PlusExclusief

‘De dichter is gevallen’: Remco Campert (1929-2022) bracht lichtheid in de Nederlandse literatuur

Remco Campert was een veelzijdige schrijver en een wat ongrijpbare man. Zijn rijke en immense oeuvre – poëzie, verhalen, romans en columns – is lichtvoetig en virtuoos. In de nacht van zondag op maandag overleed hij op 92-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam.

Maarten Moll
Remco Campert schreef vol humor en melancholie over de onbestemdheid van het leven. Beeld Rink Hof
Remco Campert schreef vol humor en melancholie over de onbestemdheid van het leven.Beeld Rink Hof

Hij was al een keer gestorven.

Dacht men.

Om ongeveer tien over half twaalf op de avond van de dertiende september 2004 lag hij plotseling, verkrampt en naar adem snakkend, op de trap naar de zaal van de Kleine Komedie. Het feestprogramma ter viering van zijn 75ste verjaardag was net afgelopen.

Met natte doeken en een hartmassage bracht men Remco Campert weer bij. Overeind geholpen door een redacteur van zijn uitgeverij De Bezige Bij sprak Remco Campert, slechts een paar minuten nadat hij in elkaar was gezakt, de woorden: “De dichter is gevallen.” Net als in zijn werk wenste Remco Campert ook van deze ‘gebeurtenis’ geen streng drama te maken. Een ambulance reed de gevierde dichter-schrijver-columnist, die eerder dat jaar met Een liefde in Parijs een zeer geslaagde comeback als romancier had gemaakt, naar het ziekenhuis.

Campert herrees. Kwam er weer bovenop, zoals hij ook herstelde toen hij in zijn woning in de Jan Luijkenstraat van de trap viel en een arm brak.

Bedrieglijk eenvoudig

Beide ongevallen vonden plaats in een jubeljaar. In 2011 schreef hij speciaal voor Gedichtendag een kleine, veelgeprezen bundel (Een oud geluid), hij werd bekroond met de Gouden Ganzenveer, de prijs voor een persoon of instituut vanwege zijn of haar grote betekenis voor het geschreven en gedrukte woord in Nederland, ‘om zijn veelzijdigheid als auteur, de lichtheid van de toon van zijn werk en zijn vermogen om zijn denk- en verhaallijnen bedrieglijk eenvoudig zo vorm te geven, dat ze voor een breed publiek toegankelijk blijven’, en in november stond zijn roman Het leven is vurrukkulluk, uit 1961, centraal bij de leesbevorderingscampagne Nederland Leest van de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek.

Die roman, Camperts eerste, verhaalt over twee vrienden, Mees en Boelie, die beiden verliefd zijn op het meisje Panda. Ze beroven een oude man en geven een feest. ‘Niets is daarna meer wat het lijkt in een wereld van vrije liefde en marihuana,’ schreef de CPNB in de toelichting op de keuze van de roman voor haar campagne. De roman werd indertijd zeer positief ontvangen door de literaire critici en gewaardeerd om zijn lichte en ironische verteltrant.

De onbestemdheid van het leven, humor, de melancholie, de ironie, het satirische; het zit allemaal al in dit vroege, zeer toegankelijke werk. En het is er ook nooit meer uit verdwenen. Campert was niet zozeer een geëngageerd schrijver, als wel een getuige die opschreef wat er gebeurde. Geen schrijver van bestsellers, wel heel populair (we noemen ook de pornopersiflage Tjeempie! of Liesje in Luiletterland), juist vanwege de toegankelijkheid van zijn werk. Het gangstermeisje werd in 1966 verfilmd, en er kwam Alle dagen feest (1979), gebaseerd op zijn verhalen. Pas laat, in 1985, schreef hij het boekenweekgeschenk: Somberman’s actie.

Prachtige terugblik

Die avond in de Kleine Komedie was, voor hij onwel werd, een prachtige terugblik op zijn leven, al had hij eerder in Het Parool al laten weten dat hij nog niet klaar was met schrijven. Vanaf het balkon keek hij minzaam toe hoe over hem de loftrompet werd gestoken.

Kees van Kooten oreerde in een fijne sketch hoe op een gegeven moment in zijn leven, in plaats van de verboden beeldverhalen van Dick Bos, de roman Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert onder de schoolbanken werd doorgegeven.

“Het was het eerste geluid dat ons schetste dat er een ander leven mogelijk was dan het leven dat je ouders en de school voor jou voor ogen hadden,” zou hij daarover zeggen.

