PlusInterview

Sigrid Kaag heeft spijt van opmerking over vertrouwen: ‘Sloeg eigenlijk nergens op’

Sigrid Kaag kijkt terug op een ‘absurd’ politiek jaar. Ja, er ligt een coalitieakkoord, maar zonder kleerscheuren kwam de D66-leider er niet vanaf. ‘Zodra je minister wordt, krijg je vooral tomaten en eieren.’

Jan Hoedeman en Hans van Soest
D66-leider Sigrid Kaag op het partijbureau in Den Haag. Beeld Joost Hoving
D66-leider Sigrid Kaag op het partijbureau in Den Haag.Beeld Joost Hoving

“Een wilde rit in de achtbaan,” zo noemt D66-leider Sigrid Kaag 2021. Zo rond de feestdagen heeft ze ‘eindelijk tijd om even bij te komen’. “Ik heb het gevoel dat ik nu pas toekom aan terugkijken, want het is zó’n rollercoaster geweest,” zegt ze. “Het was een mentale en fysieke uitputtingsslag voor ons allemaal. Het was bijna een absurd jaar. Tegelijkertijd: niemand in mijn omgeving is overleden, we zijn godzijdank nog steeds gezond. Maar ik had dit nooit durven voorspellen: verkiezingen in coronatijd, verkiezingswinst, de langste formatie ooit. Ook nog in demissionaire toestand minister van Buitenlandse Zaken geworden en afgetreden. Al heb ik de eer aan mezelf gehouden vind ik, en dan weer door. Jezelf oppakken, oppeppen en zeggen: voor de goede zaak.”

Wat heeft u ervan geleerd?

“Het heeft louterend gewerkt. Het begon mooi met die verkiezingsoverwinning, voor het eerst werd D66 de tweede partij van het land. Ik sprong op tafel. Mensen die mij kennen, weten dat ik dat wel vaker doe. In het Midden-Oosten is dat normaal op feesten en partijen. Wat ik gek vond, is dat mensen dachten dat het geënsceneerd was. En al snel na die uitslag weet je: nu moet je ook wat met al die zetels. Je hebt de luxe niet om te denken of de rest van de verkiezingsuitslag of het verloop van de formatie ons wel bevalt. Je moet elke keer weer zeggen: kom op, we gaan ervoor. Het moet netjes worden afgerond omdat we het vertrouwen van de kiezers hebben gekregen. Ik vind dat dat is gelukt.”

U vergeleek doorgaan met deze coalitie met een stilstaande auto die roest.

“Die vergelijking sloeg niet op de coalitie, maar op het medisch-ethische dossier. Daar wilde en wil ik niet weer vier jaar bijna-stilstand. In de formatie hebben wij veel opties op tafel gelegd. Wij wilden alleen niet verder met twee confessionele partijen vanwege onze liberale medisch-ethische agenda. Onze blokkade lag niet per se op de ChristenUnie. We hebben alles geprobeerd. Maar moet je dan als partij blijven zeggen: de anderen willen niets, dan bewegen wij ook niet? Na al die maanden moet iemand de oudste zijn. Letterlijk en figuurlijk. Dan maar zeggen: wij maken het compromis mogelijk, maar wel blijven vasthouden aan de inhoud.”

Zijn er ook dingen die u uzelf kwalijk neemt?

“De eerste fase van de formatie heeft te lang geduurd. Rob Jetten en ik hebben weleens tegen elkaar gezegd: hadden we niet eerder het compromis moeten maken? Maar anderen deden dat ook niet. Wat ik echt anders had willen doen, was mijn opmerking in september over vertrouwen. Maar het was zo’n moment in een lang en vermoeiend debat waarin de ene na de andere emotie de lucht in werd gegooid. En ineens vroeg volgens mij Geert Wilders of ik wel genoeg vertrouwen had in Mark Rutte om met hem te onderhandelen. Op dat moment schoot er door mijn hoofd: ik vertrouw heel veel mensen, maar niet per se wie er nu voor me staat! Maar dat wilde ik niet zeggen. Ik zei toen dat ik alleen mijn man, mijn familie en een paar vrienden vertrouw in het leven. Dat was een beetje een onhandige opmerking. Zo zit ik helemaal niet in elkaar. Ik geef juist graag vertrouwen. Ik word liever teleurgesteld dan dat ik wantrouwend door het leven ga. Het sloeg eigenlijk nergens op.”

Is uw relatie met Rutte veranderd?

“In het vorige kabinet werkten we heel correct en collegiaal samen in de ministerraad. We zijn natuurlijk andere mensen. En dat blijven we. Het debat van 1 april was heel moeilijk. Ik was echt teleurgesteld en ik heb daarin stevige bewoordingen gebruikt. Maar daarna hebben we – eerst gewoon uit noodzaak – heel veel gesprekken gevoerd. We moesten samenwerken, ook over Afghanistan bijvoorbeeld. We hebben elkaar beter leren kennen als mens en politicus. Ik meen het oprecht: mensen met wie je problemen hebt overwonnen, daar kun je vaak meer vertrouwen in hebben dan in mensen met wie je nog nooit een meningsverschil had. We worden allemaal teleurgesteld in het leven. Soms word je uit onverwachte hoek verrast en soms uit onverwachte hoek teleurgesteld.”

