Francisca Pattipilohy (95): ‘Wij zagen de Japanners als onze bevrijders. Ik kreeg op school voor het eerst les in het Indonesisch, dat was een openbaring.’

PlusReportage

Van Indië naar Indonesië: ‘Wij zijn 350 jaar lang achtergesteld, tegen elkaar uitgespeeld en dom gehouden’

Francisca Pattipilohy (95): ‘Wij zagen de Japanners als onze bevrijders. Ik kreeg op school voor het eerst les in het Indonesisch, dat was een openbaring.’Beeld Marco Okhuizen

Ze stonden tussen 1945 en 1949 aan verschillende kanten van de geschiedenis. Francisca Pattipilohy (95) zag de onafhankelijkheid van Indonesië als bevrijding van de Nederlands kolonisator. Godfried Jansen (83) werd als Indo het mikpunt van Indonesische volkswoede.

Tonny van der Mee

Het is vrijdag 17 augustus 1945, 10 uur ’s ochtends. Op de veranda van zijn woning in Jakarta leest Soekarno een aantal historische zinnen voor van een briefje. ‘Wij, het volk van Indonesië, verklaren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden betreffende de machtsoverdracht en andere zaken worden op zorgvuldige wijze in zo kort mogelijke tijd uitgevoerd.’

De proclamatie van de Republiek Indonesië door Soekarno, bijgestaan door zijn latere vicepresident Hatta, wordt met gejuich begroet. De rood-witte vlag wordt gehesen, de strijdkreet merdeka (‘vrijheid’) klinkt.

De dan 19-jarige Francisca (Cisca) Pattipilohy (1926, Makassar) ziet en hoort de enthousiaste menigte. “Ik wist niet wat er gebeurde,” vertelt ze. “Ik zag mensen met rood-witte vlaggen over de brug lopen. Het was een bijzonder gezicht.”

Bevrijd van het kolonialisme

Voor Indonesiërs is de proclamatie heiliger dan de Japanse capitulatie twee dagen eerder. “De enige belangrijke datum is 17 augustus,” zegt Pattipilohy. “Toen werden we bevrijd van het kolonialisme.”

De vader van Pattipilohy komt uit een radjafamilie van het Molukse eiland Banda Neira. Als architect verricht hij veel werk voor de Nederlanders. Het gezin heeft het daardoor ‘redelijk goed’ in de koloniale tijd. Cisca gaat in Batavia, zoals Jakarta toen nog heette, naar de Hogere Burgerschool (HBS).

Tegelijk ervaart ze het racisme van het koloniale systeem. Inlanders worden op het strand door prikkeldraad gescheiden van Europeanen, eten niet in Nederlandse restaurants, zitten in aparte wagons van de trein en moeten via een aparte ingang naar de pasar (jaarmarkt) op het Koningsplein.

“Ik kwam niet bij Nederlandse vriendinnen thuis en zij niet bij mij,” vertelt Pattipilohy. “Ik wist niet beter en dacht dat het zo hoorde. Inlanders waren gewoon niks, de allerlaagste rang.”

De rood-witte vlag van Indonesië wordt gehesen. Uiterst links staat Soekarno, naast hem Hatta. Beeld Nederlands Instituut voor Militaire Historie
De rood-witte vlag van Indonesië wordt gehesen. Uiterst links staat Soekarno, naast hem Hatta.Beeld Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Het Indonesische vrijheidsstreven bloeit voor de oorlog al op, maar wordt door Nederland de kop in gedrukt. De Indonesiërs ontvangen de Japanners met open armen als zij op 8 maart 1942 Nederlands-Indië bezetten. Pattipilohy: “Wij zagen hen als onze bevrijders. Ik kreeg op school voor het eerst les in het Indonesisch. Nederlands werd verboden. Dat was een openbaring.”

Honger, uitputting en marteling

Nederlanders worden geïnterneerd in Jappenkampen. Tienduizenden sterven door honger, uitputting en martelpraktijken. Indische Nederlanders (Indo’s) en pro-Nederlandse groepen zoals Molukkers, Menadonezen en Chinezen moeten in eigen wijken overleven, zonder bescherming.

Het gezin van Godfried Jansen (1938, Soerabaja) woont aan de oostrand van de havenstad waar hij wordt geboren. Zijn vader, een marineman, belandt in een Japans krijgsgevangenkamp. “Scholen werden gesloten, want de Japanners wilden alles wat Nederlands was wegvagen,” vertelt Jansen.

Godfried Jansen: ‘De kogels vlogen over ons huis heen, iedereen was in paniek. De Indonesiërs gebruikten ons als menselijk schild.’ Beeld Marco Okhuizen
Godfried Jansen: ‘De kogels vlogen over ons huis heen, iedereen was in paniek. De Indonesiërs gebruikten ons als menselijk schild.’Beeld Marco Okhuizen

Tegen het einde van de oorlog bloeit het Indonesisch nationalisme op. Na de Japanse capitulatie is er bij afwezigheid van Britse en Nederlandse troepen een machtsvacuüm. Soekarno en Hatta worden door fanatieke jonge vrijheidsstrijders (pemoeda’s) gedwongen tot proclamatie.

Nederlanders en Indo’s raken geïsoleerd en worden bedreigd. Jansen: “We werden geboycot door de Indonesiërs. We konden geen eten kopen. Vrienden hebben ons ’s nachts in het geheim bevoorraad.”

