: getver, wil ik dat wel horen?”

Het gaat over het onbegrip tussen de moslimjongen en het Brabantse meisje.

“En over de vraag hoe je die verschillen overbrugt. Hoe je samenkomt. Iedereen kan zich herkennen in de liefde en hoe hard je eraan moet trekken. Na afloop kwamen Nederlandse mensen naar me toe: dit verhaal gaat over ons. Het verbaasde me, maar het was te gek. Ik kan er nog steeds kippenvel van krijgen.”

Hadden uw ouders niet liever gezien dat u met een islamitisch meisje thuis was gekomen?

“Dat hebben ze altijd wel gehoopt, maar toen ik vertelde dat ik verliefd was op Amy zeiden ze: we raden het niet aan, maar we raden het ook niet af. Ik had het geluk dat mijn broer die deur heeft geopend. Mijn ouders zagen in dat hun kinderen hier hun leven hebben. En, nou ja, als je in Steenbergen woont, is de kans best groot dat je verliefd wordt op een Nederlands meisje.”

Uw ouders hebben ook in de zaal ­gezeten toen u ze speelde.

“Een van de eerste dingen die mijn vader zei was: dat kan wel wat beter. Maar nee: ze hebben zulke mooie dingen meegemaakt. In Oumi, geschreven door Maria Goos, vertel ik dat ik na de première naar de receptie ga en haar op een bankje in de hoek ­verwacht.”

Hij draagt voor met luide stem: “Maar mijn moeder staat midden in de feestzaal met een appelsap. Mijn vader komt bij me staan. Alle mensen lachen en zwaaien vriendelijk naar mijn stralende moeder. En mijn moeder zwaait en lacht vriendelijk naar al die andere mensen. Onbewust is zij het middelpunt van het premièrefeest. Onbewust is zij de koningin van het bal.”

‘Ik vind het vet dat ik een diploma bedrijfseconomie heb.’ Beeld Marc de Groot
‘Ik vind het vet dat ik een diploma bedrijfseconomie heb.’Beeld Marc de Groot

“Toen ik die woorden uitsprak, zat zij in Carré letterlijk naast de koningin. Dat zijn magische momenten. Die zijn onuitwisbaar.”

Wat betekenen uw ouders voor u?

“Ik zou zo graag meer voor hén willen betekenen. Ze worden ouder. Er komt een moment dat ik een belletje krijg. Een verschrikkelijke gedachte, waarbij ik me altijd afvraag: ben ik er wel geweest voor ze, die laatste jaren? Gelukkig realiseer ik me dan dat ik ze in zekere zin heb vereeuwigd in mijn voorstellingen.”

Vonden ze het niet vreemd dat u het toneel op wilde?

“Daar keken ze niet van op. Ik was van kleins af al bezig met verkleedpartijen. Ik speelde films na en bij bruiloften was ik altijd de gangmaker. Als er ergens een camera was, moest ik meteen op de foto. Maar dat je er ook je werk van kon maken, daar was niemand mee bezig. Voor mijn ouders was het vooral belangrijk dat ik mijn diploma haalde. En dat heb ik gedaan: bedrijfseconomie.”

Geen theaterschool?

“Helaas niet. Ik werd afgewezen. Maar vrij snel nadat ik met studeren was ­begonnen, ben ik gaan spelen, eerst als amateur, later professioneel. Hoe makkelijk was het geweest om die studie op te geven? Ik hoop het ook aan mijn kinderen door te geven: maak af waaraan je begint. Ik vind het vet dat ik een diploma bedrijfseconomie heb. In het begin trouwens niet. Bij elk toneelgezelschap waar ik kwam…”

...wilden ze u boekhouder maken?

“Hahaha, ze vroegen me welke school ik had gedaan. Als je dan zegt: bedrijfseconomie aan de Hes sta je meteen met 10-0 achter. Hoe kun je nou een bedrijfseconoom serieus nemen? Maar als ik nu terugkijk? Ik weet wat het is om te moeten knokken voor je rollen. Om niet op te geven. Pierre Bokma, misschien wel de beste acteur van Nederland, zei dat hij altijd bang is om door de mand te vallen. Toen ik dat las, dacht ik: gelukkig, ik ben niet de enige. Het is onderdeel van het vak: vallen en opstaan, afwijzing na afwijzing na afwijzing, maar die ene rol: bam! Die moet je pakken.”