Hoe kijkt u terug op uw vertrek als minister?

“Dat heeft me geraakt. Het was een uitzonderlijke periode en ik denk dat er vanuit Nederland te eenzijdig naar alleen de relatie Nederland-Afghanistan is gekeken en te weinig naar de dilemma’s waar je mee te maken hebt in het internationale krachtenveld.”

Welke dan?

“Ik wil er niet te veel over zeggen: ik ben geen minister meer. Er loopt een evaluatie, die moeten we afwachten. Maar feit is: we zijn als kleine speler enorm afhankelijk van andere landen voor de evacuatie van mensen. Op het Amerikaanse besluit om op zo’n korte termijn te vertrekken was niemand voorbereid. Het is een geopolitieke les hoe we als Nederland moeten blijven investeren in onze Europese relaties en in de Navo. We hebben nog wel een weg te gaan.”

Minister Ank Bijleveld van Defensie voelde zich overvallen door uw besluit. Waarom heeft u haar niet vooraf ingelicht?

“Ank Bijleveld had voorafgaand aan het debat al via haar woordvoerder laten weten dat zij doorging als minister. Ik wist van niets en las het in het nieuws. Ik respecteerde haar besluit. Ik heb lang over het mijne nagedacht, het toen meegedeeld aan mijn partij en aan de minister-president. Na afloop van het debat, direct na mijn aftreden, hebben we gedrieën nog een kopje koffie gedronken. Toen had ik niet het idee dat zij van plan was haar positie te wijzigen. En ik snapte ook dat ze door wilde gaan met de evacuatie die nog niet was afgerond. Ze had net als ik hart voor de zaak. Het was ook een motie van afkeuring, niet van wantrouwen. Ík koos ervoor om af te treden, zij heeft haar eigen afweging gemaakt. Ik had na het 1 april-debat al duidelijk gemaakt hoe ik vond dat een motie van afkeuring moet worden gewogen. Maar ik respecteer het ook als een ander een andere afweging maakt.”

Wat zegt u tegen mensen die u benadert voor een ministerspost?

“Ik vertel ze dat er een grote verantwoordelijkheid ligt en dat we nieuwe energie zoeken. Ik zeg erbij: het is heel zwaar. Je zult vaak tegen teleurstellingen aanlopen. Ik maak het niet mooier dan het is. Zeker voor mensen die een reputatie hebben, is er een hoog afbreukrisico. Je kunt nog zo’n aanzien hebben in je huidige werk, zodra je minister wordt, krijg je vooral tomaten en eieren. En dat is dan nog het minst erge. Ik zeg er ook bij: we zijn allemaal passanten. Als je dit werk doet, moet je er niet afhankelijk van zijn. Je moet altijd weer bereid zijn op te stappen als dat nodig is. Zo zit ik er zelf ook in.”

Zoekt u nu een ander type bewindslieden dan voorheen?

“Ik heb nooit eerder bewindslieden gezocht. Je moet doorzettingsvermogen hebben. Je moet je niet snel laten ontmoedigen. Je moet een zeker optimisme hebben en uiteindelijk moet je weten dat er ook een leven is na het ministerschap. Je doet het voor de goede zaak, maar de dankbaarheid zal je niet om de oren vliegen. Na afloop krijg je misschien te horen dat je het zo slecht nog niet hebt gedaan, maar zelden tijdens de rit. Dat Hugo de Jonge pas in de laatste week voor het kerstreces van de oppositie ook complimenten kreeg voor zijn tomeloze inzet, dat is toch vreselijk? In een normaal bedrijf zitten mensen met tegengestelde belangen elkaar ook niet de hele dag af te branden, dat zou niet bevorderlijk zijn voor de prestaties van het concern.”

Geven jullie elkaar in het kabinet weleens een schouderklop?

“Ik zit niet meer in het kabinet, maar ja, dat gebeurde wel eens. Helaas is politiek vaak een onveilige werkomgeving met grote concurrerende belangen waarin partijen elkaar tactisch proberen uit te spelen. Het is belangrijk om ook kwetsbaarheid te kunnen tonen. Dat is juist een teken van kracht. Het zou veel gezonder zijn als je als minister eens kunt zeggen: dit is een ingewikkeld probleem, help mij. Zonder dat dat meteen wordt gezien als een teken van zwakte en dat je niet geschikt bent voor je ambt. Op die manier kun je ook andermans goede ideeën overnemen. Zo kunnen besluiten ook beter worden. Dat is mijn wens.”

Meer over