Het geheim van Jamaica

Cockpit Country: 'een eiland in een eiland, een veilige haven voor ontelbaar veel planten- en diersoorten'. Foto Christopher Baker/ANP Beeld
Cockpit Country: 'een eiland in een eiland, een veilige haven voor ontelbaar veel planten- en diersoorten'. Foto Christopher Baker/ANP

Het bergachtige gebied is ruig, ondoordringbaar en ongastvrij. ' Ga niet zonder gids op pad!' vermelden alle beschrijvingen streng. Het is een gebied om te verdwalen en spoorloos te verdwijnen. En dat was precies wat de maroons, gevluchte slaven, in de achttiende eeuw wilden. Ze hielden zich er schuil voor de Britse troepen die erop uit waren gestuurd om hen weer tot slaaf te maken. De maroons trokken zich terug in het dichtbegroeide gebergte, dat ze al snel wisten te benutten. Ze werden meesters in bushing up (camoufleren) en legden hinderlagen. Vanwege deze guerrillatactiek noemden de Britten het gebied The land of look behind en posteerden ze achterop hun ezels een soldaat die omgekeerd zat, met getrokken pistool. Maar de dienstplichtige soldaten werden niet alleen door maroons getormenteerd. Er waren ook nog de hitte, de hoge vochtigheid en het onbegaanbare terrein.

Het zijn precies díe condities die Cockpit Country tot een uitzonderlijk natuurgebied maken, met een weelderige inheemse flora en fauna. De dieren zijn er klein - de slang en papegaai zijn het grootst - maar er worden nog steeds soorten gevonden die nergens anders op Jamaica, en zelfs op de wereld, voorkomen. Er leven zeldzame vogels, vlinders, krabben, hagedissen, kikkers en slakken. En nóg kleinere beestjes, want ook daarin is Cockpit Country uniek. Harold E. Anthony, één van de eerste biologen die er in 1919 onderzoek deed, verklaarde: ''De teken zijn verschrikkelijk en de muskieten maar een klein beetje minder erg. Gelukkig zijn de laatste dagbijters (daybiters), dus de nachten zijn sereen. ''
Ik hoop dat dat waar is, want al zit de insectenspray ergens onderin mijn tas, de dag is bijna ten einde. Ik ben op weg naar Windsor in Sherwood Content, waar het Windsor Research Centre voor biologen is. Die zijn, net als de andere bijzondere species, te bewonderen tijdens een Meet the biologists-diner.

De locatie van Windsor is voor onderzoekers ideaal, omdat het in het hart van Cockpit Country ligt. Dat maakt het ook wat moeilijk bereikbaar. Bewegwijzering is er niet, maar de bewoners komen vriendelijk te hulp. Verderop, de bergen in, waar de directe afstammelingen van de maroons wonen, schijnt men wat stugger te zijn, valt ook af te lezen uit een plaatsnaam als Me no sen, you no come: als ik je niet vraag te komen, blijf dan weg. Maar op het platteland neemt men de tijd voor een praatje. Al is het Jamaicaanse patwa niet altijd even verstaanbaar, met bijbehorende handbeweging kan het niet missen: ''Galang di road. ''

Die weg wordt steeds smaller en de kuilen worden groter en dieper. Als ik niet verder kan, doemt het Windsor Great House op, nog net zichtbaar in de vallende schemering. Ik installeer me in een sobere kamer in het bijgebouwtje, maar al snel luidt de bel: etenstijd. Ik neem mijn zaklamp mee, want het is donker, pikkedonker. De eigenaars, Mike Schwartz en zijn vrouw Susan, zitten aan de gedekte tafel op de veranda van het grote huis. Terwijl we op de biologen wachten, vertelt Mike vast iets over de omgeving. Ik besef dat het een lange avond zal worden als de Britse wetenschapper begint met: ''Twaalf miljoen jaar geleden rees Jamaica op uit zee. '' Soms maakt hij een aantekening op een schoolbord. ''Omdat Jamaica een oceanisch eiland is, zijn bijna alle species inheems. Cockpit Country is een eiland in een eiland, omringd door landbouw. Een veilige haven voor ontelbaar veel planten- en diersoorten. ''

Als de biologen aanschuiven, wordt het eten opgediend door Sugar Belly, een oudere man die wat moeilijk ter been is. Hij is ook de kok, manager en caretaker, zeg maar het personeel. Angelo en Miguel komen uit Puerto Rico, ze zijn een week op veldonderzoek en vooral geïnteresseerd in amfibieën en reptielen. Opgetogen melden ze dat ze vandaag een zeldzame hagedis hebben gespot: de sphaerodactylus richardsoni. Natuur is een leuk gespreksonderwerp, maar je moet er iets te drinken bij hebben. De ene na de andere fles wijn gaat open.

Het loopt niet echt storm op de Meet the biologists-etentjes, zegt Mike. Windsor krijgt zo'n honderd bezoekers per jaar, vooral onderzoekers en vogelaars, toeristen komen er weinig. Daar is Mike niet rouwig om: ''We willen Cockpit Country beschermen en dan zijn veel bezoekers geen goed idee. '' Waarom hij dan toch de etentjes organiseert en slaapplaatsen verhuurt? ''De mensen die daarop afkomen, zijn geïnteresseerden; voor een toerist is hier niets te doen. Je komt hier voor de natuur, of niet. ''

De natuur in dus. Na het ontbijt meld ik me bij de in rastakleuren geschilderde shop van Dango, de gids van de Windsor Cave. Terwijl we naar de grot wandelen, vertelt Dango over de planten en bomen. Hij plukt kruiden en bloemen om te laten ruiken en gooit een steen tegen een rubberboom aan, waarna een crèmekleurig goedje uit de bast druipt.