Kreeg u een strenge opvoeding?

“Ik mocht niet zo veel, nee. Niet naar feestjes, niet uitgaan.”

Meisjes?

“Drama. Ik ging altijd op vrijdagmiddag stiekem naar café Frapo’s, want daar was iedereen na school. Rook ik helemaal naar sigaretten. Als mama vroeg waar ik was geweest, zei ik dat ik bij mijn beste vriend was geweest, want zijn vader rookte sigaren. In hoeverre is het streng? Gewoon: traditioneel. Gelovig.”

Met alle regeltjes die daarbij horen?

“Ergens is dat gebleven. Bidden is voor mij bijvoorbeeld een belangrijk ding. Dat deed ik lang niet en toen weer wel en toen weer niet. Nu ben ik weer helemaal oké met bidden.”

Vanwege corona?

“De innerlijke reis? Wanneer ben ik nou weer begonnen? Niet afgelopen ramadan, maar de ramadan ervoor.”

Twee maanden na het begin van corona.

“Ja, toen heb ik mijn bidkleedje gepakt en ben niet meer gestopt.”

Vijf keer per dag?

“Dat is vijf keer twee minuten, hè.”

Vindt u het belangrijk uw kinderen gelovig op te voeden?

“Ik vind het al fantastisch dat mijn ­kinderen bij het slapengaan aan mij ­vragen: papa, wil je nog een paar versjes doen? Versjes uit de Koran, waar ze niks van snappen en waar ik zelf ook niet zo veel van snap, maar die ik ooit heb geleerd van mijn vader en die ik nu vertel aan mijn kinderen. Dat vind ik gewoon mooi. Ik vind het fantastisch dat mijn kinderen soms hun bidkleedje pakken en naast mij gaan bidden. Het is spel, maar dat ze in elk geval iets ervan meekrijgen, vind ik belangrijk. In the end gaat islam voor mij over een goed mens zijn, over fatsoen en hoe je met elkaar omgaat.”

Maakt u zich zorgen over hun toekomst?

“Soms. Racisme gaat niet opeens zomaar voorbij.”

U zat zich er net nogal over op te ­winden.

“Mijn dochter Dina is nu zeven, de leeftijd waarop ze die beelden uit Harskamp begint te begrijpen. De voorstelling DAD eindigt met een brief aan haar, toen ze anderhalf was: ‘Lieve Dina, ik zal er alles aan doen om jouw leven mooier te maken dan het mijne ooit is geweest en daarvoor zal ik op mijn manier moeten strijden. Met woorden.’ En ik zeg: ‘Het duurt nog wel even voor jij deze woorden kunt lezen, en het duurt nog langer voor je ze zult begrijpen.’”

“Vorige maand, toen ik de tekst van DAD aan het leren was, realiseerde ik me opeens: die tijd is bijna aangebroken. Mijn kinderen gaan te maken krijgen met wat er mis is in deze wereld. Ze gaan voelen: ik heb een andere naam. Daar zitten zorgen, ja. Als je kijkt naar de tijd die is verstreken na mijn speech voor het Gouden Kalf, is het er niet beter op geworden. Ik bedoel: toen hadden we alleen Geert Wilders en kijk nu eens.”

Vijf jaar geleden lanceerde u de beweging Ieder1 met een mars door de stad om de diversiteit van Nederland te vieren. Daar zat een hoopvolle gedachte achter.

De Volkskrant kopte die dag met: ‘Een controversiële parade’. Ik vond dat raar, want wat is er nou controversieel aan als je mensen bij elkaar wilt brengen? Als je voor diversiteit bent, voor inclusie en gelijkwaardigheid? Met terugwerkende kracht denk ik dat de controverse zat in de enigszins naïeve aanpak.”

