Plus

Schoolinspectie nieuwe stijl: ook 'goede' scholen bestaan straks

Scholen kunnen vanaf dinsdag ook als goed worden beoordeeld door de Onderwijsinspectie, een plusje op voldoende. Daar worden alle scholen beter van, voorspelt hoofdinspecteur basisonderwijs Arnold Jonk.

Lorianne van Gelder
Hoofdinspecteur Arnold Jonk: 'Scholen zijn er voor leerlingen, niet andersom' Beeld Mats van Soolingen
Hoofdinspecteur Arnold Jonk: 'Scholen zijn er voor leerlingen, niet andersom'Beeld Mats van Soolingen

Stel, je geeft cijfers aan leerlingen in een klas. De keuze is: een 3, een 5 of een 6. Arnold Jonk, hoofdinspecteur voor het basis- en speciaal onderwijs lacht. "Dat is niet erg motiverend."

Het waren wel de smaken die de Inspectie voor het Onderwijs, kortweg onderwijsinspectie, jaren lang voor scholen had. Een school was zeer zwak (niet goed! alarmbellen!), zwak (ook niet goed, werk aan de winkel!) of voldoende (ga je gang). Dat voldeed jarenlang, maar nu er steeds minder zwakke scholen zijn, is het tijd voor verandering. Want scholen die boven de rest uitstijgen, mogen ook wel eens een extra schouderklopje.

Althans, dat is deel van de gedachtegang van de inspectie nieuwe stijl die officieel vanaf dinsdag (midden in de zomervakantie) ingaat. Vanaf nu kunnen scholen ook aanvragen of de inspectie ze 'goed' vindt. Excellent konden ze ook al worden, maar dat was best een speciaal traject, en niet alle scholen hadden daar oren naar.

De inspectie nieuwe stijl geeft ook meer ruimte aan wat scholen zelf ambiëren. Want als er iets is waar leraren en schooldirecteuren een hekel aan hebben, is het wel eisen opgelegd door anderen.

Afvinken? Echt niet
Bovendien zijn scholen die weten wat ze willen en wat ze kunnen, betere scholen, stelt Jonk. "Als je vooral denkt aan wat anderen van je verwachten, dan wordt het routineus. Het is moeilijk om een eigen visie te hebben en daar ook naar te handelen. Minder goede scholen hebben een vager beeld van wat ze willen, of ze willen duizend dingen, en dat werkt ook niet altijd."

Het was het moment om te veranderen. "We bestaan nu 210 jaar. Als je je toezicht niet regelmatig aanpast, gaan scholen daar te veel naar staan. Dan word je als inspectie te belangrijk."

Dan worden de 'afvinklijstjes' van die inspectie leidend. Maar van alleen al dat woord afvinklijstjes gaan onderwijsinspecteurs steigeren. Want afvinken doen ze niet, echt niet. "We moeten blijkbaar beter laten zien wat we doen. We kijken niet alleen naar Cito-scores en examenresultaten, we kijken naar veel meer."

Onderdeel van de inspectie nieuwe stijl is ook nieuw beleid in klassenbezoeken: er gaat iemand van de school mee de lessen in. Het beeld van norse, onbenaderbare inspecteurs achter in een klas moet maar eens verleden tijd zijn. Experts van andere scholen zullen binnenkort ook meegaan, om meer kennis uit te wisselen. "Kennis delen in het onderwijs kan namelijk wel beter," zegt Jonk.

Starter krijgt altijd bezoek
Ook spannend de komende tijd: het wordt makkelijker om een school op te richten. Staatssecretaris Sander Dekker heeft er een wetsvoorstel voor liggen. Maar hoe beoordeel je of een nieuwe school voldoende is? Dat is vooraf moeilijk te bepalen, al wil de politiek dat wel - zeker na het eindeloze gesteggel over de nieuwe islamitische middelbare school, die nu toch in Amsterdam mag beginnen.

Jonk wil er niet veel over kwijt. Hij zegt alleen: "Als er nog geen school is - en soms zelfs geen schoolplan - is het gek om iets te beoordelen. Ga je dan de mensen beoordelen die de school beginnen? Dat is ingewikkeld. Beoordeel je papier? Ook lastig." Nieuwe scholen worden in elk geval in het eerste jaar van het bestaan bezocht.

In de vijf jaar dat Jonk bij de inspectie werkt zag hij vele goede en zwakke scholen. Maar waar de goede scholen op elkaar lijken, zijn de zwakke vooral verschillend. "Zoals Tolstoj al schreef in Anna Karenina: Gelukkige gezinnen lijken allemaal op elkaar, maar een ongelukkig gezin is altijd ongelukkig op zijn eigen manier. Dat geldt ook voor zwakke scholen."

Toch is er zeker één gemene deler: zwakke scholen geven vaak de leerlingen de schuld dat ze zwak zijn. Jonk blijft zich daarover verbazen. "Dat soort scholen denkt niet genoeg na over wat mogelijk is met hun leerlingen. Als je anderen de schuld geeft, ga je het ook niet bij jezelf zoeken." Hij heeft in lessen gezeten waarbij een derde van de leerlingen naar buiten zat te kijken. "Het kwam voor dat ik zelf niet snapte wat de bedoeling was." En toch dachten sommige scholen dan: het ligt niet ons.

Oppoetsen werkt niet
Dat leerlingen de schuld krijgen, ziet hij ook bij de discussie over diploma's stapelen en de drempels die scholen opwerpen door hoge examencijfers te eisen voordat leerlingen van de mavo naar havo of van havo naar vwo mogen.

"Het ergert me, scholen zijn er voor leerlingen, niet andersom. Scholen die resultaten willen verbeteren, hebben als reflex om betere leerlingen te trekken en drempels te verhogen. Dat lijkt de cijfers op te poetsen. In de praktijk werkt dat niet. Je denkt blijkbaar dat het beter wordt met andere leerlingen, maar je hebt meer effect als je het eigen onderwijs verbetert."

Als scholen vervolgens wijzen naar 'de inspectie', vermoedt Jonk dat het niet alleen over de onderwijsinspectie gaat maar juist ook over ouders en de samenleving als geheel. "Slagingspercentages zijn openbaar, net als andere resultaten en ouders kijken daarnaar. Ik zou ouders die een school kiezen dan ook adviseren te beoordelen of een school eerlijk is over wat er niet goed gaat. Als ze alleen een promotiepraatje houden of verwijzen naar citoscores of examencijfers, is dat te mager."

Met de nieuwe manier van inspecteren hoopt de Inspectie dat scholen nóg beter worden. Vrees voor te veel concurrentie met nieuwe labels als 'goed' en 'excellent' is er niet. "In de praktijk lopen zwakke scholen zelden leeg, en trekken excellente scholen niet veel meer leerlingen. Excellente scholen staan vaak al goed bekend. En soms maak je iets zichtbaar wat mensen niet zien. Scholen met een moeilijke populatie bijvoorbeeld. Ik zou het niet erg vinden als die dan geliefder wordt. Wie goed is, heeft dat verdiend."

Arnold Jonk

1969
Geboren in Heemstede

1991
Doctoraal computer science, Universiteit Leiden

1999
Promotie computer science, UvA

1999-2003
Manager kennis en innovatie bij HEC

2003-2007
Directeur informatie bij onderzoeksbureau EVD, gelieerd aan ministerie van Economische Zaken

2008-2012
Directeur Kennis bij het ministerie van OCW

2012
Hoofdinspecteur basisonderwijs en speciaal onderwijs en plaatsvervangend inspecteur-generaal

Jonk woont met zijn gezin in Amsterdam

Meer over