Dan geraken we op een smal, vrij steil bergpad. Op de moeilijke stukken helpt Dango me. De rustige rasta kent elke centimeter van het pad; hij doet dit al dertig jaar. De Windsorgrot heeft een kleine en een grote ingang; wij zijn bij de kleine, niet veel groter dan een deur.

Het gaat meteen de diepte in, er hangt een touw voor houvast. Dango ontsteekt een fakkel en leidt me de grot in; ik glibber achter hem aan. ''Vroeger verstopten de maroons zich hier, '' vertelt Dango. ''Het grottenstelsel is zo'n drie kilometer lang, een perfecte ontsnappingsroute. '' Dieper de grot in huist een kolonie vleermuizen; het is te donker om het hoge plafondgewelf te zien, maar ze zijn wel te horen.

De volgende dag heerst diepe rust op Windsor. Sugar Belly zit voor het huis naast een batterij lege wijnflessen. De middag is landerig, ik verdiep me in leesmateriaal over de flora en fauna. De Puerto Ricanen komen terug uit het veld en fotograferen hun krabbetjes, salamanders en kikkers, met grote precisie - het duurt bijna een kwartier voordat ze tevreden zijn met de foto's van een piepklein kikkertje.

Zelf bestudeer ik een muskiet die op mijn arm is geland: is dit een midge of een mug? Ik heb net gelezen dat de twee soorten sprekend op elkaar lijken, maar midges kun je herkennen aan hun geheven voorpoten; muggen houden hun achterpoten omhoog. Ik staar gefascineerd naar de pootjes van het beest. Misschien is dat het effect dat Windsor op je heeft. De natuur krijgt je in zijn greep. Zoiets moet ook gebeurd zijn met de vorige eigenaar van het landgoed, Miriam Rothschild (van de beroemde bankiersfamilie). Ze kwam op de gedachte dat vogels eigenlijk ' vliegende zoölogische tuinen' zijn en schreef er in 1952 een boek over: Vlooien, wormen en de koekoek, een studie naar parasieten bij vogels.

Volgens Mike zijn de interessantste activiteiten 's nachts, als de vleermuizen, reptielen en kikkers tot leven komen. Vanavond wil hij de exodus van vleermuizen monitoren en ik mag mee. We vertrekken tegen vijf uur naar de grote ingang van Windsor Cave, waar, bij het vallen van de schemering de vleermuizen uitzwermen. Het is een flinke tocht door de bergen, het tempo ligt hoog. We lopen over de Troy-Windsor Trail, een pad dat rond 1700 door de Britse soldaten werd aangelegd, maar slaan na een half uur af, om dwars door het struikgewas naar de grot te klauteren. ''Kijk, daar zijn de eerste vleermuizen al! '' Mike haast zich, want de avond valt. Ik bedenk dat de dagbijtertjes nu op stok gaan, maar dat is echt het enige lichtpuntje. Ik ben bang.

We zijn aangekomen bij de grotopening, groot als de entree van een kathedraal, waar de vleermuizen uit komen vliegen. Er scheert er eentje rakelings langs mijn gezicht en ik grijp de dichtstbijzijnde boom beet. ''Dáár zie je het beter, '' zegt Mike en hij klimt naar een overhangende rotspunt. Ik verroer me niet, ik ben één met mijn boom. De gapende muil van de grot braakt hele zwermen vleermuizen uit, die tussen de bomen door scheren. De aanvoer lijkt onuitputtelijk te zijn; wolken van duizenden vleermuizen omgeven me. Het is adembenemend.

Uit de verte klinkt het geruststellende stemgeluid van Mike, die statistische gegevens oplepelt: er huizen acht variëteiten vleermuizen in grot, de kleinste soorten drinken nectar uit bloemen, de iets grotere eten insecten, en dan zijn er ook nog de fruiteters. Alles bij elkaar zijn zo'n honderdduizend vleermuizen inmiddels uitgevlogen.

We beginnen aan de terugweg, een helse opgaaf met enkel het licht van een zaklamp. Zelfs Mike maakt een schuiver. Het gaat iets beter als we weer op de Troy-Windsor Trail lopen en Mike roemt de degelijkheid van het werk van de soldaten, die met het aanleggen van dit pad hun laatste dagen sleten, want de meesten overleefden hun dienstplicht in Jamaica niet: de gemiddelde soldaat hield het twee jaar vol voordat hij bezweek.
Die meedogenloze reputatie is Cockpit Country nooit kwijtgeraakt. ''En dat is maar goed ook, '' zegt Mike. ''Er is nog zo weinig ongerepte natuur op Jamaica, het toerisme heeft al zo veel verpest. '' Wat hem betreft mogen de toeristen wegblijven. Me no sen, you no come. (GERDY VAN DER STAP)

Dango, Windsor Cave Warden:
www.jamaicancaves.org
'Meet the biologists'-Dinner:
www.cockpitcountry.com
Cockpit Country Adventure Tours:
www.stea.net/ccat_main.htm

Gids Django in Windsor Cave. Foto Gerdy van der Stap Beeld
Gids Django in Windsor Cave. Foto Gerdy van der Stap
null Beeld
De shop van Django. Foto Gerdy van der Stap Beeld
De shop van Django. Foto Gerdy van der Stap
Meer over