Het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid luidt een nieuwe periode van geweld in. In Soerabaja begint dat met een vlagincident bij Hotel Oranje. Woedende Indonesiërs zien het hijsen van de Nederlandse driekleur als provocatie. Ze halen de vlag naar beneden, scheuren de blauwe baan eraf en hijsen de rood-witte vlag.

Als een maand later de Britse brigade-generaal Mallaby door een pemoeda wordt doodgeschoten, voert het Britse koloniale leger, dat vooral bestaat uit Nepalese Gurkha’s, een bloedige strijd om Soerabaja.

Volksmassa met bamboesperen en kapmessen

Op de radio en in pamfletten roepen Indonesische verzetsleiders de bevolking op alle Nederlanders en Indo’s ‘uit te roeien’. Onder de strijdkreet bersiap (wees paraat) raast de waanzin van een opgehitste volksmassa met bamboesperen en kapmessen door de archipel.

Bij een razzia in Soerabaja op 15 oktober 1945 worden (Indische) Nederlanders opgepakt en publiekelijk gemarteld en vermoord in de Simpang Club, een Nederlandse sociëteit. Een deel van de gevangenen wordt samengeperst in een toilet, waarna er door de deuren heen wordt geschoten.

Twee weken later worden zo’n 140 Nederlandse vrouwen en kinderen doodgeschoten nadat hun evacuatiekonvooi in een hinderlaag terechtkomt. Schattingen van het aantal doden tijdens de bersiap lopen uiteen van 3500 tot bijna 30.000.

De wijk van Godfried Jansen grenst aan een kampong met ‘fanatieke republikeinse opstandelingen’. “Er werd daar veel propaganda gevoerd. De Indonesiërs werden steeds vijandiger. Ik mocht niet meer de kampong in. We moesten ons gedeisd houden. Mijn moeder werd opgepakt en tijdelijk vastgehouden omdat ze haar verdachten van spionage.”

Menselijk schild

Hun huis, waar meer gezinnen uit de wijk worden samengebracht, ligt in de vuurlinie. “Ik hoorde mitrailleurschoten en bombardementen. De kogels vlogen over ons huis heen. Iedereen was in paniek. De Indonesiërs gebruikten ons als menselijk schild.”

Uiteindelijk worden de gezinnen weggehaald door het Rode Kruis. Eén voor één vluchten ze door de greppels naar een school waar Britse militairen zitten. “We liepen met kussens om ons te beschermen tegen de kogels,” herinnert Jansen zich. “De schok van de inslagen was zo heftig dat het leek alsof de lucht golfde. Ik wist niet wat me overkwam. Soms moest ik over lijken stappen. Mijn moeder zei: ‘Niet omkijken en doorlopen.’”

Slachtoffers van de bersiap worden opgegraven. Beeld Nederlands Instituut voor Militaire Historie
Slachtoffers van de bersiap worden opgegraven.Beeld Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Ze worden veiliggesteld in de haven. Als de Britten de stad weer in handen hebben, keert Jansen terug naar de wijk, waar het leven weer op gang komt. Vanaf maart 1946 komen ook Nederlandse troepen naar de kolonie om burgers te beschermen tegen de ‘rood-witte terreur’ en het gezag te herstellen.

Opbouwen

Francisca Pattipilohy vertrekt in juli 1947 naar Leiden om Indisch recht te studeren. “Ik ben blij dat ik dat gedaan heb. Ik heb daar veel geleerd over de verschrikkingen van het kolonialisme. Toen de politionele acties begonnen, ben ik uit protest gestopt met mijn studie. Ik wilde de republiek helpen opbouwen.”

Na ruim vier jaar oorlog draagt Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over aan Indonesië. “Voor het eerst hoorde ik in Nederland het Indonesisch volkslied spelen. Dat heb ik meegezongen.” In 1951 keert Pattipilohy terug naar Indonesië. Nadat ze in 1965 om onduidelijke redenen in de gevangenis belandt, vertrekt ze eind jaren zestig om veiligheidsredenen naar Nederland.

Voor Godfried Jansen wordt het leven na de soevereiniteitsoverdracht weer onrustiger. “De scholen gingen over op Indonesisch. Ik snapte er niks van. Jongeren bedreigden me of keken me kwaad aan. Een keer werd ik uit het niets van achteren aangevallen.”

Zijn moeder weigert het Indonesisch staatsburgerschap. In april 1952 repatriëren ze naar Nederland. Jansen: “Ik zal niet bestrijden dat Indonesiërs onrecht is aangedaan en het Nederlandse leger zich heeft misdragen. Maar we moeten ook oog hebben voor de verschrikkelijke dingen die Nederlanders, Indische Nederlanders, Chinezen, Molukkers en Menadonezen zijn aangedaan. Over de bersiap wordt vaak gezwegen.”

Pattipilohy wil dat Nederland niet alleen verantwoording aflegt over de periode 1945-1949, maar over eeuwenlange koloniale onderdrukking. “Wij zijn 350 jaar lang achtergesteld, tegen elkaar uitgespeeld en dom gehouden. Toen we bevrijd waren, kon slechts 6 procent van de Indonesiërs lezen en schrijven,” zegt ze. “Het gaat niet om excuses, maar om erkenning dat kolonialisme een misdaad tegen de menselijkheid is.”

Onderzoek dekolonisatie Indonesië

Op 17 februari verschijnen de resultaten van het onderzoek Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945 - 1950. Het onderzoek is uitgevoerd door het NIOD, Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).

Meer over