Over zijn vader

Remco Wouter Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren als zoon van actrice Joekie Broedelet en schrijver-dichter-journalist Jan Campert. Zijn ouders scheidden toen hij drie jaar oud was. Hij woonde afwisselend bij zijn vader en moeder.

In de Tweede Wereldoorlog ging Jan Campert bij het verzet. Hij werd in 1942 door de Duitsers gepakt toen hij een Jood over de grens naar België wilde smokkelen. Op 12 januari 1943 stierf hij in het concentratiekamp Neuengamme. In gevangenschap schreef hij het beroemde gedicht De achttien doden, naar aanleiding van de aangekondigde executie van vijftien verzetslieden van de Geuzengroep en drie communistische Februaristakers in maart 1941.

Remco Campert heeft nooit graag over zijn vader, die hij nauwelijks heeft gekend en die na de oorlog als verzetsheld werd beschouwd, willen praten. Hij kon daar emotioneel niet mee overweg. Een groot deel van zijn leven werd hij achtervolgd door mensen die hem in verband brachten met zijn vader, en die hem vragen stelden die hij niet kon beantwoorden. “Ik kreeg een hekel aan de schim die mijn vader was. Waar haalde hij het recht vandaan om in mijn leven te blijven rondspoken? Hij had zichzelf uit mijn leven verwijderd, waarom lukte het me niet om hetzelfde met hem te doen?”

In 2004 verscheen bij zijn vaste uitgeverij De Bezige Bij het kleine, mooie boek Over mijn vader. Geschreven om zich van zijn vader te bevrijden. ‘Maar zo werkt het niet,’ schreef hij in het nawoord. ‘Al schrijvende verdween mijn ‘hekel’ en nu zie ik dit relaas als een poging om hem dichter bij me te krijgen en wat hij me niet heeft gegeven wel aan hem te geven: een beetje liefde.’

Het eerste understatement

In de Kleine Komedie zat Campert op het balkon stil te kijken naar filmbeelden van zijn moeder, actrice Joekie Broedelet (overleden in 1996), die vertelde dat het kind Remco aan tafel de stilte kon verbreken door te zeggen: “De oceaan is de vijand der matrozen.” In de eerste oorlogsnacht mocht hij van zijn moeder, als hij bang zou worden, bij haar in bed komen. Remco kwam inderdaad, slofte quasionverschillig de slaapkamer in en zei: “Mam, ik vind er niks an.” Broedelet: “Dat was zijn eerste understatement.”

Die toon, die levensvisie, kenmerkt Camperts werk. Mooi waren de nooit eerder uitgezonden filmbeelden van Hans Keller uit 1964. Hij filmde voor de televisie een literaire ontmoeting tussen Campert en criticus Hans Gomperts. De Avro besloot die uitzending niet door te laten gaan omdat Campert in zijn gedicht Niet te geloven het vierde woord uit de regel ‘Alles zoop en naaide’ niet wilde schrappen of veranderen. Het was een kleine rel. In 2000 wilde men hem benoemen tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Campert weigerde: “De gedachten die ik koester aangaande de functie van de monarchie staan mij niet toe een koninklijke onderscheiding te aanvaarden.”

Een keurig geformuleerde reden, bijna bescheiden. En bescheidenheid paste de wat schuchtere, verlegen Campert, die beschouwd werd als het zondagskind van de Nederlandse literatuur. Hij maakte zijn middelbare school niet af omdat hij er geen zin meer in had. Hij wilde het liefst jazzmuzikant worden, schreef weleens een gedichtje, maar had geen idee hoe hij verder moest. “Ik was een ongeduldige jongeman. Ik wilde naar buiten. En niet in een soort schoolsituatie, een huiswerksituatie zitten. Zo van eerst dit en dat doen, en dan mag je buitenspelen. Ik wilde meteen al buitenspelen. Dus dat zat me veel in de weg, hè, het vertier buiten. Feest, vrienden, de meisjes en de muziek. Ik had geen zitvlees.”

Poëzie is een daad

Met Rudy Kousbroek, die hij op Het Amsterdams Lyceum had leren kennen, richtte hij het literaire tijdschrift Braak op. Toen Bert Schierbeek en Lucebert de redactie kwamen versterken, besefte hij dat het misschien wel wat kon worden met het schrijven. Hij stond aan de wieg van een literaire revolutie, de Beweging van Vijftig, die kunst wilde laten ontstaan uit de ‘oerbronnen’ spontaniteit en directheid, en werkte mee aan de beroemde vijftigersbundel Atonaal (1951). Hij debuteerde met de bundel Vogels vliegen toch (1951), en met zijn bundel Berchtesgaden won hij in 1953 de Reina Prinsen Geerligsprijs voor jong literair talent tot 25 jaar.