U dacht met positiviteit de wereld te veranderen.

“Ja, maar zo werkt het niet. Nee.”

Wanneer kwam u daarachter?

“Ik vind dat een moeilijke vraag. Het was een dag die ik nooit meer ga vergeten. Het kwam uit een bron die heel mooi was en veel mensen met elkaar verbond.”

Met de hoop dat het beter zou worden.

“Ons optreden werd ons niet in dank afgenomen door linkse activisten. Die vonden dat we een wollige deken van positiviteit over Nederland gooiden, terwijl er niks positiefs is aan discriminatie. Ik vind het eigenlijk heel moeilijk om dit nu met jou te bespreken. Ik was het gezicht van Ieder1. Ik speechte bij De wereld draait door, dus ik kreeg steeds de volle laag. De lelijkheid was niet mis. Dat is me niet in de koude kleren gaan zitten.”

“Er zit bij mij een tweestrijd: aan de ene kant zie ik het land verrechtsen, aan de andere kant gebeuren er zoveel mooie dingen. De gedachte van Ieder1 leeft nog steeds bij veel mensen. Iedereen werkt er op zijn eigen manier aan. Ik doe dat in het theater, maar bijvoorbeeld ook door mee te spelen in een film als Meskina, waarin alle hoofdrollen zijn voor vrouwen met een migratieachtergrond.”

Dit interview verschijnt op 9/11.

“Wow, de dag waarvan je voelde dat die de wereld ging veranderen. Ik liep destijds stage bij accountantskantoor Arthur Andersen en merkte dat ik heel erg wilde laten zien dat ik het absoluut niet eens was met wat er in Amerika gebeurde.”

Voelde u de druk?

“Natuurlijk, het was: islam, islam, islam. Wat vind je er nou van als moslim?”

Was dat beangstigend?

“We zijn nu twintig jaar verder en als je ziet wat er in die tijd is gezegd over moslims. De generatie die is geboren na 2001 weet niet eens meer beter. Dat is heftig, man. Elke moslim was opeens een potentiële terrorist. Het is eigenlijk te pijnlijk om er iets over te zeggen. Ik weet wat de islam voor mij betekent en voor heel veel mensen. En toch moet ik me continu verdedigen. Laat me met rust, zoek het uit, geloof wat je wilt geloven.”

“Ik moet meteen weer denken aan de keer dat ik met Abdelkarim El-Fassi bij Jeroen Pauw was. We hadden een mooie show gemaakt: hij met een documentaire over zijn vader en ik met mijn voorstelling Oumi over mijn moeder. Voordat we het wisten ging het over IS.”

Terwijl u dacht: ik kwam toch over mijn moeder praten?

“Ja, echt. Dat soort momenten vergeet je gewoon niet.”

U had kunnen zeggen: ik kom niet voor IS.

“Ik wou dat ik het lef had gehad.”

Zou u het nu durven?

“Ik hoop het.”

null Beeld

Nasrdin Dchar

5 november 1978, Steenbergen

1994-1999 Mollerlyceum, Bergen op Zoom (havo)
1999-2006 Studie bedrijfseconomie aan de Hes in Rotterdam

Dchar speelde vanaf 2002 onder meer bij Het Toneel Speelt en het Ro Theater. Hij was te zien in diverse speelfilms, waaronder Tirza, Rabat (Gouden Kalf in 2011), Süskind en Wolf. Op televisie speelde hij onder meer in Shouf Shouf!, Deadline, De troon, De vloer op, Zwarte tulp en De 12 van Oldenheim. Bij Videoland is hij te zien als Potlood in Mocro maffia, waarvan binnenkort het derde seizoen begint.

In 2011 speelde Dchar de solovoorstelling Oumi. In 2017 volgde de solovoorstelling DAD en in 2019 de solovoorstelling JA. Samen vormen zij De familiekroniek, die vanaf dit weekend te zien is in de theaters.

Nasrdin Dchar woont in Rotterdam met zijn vrouw Amy Donk en hun kinderen Dina (7) en Malik (5).

Meer over