Snel volgden ook verhalen, kranten- en tijdschriftstukken (voor Het Parool, de Volkskrant, Vrij Nederland, Haagse Post), columns (met Jan Mulder als CaMu in de Volkskrant, later alleen). Veel kort werk, in hoog tempo, soms wat slordig, omdat er geld verdiend moest worden. Later ook romans, al schreef hij die niet veel. Het dichten zou de kern zijn van zijn schrijverschap. In 1976 kreeg hij de P.C. Hooft-prijs voor zijn poëzie. Kernregels daaruit: ‘Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef’. Zijn bibliografie is indrukwekkend.

Slordigheid

Al zei hij in deze krant ook, ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, dat hij nooit had uitgeblonken in discipline. Maar dat hij niet het idee had dat hij daardoor iets níet had geschreven. In datzelfde stuk kwamen ook ‘bepaalde onaangename trekjes’ ter sprake. “Een zekere slordigheid in mijn bestaan, die ik heel lang gehad heb. Verhoudingen die ik niet goed heb afgesloten, te lang in de kroeg blijven hangen, niet aan de dag van morgen denken. Ik leidde een leven met veel losse eindjes, me niet bewust van de consequenties van wat ik deed.”

En voor hem, op tafel, de schrijfmachine waarop hij zijn stukjes schreef. Met twee vingers.

Hij woonde in Parijs (met zijn eerste vrouw), Blaricum (eind jaren vijftig in de villa Jagtlust, ontmoetingsplaats voor Amsterdamse kunstenaars, met zijn tweede vrouw, dichteres Fritzi Harmsen van Beek), Antwerpen (met zijn derde vrouw Lucia van den Berg, met wie hij dochters Emanuela en Cleo kreeg), maar keerde altijd terug naar Amsterdam, waar hij na de oorlog met zijn moeder was komen wonen, en tot zijn dood woonde met zijn vierde vrouw, Deborah Wolf.

Die slordigheid, zoals hij eens vertelde, doorgegeven aan zichzelf vanwege een slordige opvoeding, resulteerde in een periode van stevig drankgebruik en verminderde productiviteit. In die periode, 1969-1979, was hij in dienst als redacteur van De Bezige Bij.

“Maar vaak zijn het verwerkte eigenschappen hoor, de onaangename kantjes van het geheel. Maar ik neem mijn eigen leven nooit zo heel erg onder de loep. Dat zou dan betekenen dat ik misschien dingen moest veranderen in mijn bestaan. Ik heb geen grote, nare trekken. Ik ben geen moordenaar, dan zou het dramatisch zijn. Nou ja, een beetje slordig in de liefde, dat is het wel. Eigenlijk niets om wakker van te liggen.”

Groot stilist

Wat op die feestavond in de Kleine Komedie ook bleek, was wat voor een buitengewoon fijne voordrachtskunstenaar hij was. Campert horen (en zien!) voorlezen was een genot. Een beetje Simon Carmiggelt, met die wat droeve blik. Hij las de meesterlijke column Tot zoens voor, waarmee hij in een paar minuten iedereen die die avond iets gezegd had, in de schaduw stelde.

Na zijn 75ste kreeg hij nog grote literaire prijzen: De Gouden Ganzenveer (2011) en de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren (2014). De jury roemde de schrijver omdat hij ‘lichtheid in de Nederlandstalige literatuur’ brengt. ‘Campert is een groot stilist die in zijn werk steeds relativerend en geestig is en daarmee verschillende generaties blijft aanspreken. Bij Campert zit de diepzinnigheid aan de oppervlakte. Hij kan onverbloemd over het geluk schrijven, maar heeft zich nooit vastgereden in clichés.’

Ook op latere leeftijd kwam er nog veel uit zijn pen. Veel goeds, onder andere de romans Het satijnen hart, en Hôtel du Nord, de novelle Dagboek van een poes, de prachtige dichtbundels Nieuwe herinneringen, Een oud geluid (gepubliceerd naar aanleiding van Gedichtendag 2011), Licht van mijn leven (2014), en Open ogen (2018). In die laatste bundel, ook zijn zwanenzang, was hij voor het eerst actueel, en dichtte hij over aanslagen, vluchtelingen en oorlogskinderen.

‘Genoeg geschreven’

Op 15 juni 2017 onthulde hij een deel van zijn verzetsgedicht Iemand stelt een vraag op de zijgevel van het pand van uitgeverij De Bezige Bij. Hij was toen al 65 jaar aan de uitgeverij verbonden. En hij schreef nog steeds. “Jaaaahhh! Binnenkort komt een bundel gedichten uit, en ik werk al aan een nieuwe bundel.” Op de vraag of het hem levendig houdt, dat dichten, antwoordde hij: “Het houdt me levend.”

Aan stoppen dacht hij nooit, had hij al in 2013 in deze krant gezegd. “Nee! Dat zou levensgevaarlijk zijn. Als je dat denkt houd je met alles op.”

Dus schreef hij maar verder. Maar niet gepland. “Ik ben niet zo’n planner. Heb geen grootse ideeën. Ik doe wat op mijn weg komt. Ik heb ook geen idee van wat ik moet hebben achtergelaten als ik dood ga, je weet toch nooit wanneer je gaat. En als je dan alles hebt geschreven wat je wilde schrijven, en je leeft nog maar door, moet je dan ophouden?”

Op 6 maart 2018 besloot hij te stoppen. ‘Hij is moe en oud en heeft genoeg geschreven,’ lieten zijn vrouw Deborah en uitgeverij De Bezige Bij weten. De schrijver was opgelucht, maar zijn schrijfmachine bleef ‘gebruiksklaar’ op zijn bureau staan.

Wegloper

Een half jaar later verscheen zijn door Mirjam van Hengel geschreven biografie Een knisperend ogenblik. Zijn genialiteit zat volgens Van Hengel in de ongrijpbaarheid van zijn talent. En dat hij altijd plezier had om te schrijven, ‘zin in de dingen’ en ‘elke dag opnieuw beginnen’. Dat was de rode draad in zijn schrijverschap.

Maar ze schreef ook over zijn onvermogen te praten over moeilijke dingen. Zijn vader. Zijn rol als vader. “Hij is ook een wegloper, iemand die wegdraait als het moeilijk wordt,” zei ze in deze krant.

Ze vond hem enigszins ongrijpbaar. “Hij vindt het heerlijk in gezelschap, maar eigenlijk is hij op zichzelf. Hij is opgewekt en vrolijk, maar hij is ook heel somber. Alles heeft twee kanten bij hem. Hij heeft iets waar je net niet helemaal bij kan. Dat maakt iemand wel interessant.”

Ja, en hoe ging het verder?

Hij verkocht zijn huis in de Jan Luijkenstraat en trok zich nog verder terug. Nog meer sporen uitgewist, al kan dat natuurlijk nooit met zo’n oeuvre.

De werkeloze schrijfmachine herinnerde zich een zin uit Te vroeg in het seizoen: ‘Zodra ik begin te schrijven, springen de sigaretten tussen mijn vingers.’ De schrijfmachine hunkerde naar die vingers, naar de opkringelende rook, maar de oude handen van Remco Campert lagen voorgoed in zijn schoot.

Remco Campert

Geboren 28 juli 1929 in Den Haag

1935-1940 openbare lagere school in Kijkduin, Den Haag
1948 zonder diploma vertrokken van Het Amsterdams Lyceum
1949 eerste betaalde publicatie (‘veel zal het niet geweest zijn’) in De Kleine Krant van De Groene Amsterdammer
1950 richt samen met Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak op 1951: eerste dichtbundel Vogels vliegen toch
1953 Reina Prinsen Geerligsprijs voor bundel Berchtesgaden
1961 debuutroman Het leven is vurrukkulluk
1968 Tjeempie! of Liesje in Luiletterland
1976 P.C. Hooft-prijs voor zijn poëzie
1985 boekenweekgeschenk Somberman’s actie
1988-1995 theatertournees met Jan Mulder
1990 Gouden dagen (roman)
1991 Alle verhalen
1995 Dichter, de verzamelde gedichten van Remco Campert
1996-2006 afwisselend met Jan Mulder column ‘Camu’ op voorpagina van de Volkskrant
2004 Over mijn vader
2004 Een liefde in Parijs (roman)
2006 Het satijnen hart (roman)
2007 Nieuwe herinneringen (gedichten)
2007 Dagboek van een poes (novelle)
2008 Het avontuur van Iks en Ei (novelle)
2010 Om vijf uur in de middag (verhalen)
2011 Column Somberman in de Volkskrant
2011 Gouden Ganzenveer
2011 Een oud geluid (gedichten gepubliceerd n.a.v. Gedichtendag 2011)
2013 Hôtel du Nord (roman)
2014 Licht van mijn leven (gedichten)
2015 Prijs der Nederlandse Letteren
2018 Open ogen (gedichten)

Meer over